Omajjaden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
بنو أمية
al-Khilāfat al-ʾUmawiyya
 Kalifaat van de Rashidun
 Byzantijnse Rijk
 Visigotische Rijk
661–750 Kalifaat van de Abbasiden 
Kalifaat Córdoba 
Barghawata 
Emiraat van Nekor 
Umayyad Flag.svg
Kaart
Het kalifaat van de Omajjaden in zijn grootste omvang
Het kalifaat van de Omajjaden in zijn grootste omvang
Algemene gegevens
Hoofdstad Damascus
Oppervlakte 7.00.000 km²
Bevolking 62.000.000
Talen Arabisch (officieel), Aramees, Armeens, Berbertalen, Georgisch, Grieks, Hebreeuws, Middel-Perzisch en Turks.
Religie(s) Islam
Munteenheid Dinar
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Omajjaden
Staatshoofd Kalief

De Omajjaden (of Omayyaden, Oemayyaden, Umayyaden, Banu Umayya enzovoort. Turks: Emeviler) vormden een dynastie die van 661 tot 750 het Arabische Rijk bestuurde. De Omajjaden waren van oorsprong een belangrijke clan uit Mekka en werden binnen de islamitische wereld de belangrijkste clan. In totaal regeerden veertien leden van de clan als kalief over de toenmalige islamitische wereld. Nadat de Omajjaden in 750 verslagen waren door de Abbasiden, zette de gevluchte prins Abd al-Rahman I de dynastie voort in Spanje tot 1027.

Inleiding[bewerken]

De Omajjaden-clan behoorde tot de Qoeraisj, een groep clans die in Mekka en de streek Hidjaz leefde. De Omajjaden worden soms ook aangeduid met de (iets bredere) term Banu 'Abd Shams ("nakomelingen van 'Abd Shams"). 'Abd Shams was een zoon van 'Abd Manaf, net als Hasjiem, de voorvader van de Hasjemieten-clan waartoe de moslimse profeet Mohammed behoorde. 'Abd Manaf stamt, volgens de traditie, weer af van Ishma'il, de zoon van Ibrahim (Abraham).

Vóór de islam zich verspreidde was er dus al een eeuwenoude vurige concurrentie tussen de Hasjemieten waartoe Mohammed behoorde en de Omajjaden waartoe Moe'awija behoorde en deze twee groepen bestreden elkaar om de leiding te krijgen over de clans van Qoeraisj. Na Mohammeds terugkeer in Mekka werd hiermee de strijd tussen de twee clans beslecht, bekeerden de Omajjaden zich tot de islam en onderworpen zich aan de Hasjemieten, maar de eeuwenoude nijd was daarmee niet verdwenen.

De eerste drie Commandanten van de Gelovigen[bewerken]

Groei van het rijk onder: I - Mohammed; II - Aboe Bakr; III - Omar en IV - Othman

Na Mohammeds dood werd een opvolger aangesteld. Deze opvolgers kregen de titel emir al-mu'minin of Commandant van de Gelovigen. Eerst regeerde Mohammeds vriend en metgezel Aboe Bakr en vervolgens Omar (vermoord door een Perzische slaaf in 644). De derde commandant was Uthman van de clan van de Omajjaden. Hij wordt niet gezien als deel uitmakend van de Omajjaden-dynastie, aangezien hij gekozen werd door de brede kerngroep van moslims en zijn status als vroege moslimbekeerling. Hij wees ook geen opvolger aan vanuit zijn clan.

Maar er kwam al snel kritiek van de Hasjemieten omdat Uthmans regering bijna alleen maar bestond uit mannen van zijn eigen Omajjadenclan. Zo benoemde hij clanleden als gouverneurs in Egypte, Koefa en Basra (beide nu in het huidige Irak). Ook het veel bekritiseerde beleid van zijn voorganger Omar met betrekking tot belastingen op grondgebied werd door Uthman overgenomen. Dit beleid hield in dat belastingen afkomstig uit veroverde gebieden naar het toenmalige bestuurscentrum Medina gestuurd moesten worden, ten voordele van dit centrale bestuur, de soldaten die het land veroverd hadden en hun families. Landeigenaren buiten Medina vonden daarentegen dat hun lokaal opgebrachte belastingen ook lokaal gebruikt moesten worden.

