Obsessieve-compulsieve stoornis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Obsessieve-compulsieve stoornis
Handen wassen is een veel voorkomend symptoom van OCD.
Handen wassen is een veel voorkomend symptoom van OCD.
ICD-10 F42
ICD-9 300.3
MedlinePlus 000929
eMedicine article/287681
MeSH D009771
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

De obsessieve-compulsieve stoornis[1] (OCS, ook: OCD), ook vaak obsessief-compulsieve stoornis[2] genoemd, is een psychische aandoening die in het DSM-IV is gecategoriseerd als angststoornis. De oude naam van de aandoening is dwangneurose. OCS komt in verschillende vormen voor, maar het meest voorkomende kenmerk is een obsessieve drang om bepaalde handelingen uit te voeren, die rituelen worden genoemd. De OCS-patiënt voert deze handelingen (compulsies) uit als reactie op dwangmatige gedachten (obsessies). Voor anderen lijken deze handelingen overbodig en zij hebben ook geen oog voor de details, maar voor de patiënt zijn deze handelingen van vitaal belang en moeten ze volgens een bepaald patroon worden uitgevoerd om vermeende nadelige gevolgen te voorkomen. Voorbeelden zijn het zeer vaak controleren of een deur gesloten is of het overmatig vaak wassen van de handen (niet te verwarren met de specifieke smetvrees of mysofobie). OCS komt zowel bij kinderen, adolescenten als volwassenen voor, en veel OCS volwassenen hadden ook in hun jeugd al OCS symptomen

Oorzaken[bewerken]

Psychiatrische aandoeningen zijn complex en daarom is het aanwijzen van een specifieke oorzaak meestal niet mogelijk. Lange tijd was binnen de psychiatrie de psychoanalytische opvatting dominant dat oorzaken meestal gezocht moesten worden in de vroege kindertijd en met name veroorzaakt werden door (verdrongen) ambivalente gedachten en gevoelens, vaak over seksualiteit.[3] Deze zienswijze heeft in recente decennia echter fors aan invloed ingeboet. Tegenwoordig gaat men er in zijn algemeenheid van uit dat de interactie van genetische en omgevingsfactoren de vatbaarheid voor het ontwikkelen van OCS veroorzaken.[4]

  • Psychologische factoren.
    Vanuit het standpunt van de evolutiepsychologie had steeds herhaald of stereotiep gedrag ooit een functie om zich te beschermen tegen indringers, natuurgeweld, onhygiënische omstandigheden of gebrek aan voedsel.('hamsteren'). Het is anders gezegd een oerdrift die nog steeds diep in de menselijke genen aanwezig is.
  • Genetische factoren.
    Uit tweelingenonderzoek blijkt dat genetische factoren een rol spelen: als de helft van een eeneiige tweeling OCS heeft, dan is de kans dat de andere helft het ook heeft groter dan bij twee-eiige tweelingen. Tevens is het zo dat de kans op het ontwikkelen van OCS ook groter is voor personen met een kind of ouder die OCS heeft, vergeleken met de algehele bevolking.
  • Hersenbeschadiging.
    In zeldzame gevallen is een hersenbeschadiging de oorzaak van OCS.
  • Neurologische afwijkingen.
    Er is bewijs dat neurologische afwijkingen de basis vormen voor het ontwikkelen van OCS. Patiënten met OCS zouden meer grijze stof en minder witte stof in hun hersenen, vergeleken met normale controlepersonen.
    Uit meer recent onderzoek blijkt verder dat de hersenactiviteit van OCS-patiënten afwijkt van die van gezonde personen. Zo vertonen OCS patiënten in fMRIscans een verhoogde activiteit in de prefrontale schors van de hersenen en nucleus caudatus. Het laatste is een belangrijk motorisch schakelgebied in de basale ganglia dat veel verbindingen heeft met de voorste gebieden in de hersenen. Mogelijk is er bij OCS patiënten sprake van een hyperconnectiviteit (teveel onderlinge verbindingen) tussen nucleus caudatus met die voorste hersengebieden. Er treedt dan een verstoring op in de communicatie tussen delen in de frontale hersenen die cognitieve processen regelen als het nemen en belonen van beslissingen, en structuren in basale ganglia betrokken bij selectie van handelingen.
  • Neurotransmitters
    Recent zijn eveneens aanwijzingen gevonden uit onderzoek van mens en dier dat OCS symptomen samenhangen met een dysfunctie van neurotransmittersystemen. Belangrijkst kandidaten zijn a) een tekort of onderproductie van serotonine in basale ganglia[5] en b) verhoogde dopamine niveaus in prefrontale cortex.[6] Met name dopamine D2-receptoren zouden hierbij een rol spelen. [7]Waarschijnlijk betreft het hier twee met elkaar interacterende systemen. Daarom zouden mogelijk (SSRI) (selectieve serotonine re-uptake inhibitors) niet altijd effectief zijn in de behandeling van OCS symptomen.

