Omroepsatelliet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Een omroepsatelliet is de algemene benaming voor een communicatiesatelliet die gebruikt wordt voor het verzenden van omroepsignalen naar de aarde. Er zweven tientallen van deze satellieten rond de aarde in de zogenaamde geostationaire baan op zo'n 35.786 kilometer vanaf zeeniveau boven de evenaar. De omlooptijd van deze baan is 23 uur en 56 minuten, exact gelijk aan die van de aarde. Een object in deze baan houdt het draaien van de aarde om zijn as precies bij, en staan dus stil t.o.v. de aarde. Af en toe wordt de satelliet licht bijgestuurd met kleine raketjes als deze dreigt af te wijken. Dit wordt 24 uur per dag beheerd vanaf de grondstations op aarde. De ontvangstantenne op aarde kan op die manier vast opgesteld worden. Wil men meerdere satellieten van verschillende baan-posities ontvangen, dan zijn verschillende gerichte antennes vereist.

Een omroepsatelliet van Astra

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

Het satelliet tijdperk begon op 4 oktober 1957 met de lancering van Spoetnik 1. De spoetnik was een metalenbol, met een doorsnede van 58 cm en een gewicht van 84 kilo. Hij beschreef elke 90 minuten een baan om de aarde, op hoogtes van 1000 km. Er was een kleine radiozender aan boord. En een thermometer om temperatuur in de ruimte te meten. Tegenwoordig lijkt deze satelliet simpel, maar in die tijd stond de wereld verbaasd. De spoetnik 1 stuurde radiosignalen naar de aarde, maar na ongeveer 90 dagen viel hij terug in de atmosfeer van de aarde en verbrandde als een vallende ster.

De eerste echte communicatiesatelliet was de Telstar. Deze satelliet werd in 1962 in een elliptische baan rond de aarde gebracht waarin hij in 2 uur rond de aarde draaide. De Telstar kon tijdens iedere onwenteling slechts 20 minuten worden gebruikt voor een Trans-Atlantische verbinding. De Telstar werd onder andere gebruikt om televisiebeelden door te geven.

Op 20 augustus 1964 werd Intelsat opgericht. De International Telecommunications Satellite Organisation werd door een aantal nationale PTT's, waaronder die in Nederland, opgericht. De eerste satelliet van Intelsat, de Intelsat 1 of de Early Bird, werd in 1965 in omloop gebracht. De Early Bird was de eerste satelliet die van de geostationaire baan gebruikt maakte.

[bewerken] Doeleinden

De satellieten in de geostationaire baan worden voor verschillende doeleinden gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen telecommunicatiesatellieten en Direct Broadcasting Satellites.
De telecommunicatiesatellieten zijn niet bedoeld voor de consument, maar zorgen voor een verbinding vanaf opnamestudio's naar ontvangststations van kabelmaatschappijen of voor het verzenden van "ruw" opnamemateriaal van nieuwsuitzendingen en sportwedstrijden naar de studio. Dat laatste wordt een feed genoemd. Alles wordt uitgezonden, zoals origineel geluid en verslaggevers vlak voor de uitzending. Het station waar het signaal voor bedoeld is, ontvangt het met een schotel en zendt het (vaak bewerkt) uit op de eigen zender. Deze "feed” satellieten zijn ook door gewone consumenten met een grote (draaibare) schotel van 1 meter doorsnede te ontvangen.
De uitzendingen van DBS-satellieten, oftewel directe omroepsatellieten zijn gericht op Direct To Home (DTH) verbindingen, waarbij het signaal rechtstreeks vanaf de satelliet in de huiskamer van de consument terecht komt zonder tussenkomst van een kabelmaatschappij. Dit is mogelijk met behulp van een parabolische antenne die de vorm heeft van een "schotel", vandaar schotelantenne, en hebben een diameter van tussen de 40 en 90 cm. Vanwege deze geringe diameters zenden directe omroepsatellieten met een groot vermogen uit, circa 200 Watt per zender. Voor telecommunicatiesatellieten worden paraboolantennes van 1 tot 3 meter gebruikt, omdat daarvan het vermogen veel kleiner is.

[bewerken] Techniek

Satelliet komt van het Latijnse woord satelles, wat begeleider betekent. Satellieten worden ook wel kunstmanen genoemd, omdat ze net als de maan om de aarde draaien. De maan is dus de enige natuurlijke satelliet die om de aarde draait. De kosten van één satelliet, inclusief lancering, lopen al gauw op tot honderden miljoen euro's. Het bouwen van een satelliet, afhankelijk van de grootte, duurt gemiddeld 30 maanden. De levensduur kan variëren tussen de 12 en 15 jaar, afhankelijk van hoe snel de brandstof van de bijsturende raketjes op is. De satellieten worden eerst gelanceerd naar een elliptische omloopbaan vanwaar ze zich op eigen kracht bewegen naar een geostationaire baan op zo'n 36.000 km hoogte boven de aarde. Protonraketten gebruiken een viertraps raketsysteem, waardoor de satellieten dichterbij hun uiteindelijke punt terechtkomen dan wanneer ze gelanceerd worden met een Arianeraket. Het manoeuvreren naar de geostationaire baan vereist dan minder brandstof van de satelliet. SES Astra is het bovendien gelukt om meerdere satellieten op één locatie op de geostationaire baan te plaatsen, ongeveer een kilometer achter elkaar.