Uthman werd in 656 door rebellerende moslims uit Fustat (Egypte) vermoord in zijn huis in Medina nadat onderhandelingen tussen hen en Uthman over de kwestie van de belastingheffing op niets uitgelopen waren.

De nieuwe kalief werd de Hasjemiet Ali, een neef en schoonzoon van Mohammed. Ali kreeg onmiddellijk tegenstand van enkele metgezellen van Mohammed, Talha en Zubayr, en de weduwe van Mohammed, Aïsja. Zij marcheerden van Mekka naar Basra, waar ze een leger op de been brachten. Ali ging naar Koefa waar hij ook een leger opbouwde om strijd te kunnen leveren tegen hen. In 656 stonden de twee strijdmachten tegenover elkaar in de Slag van de Kameel. Ali won de strijd overtuigend: Talha en Zubayr werden gedood en Aïsja werd teruggebracht naar Medina. De overwinnaars hadden niet de moed om de weduwe van Mohammed te executeren en zij werd daarom de rest van haar leven onder huisarrest geplaatst.

Deze 'broederstrijd' tussen de eerste generatie moslims was tevens de aanleiding om de tot dan mondeling doorgegeven Koran schriftelijk vast te leggen. Hierbij waren namelijk zoveel 'reciteerders', mensen die Mohammeds openbaringen van buiten kenden, gesneuveld dat de kennis van de Koran verloren dreigde te gaan. Kort daarna kwam er een eerste op schrift gestelde versie van de Koran uit.

Vrij snel hierna daagde de gouverneur van Damascus, de nog door Uthman aangestelde Omajjaad Moe'awija, de zoon van Aboe Sufyan, Ali uit om de moordenaars van Uthman te vinden om hen te kunnen straffen. Toen Ali dit niet deed, leidde Moe'awija een leger tegen Ali in 657. De strijd verliep echter slecht voor Moe'awija en op het punt van het verliezen van de oorlog vroeg hij vervolgens aan Ali om arbitrage. Ali stemde toe en de arbitrage stond Moe'awija zelfs toe zijn ambt in Damascus te behouden. De vergevingsgezinde Ali verloor hierdoor echter de steun van een grote groep minder verdraagzamen, de kharidjieten ("zij die weggingen" of "rebellen") en hij werd in 661 door een van hen vermoord. Deze strijd staat bekend als de eerste fitna of burgeroorlog.

De Omajjaden aan de macht[bewerken]

In ditzelfde jaar werd Moe'awija, sinds 639 de gouverneur van Syrië, de nieuwe kalief nadat hij Koefa binnen was getrokken. Moe'awija's kalifaat werd niet meteen door iedereen geaccepteerd, vooral niet door de kharidjieten en mensen van Ali's partij (de Sji'at Ali, later bekend geworden als de sjiieten). Degenen die Moe'awija erkenden werden soennieten genoemd. Sommigen van Ali's aanhangers eisten dat Ali's oudste zoon Hasan de nieuwe kalief zou worden, maar Hasan werd door Moe'awija overgehaald het kalifaat op te geven en vergiftigd. Ali's andere zoon Hoessein wilde de macht niet afgeven en hij verklaarde zichzelf tot Ali's opvolger. Hoessein trok ten strijde tegen de Omajjaden in de Slag bij Karbala in 680, waarbij hij sneuvelde. De gesneuvelde Hoessein en zijn vader Ali worden nu door de sjiieten als martelaars vereerd. Deze slag wordt elk jaar herdacht (voornamelijk door de sjiieten) tijdens Asjoera. Deze strijd staat bekend als de tweede fitna.

In eerste instantie lieten de Omajjaden de bestaande Grieks- en Perzischtalige bureaucratieën vrijwel intact. Pas onder Abd al-Malik (r. 685-710) werd Arabisch de officiële taal van het rijk. Vanuit de verschillende brokstukken van de voorgaande rijken werd een nieuw islamitisch rijk gecreëerd. Abd al-Malik was ook de eerste die de titel kalief ('opvolger') gebruikte[1]

Uitbreiding van het rijk[bewerken]

Maximale grootte van het Rijk

Onder de dynastie van de Omajjaden werd het Arabische Rijk enorm uitgebreid. Het Nieuw-Perzische Rijk van de Sassaniden (het tegenwoordige Iran) werd in zijn geheel veroverd, evenals de zuidelijke provincies van het Byzantijnse Keizerrijk tot aan Spanje toe. Deze twee eens zo machtige rijken waren door vele onderlinge oorlogen ernstig verzwakt zodat de Arabieren nu redelijk gemakkelijk de overhand op deze twee wisten te verkrijgen. De vroegere Byzantijnse gouverneurszetel Damascus werd de hoofdstad van het Arabische Rijk.

Opvolging[bewerken]

Officieel was er geen familie-opvolging maar in de praktijk was het altijd de oudste zoon of een ander familielid die de nieuwe kalief werd.

Religie en cultuur onder de Omajjaden[bewerken]

Rotskoepel in Jeruzalem
Ruïnes van Anjar in Libanon
al Aqsamoskee in Jeruzalem
Fresco in Quseir Amra

Religie[bewerken]

Naast de soennitische islam werden andere geloven getolereerd. Volgens sommige auteurs waren de Omajjaden zelfs zeer seculier.[2] Bekering tot de islam was onder de Omajjaden in eerste instantie officieel verboden. De regerende Omajjaden namen vele christenen in dienst, waaronder de latere kerkvader Johannes Damascenus. Veel christelijke groepen (jakobieten, nestorianen en anderen) treurden waarschijnlijk niet om het verdwijnen van het Byzantijnse gezag, dat hen immers eeuwenlang had vervolgd. Rond 650 schreef de nestoriaanse patriarch Isho'yahb: 'De Arabieren die van God nu de wereld mogen regeren, vervolgen de christelijke godsdienst niet. Integendeel, ze zijn die gunstig gestemd, eerbiedigen onze priesters en de heiligen van de Heer en bieden kerken en kloosters steun. [3]. Ook waren er christelijke stammen die zich bij de Omajjaden aansloten en zelfs meevochten in het leger van de Omajjaden.

Rond het eind van de 7e eeuw kregen de christenen het echter zwaarder. Hen werd een speciale belasting (de jizya) opgelegd. In 721 verklaarde kalief Yazid II dat afbeeldingen van mensen verboden waren (aniconisme), waarna ook veel iconen in kerken werden vernield.

Ontwikkeling van bouwkunst en cultuur[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Omajjadische bouwkunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onder Abd al-Malik kwam de Omajjadische bouwkunst tot bloei. Zijn eerste grote bouwwerk was de Rotskoepel (691).

Tijdens het bewind van Abd al-Malik, dus ongeveer tachtig jaar na de dood van Mohammed, kregen de rituele geloofsverplichtingen een architectonische uitdrukkingsvorm in een aantal grote moskeeën. Voorbeelden van religieuze bouwkunst uit deze tijd zijn de Rotskoepelmoskee (691) en de Al-Aqsamoskee (710) te Jeruzalem en de Omajjadenmoskee te Damascus (ca. 710).

Enkele voorbeelden van seculiere bouwwerken zijn het kasteel Quseir Amra (715) ten oosten van Amman en ook de stad Anjar, thans een ruïnecomplex in Libanon.

Alle hierboven genoemde bouwwerken staan op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

Moskeebouw[bewerken]

Onder de Omajjaden werd er begonnen met de bouw van zogenaamde vrijdagsmoskeeën. Deze moskeeën waren in wezen omsloten rechthoekige pleinen, waar de hele geloofsgemeenschap op vrijdagmiddag bij elkaar kwam.

In hun eerste bouwwerken werden reeds de meeste kenmerken opgenomen die ook tijdens de volgende eeuwen typerend zijn geweest voor de islamitische architectuur. Hiertoe behoorden onder meer: de mihrab (gebedsnis in de naar Mekka gerichte wand), de minbar (preekstoel), de maksura of omheinde ruimte voor de kalief of diens vertegenwoordiger, het waterbekken voor rituele reinigingen en tenslotte de minaret, vanwaar vijfmaal per dag de oproep tot gebed klinkt. De minaret bevond zich aan die zijde van het gebouw die het verst van de qibla — de naar Mekka gerichte wand — aflag.