Diversen[bewerken]

De meeste OCS-patiënten zijn zich er terdege van bewust dat hun gedrag niet rationeel is, maar toch blijven ze hun dwangmatige handelingen uitvoeren om te voorkomen dat ze angstig of gespannen worden. Andere patiënten zien hun gedrag niet als uitzonderlijk en zijn daarvan ook niet te overtuigen. In dat geval is hun OCS verwant aan een persoonlijkheidsstoornis en heeft het een andere naam, namelijk OCPS (Obsessive-compulsive personality disorder (OCPD), dwangmatige- of obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (OCPS)) en moet niet verward worden met OCS. Er is nog een derde groep die geen dwangmatige handelingen verricht. In hun geval blijft het ziektebeeld beperkt tot dwanggedachten. Bij deze laatste groep komt het voor dat zich uiteindelijk toch rituelen (dwanghandelingen) ontwikkelen om de dwanggedachten te neutraliseren.

OCS moet worden onderscheiden van de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis (OCPS), die in de psychiatrie wordt gedefinieerd als een eigenschap van de persoonlijkheid in plaats van een angststoornis. De term obsessief wordt ook in andere contexten gebruikt, vaak om aan te geven dat iemand zeer geconcentreerd of perfectionistisch met zijn taken bezig is. In dit geval is er natuurlijk lang niet altijd sprake van een stoornis. Dit is pas het geval als het obsessieve of compulsieve gedrag normaal functioneren in de weg staat. Het is ook van belang om OCS en andere typen van angst of spanning te onderscheiden, waaronder de spanningen en stress die in het dagelijks leven kunnen voorkomen.

Diagnostische criteria[bewerken]

De DSM-IV (American Psychological Association, 1994) geeft de volgende criteria voor de obsessieve-compulsieve stoornis:

  • A. Aanwezigheid van dwanggedachten (obsessies) of dwanghandelingen (compulsies):
Criteria voor dwanggedachten:
  1. Terugkerende en hardnekkige gedachten, impulsen of voorstellingen die worden beleefd als opgedrongen of zinloos en die angst of spanning veroorzaken.
  2. De gedachten, impulsen of voorstellingen zijn meer dan een overdreven bezorgheid over problemen in het dagelijkse leven.
  3. De persoon probeert de gedachten, impulsen of voorstellingen te negeren of te onderdrukken, of te neutraliseren met een andere gedachte of handeling.
  4. De persoon is zich ervan bewust dat de obsessieve gedachten, impulsen of voorstellingen een product van zijn of haar eigen geest zijn (niet opgelegd door gedachte-inbrenging).
Criteria voor dwanghandelingen:
  1. Herhaald gedrag (bv. handen wassen (smetvrees), ordenen, controleren) of geestelijke handelingen (bv. bidden, tellen, woorden zachtjes herhalen) die de persoon uitvoert als reactie op een obsessie of die worden uitgevoerd volgens strikte regels.
  2. Het gedrag of de geestelijke handelingen zijn gericht op het voorkomen of verminderen van spanning of het voorkomen van een gevreesde situatie. Deze gedragspatronen of geestelijke handelingen hangen echter niet reëel samen met de gebeurtenis die verminderd of voorkomen moet worden of zijn duidelijk overdreven.
  • B. Op een bepaald punt tijdens de aandoening ziet de persoon in dat de obsessies of compulsies overdreven en onnodig zijn. N.B.: Dit is niet van toepassing op kinderen.
  • C. De obsessies of compulsies veroorzaken duidelijk spanning, kosten veel tijd (meer dan een uur per dag) of doen ernstig inbreuk op de dagelijkse bezigheden, het werk (of studie) of sociale activiteiten en relaties.
  • D. Als een andere aandoening uit As I is geconstateerd, blijft de inhoud van de obsessies of compulsies daartoe niet beperkt (bv. preoccupatie met voedsel bij een eetstoornis, haar uittrekken bij trichotillomanie, bezorgdheid over het uiterlijk bij een stoornis van de lichaamsbeleving, preoccupatie met drugs bij een verslavingsstoornis, preoccupatie met een ernstige ziekte bij hypochondrie, preoccupatie met seksuele driften of fantasieën bij parafilie of schuldgevoelens bij klinische depressie).
  • E. De stoornis is niet het gevolg van het innemen van een substantie (bijvoorbeeld drugs of geneesmiddelen) of een somatische aandoening.