[bewerken] Uplink

Een satelliet is niet in staat zelf signalen uit te zenden, het "weerkaatst" signalen die van de aarde naar de satelliet worden uitgezonden, wat te vergelijken is met een soort van ingewikkelde spiegel. Vanaf de aarde verzenden grote parabolische schotelantennes een vrij krachtig signaal precies richting de betreffende satelliet. Dit is mogelijk met een parabolische antenne op een auto met een zender en een krachtige accu, of met een parabolische antenne ergens in een veld (bijvoorbeeld bij een voetbalwedstrijd). Maar de meeste programma's worden uitgezonden met behulp van enorme omroepinstallaties, die in Nederland onder andere in de Flevopolder en Zoutkamp te vinden zijn, met schotels van 35 meter doorsnee. De krachtige signalen die vanaf de grondstations naar de satelliet worden gestraald, noemen we de uplink, oftewel "de verbinding naar boven".

[bewerken] Downlink

Het terugzenden van het signaal heet de downlink, oftewel de verbinding naar beneden. Het is belangrijk dat de frequentie van de uplink groter is dan bij de downlink, anders zou het teveel energie kosten om de frequentie te verhogen.

[bewerken] Transponder

Eén van de belangrijkste onderdelen op de satellieten zijn de transponders, welke bestaan uit een ontvanger, een converter, en een zender. De transponder pikt een signaal van een bepaalde frequentie (14 GHz) op, en zendt dit terug in een kleinere frequentie (12 GHz), beide in de SHF-band. De converter zorgt ervoor dat het het signaal op de juiste uitzendfrequentie terecht komt. Een hedendaagse satelliet beschikt gemiddeld over 20 tot 50 transponders. Via één transponder kunnen ongeveer 8 digitale televisiekanalen in goede kwaliteit worden doorgegeven. Hoe meer kanalen op één transponder, des te lager de bitrate per kanaal wordt. Daarnaast kunnen er ook nog een aantal radiokanalen worden doorgegeven op dezelfde transponder. Sinds oktober 1995 zijn de satellieten van SES Astra digitaal gaan uitzenden. Daarvoor kon er analoog maar één kanaal op een transponder. Anno 2007 zenden nog enkele Duitse kanalen analoog uit. Een bekend nadeel aan de digitale uitzendingen is dat snelle bewegingen soms wat streperig overkomen, dit is ook afhankelijk van de bitrate en het televisietoestel waarop de uitzending wordt bekeken. Het uitrichten van de schotel komt ook iets nauwkeuriger, omdat een zwak digitaal signaal wegvalt of gaat blokken en hikken, terwijl er bij analoog ruis ontstond bij verkeerd uitrichten. Een voordeel is dat ineens tien keer zoveel kanalen op één satelliet te plaatsen zijn. Bovendien kunnen aan het digitale signaal allerlei extra gegevens worden toegevoegd, zoals een elektronische programmagids (EPG) en mogelijkheden om meerdere audiosporen of ondertiteling toe te voegen waardoor een programma in meerdere landen bruikbaar is.

[bewerken] Beam

Om iets te kunnen terugzenden is een antenne nodig. De “antenne” op een satelliet wordt een BEAM genoemd. Een satelliet beschikt over een aantal beams. Doordat de beams op de satelliet draaibaar zijn, kan men vanaf de aarde beslissen waar het signaal van de satelliet te ontvangen is. Een beam heeft een bepaald bereik op het aardoppervlak, afhankelijk van de plaats waar de satelliet zich bevindt. Een satelliet die zich boven Europa bevindt kan met zijn beam bijvoorbeeld nooit de Verenigde Staten bereiken, daarvoor is de afstand te groot.

[bewerken] Footprint

De satelliet stuurt het signaal in een gerichte bundel terug. Het gebied op het aardoppervlak waar dit signaal te ontvangen is, noemt men de footprint, oftewel de voetafdruk van de beam. Het signaal komt logischerwijs het sterkst door in het midden van de footprint, hoe verder we aan de rand komen, des te zwakker het signaal wordt.De locatie waar men zich in de footprint bevindt, is bepalend voor de diameter van de schotelantenne.