Overige architectuur en cultuur[bewerken]

De paleizenbouw is nog weinig oorspronkelijk. Bekend zijn de woestijnkastelen in het gebied rondom de Jordaanse hoofdstad Amman. Naast Jordanië zijn er ook paleizen in Syrië en een tweetal ten westen van de Jordaan. Voorbeelden zijn Quseir Amra, Mushatta (beide Jordanië), Khirbat al-Mafjar (Westelijke Jordaanoever), Qasr al-Chair Algarbi en Qasr al-Chair al-Sharqi (beide Syrië).

In de decoratieve kunst komen vooral marmer en mozaïek voor. Eveneens ontwikkelde het gebruik van arabesken zich, evenals de stucco-decoratie welke putte uit de Sassanidische traditie. Ook verwierven de wand- en vloerschilderingen van Quseir Amra bekendheid. Een voorbeeld van de vloermozaïeken vinden we terug in het kasteel Khirbat al-Mafjar (Jericho) en het kasteel Mushatta in Jordanië.

Het einde van de Omajjaden in het Midden-Oosten[bewerken]

De legitimiteit van de kaliefen werd al vrij snel in twijfel getrokken door de gewone moslims die meenden dat er een groot verschil was ontstaan tussen de luxe aan het hof en het egalitarisme van de vroege islam. Daarom werd in veel steden een vrome, geweldloze oppositie gevoerd, onder andere door de asceet Hasan al-Basri (gest. 728).

In 747 begonnen de Abbassiden, een groep rondom Imam Ibrahim, een opstand in de Iraanse regio Khorasan. Hij was een achterkleinzoon van Abbas, een oom van Mohammed. Veel Perzen en andere niet-Arabieren voelden zich tot de opstand aangetrokken omdat de Arabieren niet-Arabieren niet als gelijkwaardig beschouwden. Daarnaast vonden velen dat de kaliefen in Damascus niet volgens de regels van de oemma leefden, maar te autocratisch regeerden. Ibrahim de Imam werd gevangengenomen en zijn strijd werd voortgezet door zijn broer Abu-Abbas Al-Saffah.

In 750 werden in de Slag bij de Zab, nabij de stad Koefa, de Omajjaden verslagen door de Abbasiden. Abu-Abbas Al-Saffah claimde daarop het kalifaat.

De Omajjaden hadden 72 jaar geregeerd en veertien kaliefen voortgebracht.

Kaliefen van de Omajjaden in Damascus[bewerken]

De kaliefen
  1. Moe'awija ibn Abu Sufyan, 661-680
  2. Yazid I ibn Moe'awija, 680-683
  3. Moe'awija II ibn Yazid, 683-684
  4. Marwan I ibn Hakam, 684-685
  5. Abd al-Malik ibn Marwan, 685-705
  6. al-Walid I ibn Abd al-Malik, 705-715
  7. Suleiman ibn Abd al-Malik, 715-717
  8. Omar II ibn Abd al-Aziz, 717-720
  9. Yazid II ibn Abd al-Malik, 720-724
  10. Hisham ibn Abd al-Malik, 724-743
  11. al-Walid II ibn Yazid II, 743-744
  12. Yazid III ibn al-Walid, 744
  13. Ibrahim ibn al-Walid, 744
  14. Marwan II ibn Muhammad, 744-750

De Omajjaden van Al-Andalus[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Omajjaden van Andalusië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Om te verhinderen dat de dynastie van de Omajjaden zou terugkeren, liet Abu-Abbas al-Saffah alle overblijvende leden van de familie opsporen en executeren. Met deze radicale oplossing dacht hij het mogelijke gevaar van een tegencoup eens en voor altijd te bezweren. Een van de Omajjaden, Abd al-Rahman een kleinzoon van de Omajjaden kalief Hisham, kon evenwel ontsnappen en vluchtte naar Al-Andalus (Spanje) waar hij de macht overnam van de rivaliserende Moorse moslimfacties. De Omajjadische dynastie bleef aldus toch bestaan. Een nakomeling van Abd al-Rahman stichtte later het kalifaat Córdoba.

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

Noot

  1. Fred Donner - Muhammed and the Believers. 2010 ISBN 978-0-674-05097-6
  2. Peter Mansfield (1985) The Arabs, tweede druk, p. 43
  3. Philip Jenkins - Het vergeten christendom, p. 114. ISBN 978-90-468-1042-2