Behandeling[bewerken]

Gedragstherapie[bewerken]

OCS wordt meestal behandeld via een vorm van gedragstherapie of cognitieve gedragstherapie. Soms normaliseert zich na behandeling met gedragstherapie, mindfulness oefeningen [8][9] het aanvankelijk afwijkend gedrag en afwijkende hersenactiviteit.[10] [11]
Voor de meeste patiënten geldt dat een combinatie van gedragstherapie en het gebruik van bepaalde geneesmiddelen (voornamelijk SSRIs) het meest effectief is. Bij dwangstoornissen blijkt er sterk sprake te zijn van experiëntiële vermijding. Recent werd aangetoond dat ook Acceptance and Commitment Therapy, die zich onder meer richt op deze experiëntiële vermijding, effectief is voor OCS.[12][13]

Deep brain stimulation[bewerken]

Gebleken is dat, bij ernstige en hardnekkige gevallen, toepassing van deep brain stimulation (DBS) in een gebied vlak naast de amygdala een gunstig therapeutisch effect kan hebben op de ziekte. Het laatste suggereert dat OCS kan samenhangen met een verstoring van bepaalde circuits in het limbisch systeem van de hersenen die betrokken zijn bij regulatie van basale emoties (zie Damiaan Denys e.a.). Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar de mogelijkheden die DBS van de amygdala biedt.

Geneesmiddelen[bewerken]

  • SSRIs
    • Fluoxetine (Prozac, Fluox, Fontex, Fluoxemed, Fluoxone) gebruikelijke dosis: 80 mg
    • Fluvoxamine (Fevarin, Floxyfral) gebruikelijke dosis: 300 mg
    • Sertraline (Zoloft, Serlain) gebruikelijke dosis: 200 mg
    • Paroxetine (Seroxat, Aropax) gebruikelijke dosis: 60 mg
    • Citalopram (Cipramil) gebruikelijke dosis: 60 mg
    • Escitalopram (Lexapro, Sipralexa) gebruikelijke dosis: 20 mg
  • Andere medicatie

Bijwerkingen (meestal van voorbijgaande aard) van SSRIs kunnen zijn: toename angstgevoelens gedurende de eerste weken, seksuele problemen, diarree, hoofdpijn, misselijkheid en slapeloosheid. Clomipramine: duizeligheid, sufheid, droge mond en seksuele problemen. Venlafaxine: wazig zien, hoofdpijn, seksuele problemen en misselijkheid.

Literatuur[bewerken]

  • American Psychiatric Association (1994). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (4de uitgave). Washington, DC: American Psychiatric Association.
  • Damiaan Denys, Femke de Geus (redactie). Handboek obsessieve-compulsieve stoornissen, de Tijdstroom, 2007. ISBN 9789058980878.
  • Nynke Mulder en Véronique Poll. "Moeten & moed, verhalen over het leven met een dwangstoornis", Free Musketeers, 2012. ISBN 978-90-484-2237-1

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Volgens categorie F42 van het classificatiesysteem ICD-10 van de Wereldgezondheidsorganisatie.
  2. Arnoud Tanghe & Jan De Waele (2002), J.W. van Ree & M.W. de Vries (2008) en vele anderen.
  3. Freud beschreef in 1909 reeds een voorbeeldcasus over een man met een dwangstoornis: zie Rattenman.
  4. Walitza S et al. Genetic findings in obsessive-compulsive disorder in childhood and adolescence and in adulthood. Z Kinder Jugendpsychiatr Psychother. 2008;36:45-52.
  5. Baumgarten HG, Grozdanovic Z (1998): Role of serotonin in obsessive-compulsive disorder. Br J Psychiatry Suppl (35):13–20.
  6. Goodman WK, McDougle CJ, Price LH, Riddle MA, Pauls DL, Leckman JFm(1990): Beyond the serotonin hypothesis: A role for dopamine in some forms of obsessive compulsive disorder? J Clin Psychiatry 51(suppl):36–43
  7. Damiaan Denys, Nic van der Wee, Joost Janssen, Femke De Geus, and Herman G.M. Westenberg. Low Level of Dopaminergic D2 Receptor Binding in Obsessive-Compulsive Disorder, Biol. Psychiatr. 2004;55:1041–1045
  8. Jeffrey Schwartz and Beverly Beyette, Brain lock: Free yourself from obsessive-compulsive behavior: A four-step self-treatment method to change your brain chemistry, New York: Regan Books, 1997. ISBN 0-06-098711-1.
  9. Jeffrey Schwartz, You Are Not Your Brain: The 4-Step Solution for Changing Bad Habits, Ending Unhealthy Thinking, and Taking Control of Your Life, New York: Avery, 2011. ISBN 1-58333-426-2.
  10. Jenike MA. Clinical practice. Obsessive-compulsive disorder. N Engl J Med. 2004;350:259-65.
  11. Swinson RP, Antony MM, Rachman S, Richter MA. Obsessive–compulsive disorder: theory, research, and treatment. New York: Guilford Press, 1998.
  12. Twohig, M.P., Hayes, S.C., Plumb, J.C., Pruitt, L.D., Collins, A.B., et al. (2010). A Randomized Controlled Trial of Acceptance and Commitment Therapy vs. Progressive Relaxation Training for Obsessive-Compulsive Disorder. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 78, 705-716.
  13. Arts, W. (2008). Acceptance and Commitment Therapy voor intrusies. Directieve Therapie, 28, 163-186.