Wanneer een schotelantenne het sterkste signaal heeft, dan wijst de optische as van de paraboloïde precies naar de satelliet. Wanneer de schotel niet precies naar de satelliet wijst, dan neemt de veldsterkte af. De totale verdraaïngshoek waarbij de veldsterkte zo'n 3dB verschilt noemt men de openingshoek. Deze hoek wordt kleiner wanneer de schotel groter wordt. Een schotel met een grotere openingshoek kan bijvoorbeeld signalen afkomstig van andere satellieten die zich in de buurt van de gewenste satelliet bevinden oppikken, waardoor deze storingen veroorzaken, dit is een bekend nadeel van een te kleine schotel, maar in de praktijk blijkt dit zelden tot problemen te leiden. In Nederland is een 60 cm schotel voldoende om storingsvrij naar Astra 19,2°O en Astra 23,5°O te kijken, mits de schotelantenne natuurlijk goed uitgericht is. Met een kleinere schotel van 40 cm, die vaak op campings of op boten wordt gebruikt, is het signaal ook nog redelijk te noemen. Het signaal hoeft niet per se 100% te zijn, het mag maximaal 0,6° van de satelliet afwijken. Voor andere satellieten, als de Hotbird of Eutelsat zijn in Nederland grotere schotelantennes (80 tot 100 cm) noodzakelijk. Met een vaste schotelopstelling kan men logischerwijs één satellietpositie ontvangen, op één positie is het ook nog eens mogelijk meerdere satellieten te stationeren, op de Astra1-positie bevinden zich bijvoorbeeld 8 satellieten. Om meerdere satellietposities te ontvangen, kan men kiezen uit verschillende mogelijkheden. Een monoblock (bijvoorbeeld de Duo LNB), of multifocus schotel (meerdere losse LNB's op één schotel). Maar wie heel veel satellietposities wil ontvangen, is een beweegbare schotelopstelling met elektromotor de beste oplossing.

[bewerken] Clarke Belt

De satellieten die voor de overdracht van radio- en tv-programma's worden gebruikt, bevinden zich in een denkbeeldige ring om de aarde, op 35.786 kilometer boven de evenaar. Deze geostationaire baan, beter bekend onder de benaming Clarke Belt, heeft als eigenschap dat deze dezelfde omloopsnelheid heeft als die van de aarde, waardoor de satellieten in die baan ten opzichte van de aarde lijken stil te staan.

[bewerken] Parabolische-DTH-antenne

De schotelantenne werkt als een reflector, hoewel schotels er in allerlei soorten en maten zijn, gemaakt van kunststof, geplastificeerd ijzer, aluminium of glas, is het belangrijk dat er altijd reflecterend materiaal zoals een ijzer vlechtwerk of folie in is verwerkt om de signalen te kunnen weerkaatsen. De signalen die een afstand van 36000 kilometer moeten overbruggen, zijn begrijpelijk enorm zwak, daarom is het van belang dat de schotelantenne exact staat uitgericht op de satelliet. De schotel bundelt de signalen, en weerkaatst deze in een centraal punt, waar de LNB zich bevindt. In de ontvangstkop bevindt zich een kleine antenne van 1 cm. De antenne is zo klein, omdat de frequentie zeer groot is en daardoor de golflengte heel klein. De kop ontvangt het micro-signaal, zet deze om in een elektrische stroom, en versterkt het signaal met een factor tot wel 100.000 keer. Hierna wordt de ontvangen frequentie van 12 GHz omgezet naar een lagere frequentie (900 – 1800 MHz). Deze frequentie moet verlaagd worden, omdat de coaxkabel, de verbindingskabel tussen de LNB en de satellietontvanger, anders voor teveel signaalverlies zorgt, bovendien kan de satellietontvanger deze hoge frequenties niet aan. De LNB heeft bovendien, afhankelijk van het model, een spanning tussen de 6 en 18 V nodig, dit wordt via dezelfde coaxkabel geleverd.

[bewerken] Satellietontvanger

Omdat het grootste gedeelte van de hedendaagse televisies in Nederland en België (ook de recente breedbeeldtelevisies) nog steeds zijn uitgerust met een analoge ontvanger/tuner, is een speciaal kastje noodzakelijk om de signalen te converteren naar een "leesbare" taal voor de televisie. Op termijn zullen er vanzelfsprekend digitale televisietoestellen op de markt komen waar de decoder al zit ingebouwd. De ontvanger in de televisie is eigenlijk alleen nog maar te gebruiken voor analoge kabeltelevisie. Om gecodeerde televisiesignalen te kunnen weergeven, is een satellietontvanger met ingebouwde kaartlezer module en smartcard van de betreffende provider noodzakelijk, ook dit zal op den duur worden geïntegreerd in televisietoestellen. Een satellietontvanger met ingebouwde kaartlezer wordt ook wel een decoder of set top box genoemd. Een bekend nadeel is, dat als men meerdere televisies (bijvoorbeeld in de slaapkamer) heeft, dat men voor iedere televisie een aparte ontvanger moet aanschaffen, en afhankelijk van welke zenders men wil ontvangen, een tweede smartcard en abonnement. Vaak is een tweede abonnement met korting af te nemen. Ook kan men gebruik maken van cardsharing. Voor het toekomstige HDTV is ook weer een speciale decoder nodig, en een televisie die HD Ready is.

[bewerken] Externe links

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken