Nunc dimittis (hymne)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Nunc dimittis (lett. nu laat heengaan), ofwel de Lofzang van Simeon, is een hymne die Simeon heeft uitgesproken toen hij Jezus en zijn ouders in de tempel ontmoette. De tekst staat in het evangelie van Lucas 2,29-32. Het is tevens opgenomen in het boek Oden. Simeon had van de Heilige Geest de belofte gekregen, dat hij niet zou sterven, voordat hij de messias had gezien. Op dit moment gaat de belofte in vervulling.

Muziek en liturgie[bewerken]

Veel componisten hebben deze tekst op muziek gezet, meestal gekoppeld aan het Magnificat. Zowel het Magnificat als de lofzang van Simeon worden gezongen of gezegd gedurende de Anglicaanse Evensong volgens het Book of Common Prayer. Ook tijdens de completen, het laatste deel van het dagelijkse getijdengebed, wordt deze cantiek gereciteerd of gezongen. Maarten Luther schreef een koraal op de lofzang van Simeon, die door Johann Sebastian Bach werd verwerkt in de cantate Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 125).

Latijn (Vulgata)[bewerken]

Verhaal van Simeon in de Parroquia de San José de Jatibonico, Cuba
Nunc dimittis servum tuum, Domine, secundum verbum tuum in pace:
Quia viderunt oculi mei salutare tuum
Quod parasti ante faciem omnium populorum:
Lumen ad revelationem gentium, et gloriam plebis tuae Israel.

Nederlandse vertalingen[bewerken]

Nieuwe Bijbelvertaling[bewerken]

‘Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan,
zoals u heeft beloofd.
Want met eigen ogen heb ik de redding gezien
die u bewerkt heeft ten overstaan van alle volken:
een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen
en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’

Naardense Bijbel[bewerken]

Meester, nu laat gij uw dienaar gaan
in vrede,- naar uw woord;
want mijn ogen hebben gezien uw heil
dat gij bereid hebt
voor het aanschijn van alle gemeenschappen:
licht tot ontsluiering van volkeren,
de glorie van Israël, uw gemeente!


Berijming van Datheen[bewerken]

Nu laat Gij, Heer oprecht,
Gaan in vreed' Uwen knecht,
Naar Uw beloft' gestadig,
Nadat mijn ogen klaar
Hebben gezien voorwaar
Uwen Heiland genadig.
Een Zaligmaker rein
Aller volken gemein
Die aannemen Zijn lere;
Een licht, schijnende klaar
Den heidenen eenpaar
En ook Israëls ere.

Berijming van 1773[bewerken]

Zo laat Gij, HEER, Uw knecht,
Naar 't woord, hem toegezegd,
Thans henengaan in vrede;
Nu hij Uw zaligheid,
Zo lang door hem verbeid,
Gezien heeft, op zijn bede.
Een licht, zo groot, zo schoon,
Gedaald van 's hemels troon,
Straalt volk bij volk in d' ogen;
Terwijl 't het blind gezicht
van 't heidendom verlicht,
En Isrel zal verhogen.