Obadja (profeet)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Obadja.

Aan de profeet Obadja (Hebreeuws: עובדיה) wordt het gelijknamige boek Obadja uit de Bijbel toegeschreven dat het vierde is in de serie van twaalf Kleine profeten.

Hoewel sommige christelijke tradities beweren dat hij in Sichem zou zijn geboren en de derde bevelhebber die door Achazja naar Elia werd gestuurd,[1] moet worden vastgesteld:

Aanhalingsteken openen

Over Obadja is verder niets bekend. De tekst bevat ook geen concrete aanknopingspunten voor een datering van zijn optreden. Algemeen wordt aangenomen dat vers 11-14 zinspeelt op de verovering en verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs onder Nebukadnessar in 586 v.Chr. Waarschijnlijk is het boek samengesteld uit profetische teksten uit verschillende tijden (zesde-derde eeuw v.Chr.).[2]

Aanhalingsteken sluiten
Aanhalingsteken openen

Over de auteur is ons weinig bekend, behalve dat hij schrijft na de val van Jeruzalem in 587 v.Chr. (zie v.11). De profeet richt zich tegen het van oudsher nauw verwante buurvolk Edom, dat niet alleen leedvermaak had bij de belegering en de inneming van Jeruzalem door de Babyloniërs, maar zich zelfs aan de zijde van de vijand schaarde.[3]

Aanhalingsteken sluiten

Rabbijnse traditie[bewerken]

Volgens de Talmoed was Obadja afkomstig uit Edom afkomstig en bekeerd tot het Judaïsme,[4] een afstammeling van Eliphaz, de vriend van Job. Hij wordt geïdentificeerd als de dienstknecht van Achab en men beweert dat hij werd gekozen om tegen Edom te profeteren omdat hijzelf een Edomiet was. Vooral omdat met twee zulke goddeloze personen had geleefd als Achab en Izebel zonder dat hij hun slechte gewoonten overnam, zou hij de meest geschikte persoon zijn om tegen Esau (Edom) te profeteren, die was opgevoed door twee vrome personen (Isaäk en Rebekka) zonder hun goede gewoonten over te nemen.

Obadja zou de gave van profeteren hebben ontvangen omdat hij de 120 profeten had verborgen toen zij door Izebel werden vervolgd.[4] Hij verborg de profeten in twee grotten, zodat als de profeten in één grot zouden worden ontdekt, de anderen nog zouden kunnen ontsnappen.[5] Obadja was bijzonder rijk, maar zijn rijkdom werd besteed aan het voeden van de arme profeten, totdat zijn geld op was en hij om hen te ondersteunen, geld moest lenen van de zoon van Achab, Jehoram.[6] Obadja's vrees voor God was een orde hoger dan die van Abraham en als het huis van Achab gezegend zou kunnen worden, zou dat zijn vanwege de godsvrucht van Obadja.[4]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. 2 Koningen 1:13-16. Volgens: Holy Apostles Convent (1998): The Lives of the Holy Prophets, Buena Vista CO, blz. 4, (ISBN 0-944359-12-4)
  2. Inleiding op Obadja in de Nieuwe Bijbelvertaling
  3. Inleiding op Obadja in de Willibrordvertaling
  4. a b c The Babylonian Talmud, Tract Sanhedrin, Volume VIII, XVI, Part II (Haggada), Chapter XI, The Talmud Society, Boston, blz. 376. Vertaald door Michael L. Rodkinson
  5. 1 Koningen 18:3,4
  6. Midrasj: Exodus Rabbah xxxi. 3