Onderzeeboot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
USS Chicago (SSN 721) op periscoop-diepte bij Maleisië

Een onderzeeboot, onderzeeër of duikboot, is een vaartuig dat onder water kan varen. Dankzij deze mogelijkheid is hij het grootste deel van de tijd onzichtbaar voor mensen die aan de oppervlakte varen. Militaire onderzeeboten zijn vaak lastig op te sporen door de aard van hun missie: ze dienen zich verborgen te houden totdat de opdracht komt om tot de aanval over te gaan. Manieren om een diep varende onderzeeboot op te sporen zijn met behulp van actieve ("pingen") of passieve (luisteren) sonar, of door het meten van storingen in het aardmagnetisch veld (Magnetic Anomaly Detection - MAD). Een onderzeeboot die aan de oppervlakte of nog heel dicht daaronder vaart is op de radar zichtbaar en op geringe diepte ook nog met het oog, vooral vanuit de lucht. Het opsporen, aanvallen en vernietigen van onderzeeboten wordt onderzeebootbestrijding (Engels: Anti-Submarine Warfare; ASW) genoemd.

Geschiedenis[bewerken]

Replica van de Ictíneo II bij de haven van Barcelona. Het origineel werd in 1864 door Narcís Monturiol gebouwd.

Van Alexander de Grote gaat het verhaal dat hij (300 v.Chr.) al afdaalde in een duikerklok naar de bodem van de zee. Of dat op waarheid berust is niet zeker. Vaststaat dat duikerklokken en vergelijkbare vindingen al lang bekend zijn, onder andere bij parelduikers.

Het eerste gedocumenteerde vaartuig dat werkelijk onder water voortbewoog is ontworpen en gebouwd door de Nederlandse uitvinder Cornelis Drebbel. Tussen 1620 en 1624 nam Drebbel proefnemingen met een onderzeeboot op de Theems. Voortbewogen door enkele roeiers heeft dit vaartuig daadwerkelijk een aanzienlijke afstand onder water afgelegd, op dieptes variërend tussen vier en vijf meter. Er zijn drie prototypes gebouwd en getest die tot drie uur onder water konden blijven. Hoewel het bestaan van zuurstof en kooldioxide nog onbekend was, is Drebbel in staat geweest zijn alchemistische kennis te gebruiken voor het maken van een toestel dat kooldioxide afving en zuurstof afgaf. Zijn vindingen zijn nooit in praktijk toegepast.

In 1776 werd voor het eerst een onderwatervaartuig gebruikt bij oorlogvoering. De Turtle, ontworpen door David Bushnell, bracht een springlading aan bij een Brits fregat. Veel schade heeft deze waarschijnlijk niet berokkend, want in Britse documenten wordt van dit incident geen melding gemaakt.

Was de Turtle nog een duikerklok met handaandrijving, de Fransen legden zich toe op vaartuigen die al meer op echte onderzeeboten leken. De Amerikaan Robert Fulton bouwde in 1801, in Franse dienst, de Nautilus (een naam die nadien wel vaker geassocieerd wordt met onderzeeboten).

Narcís Monturiol bouwde in 1859 de Ictíneo I, bedoeld voor de koraalvisserij. In 1864 volgde de Ictíneo II.

De eerste, op latere onderzeeboten gelijkende, vaartuigen die aan de strijd deelnamen werden gebruikt tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. De handaangedreven CSS Hunley bracht als eerste onderzeeboot een vijandelijk schip tot zinken in 1864. Na deze raid zonk de CSS Hunley naar de zeventig meter diepe zeebodem. De acht bemanningsleden kwamen om.

Duikboten en onderzeeboten[bewerken]

Franse duikboot uit de Eerste Wereldoorlog
USS Cavalla
De zegening, doop en tewaterlating van de Poolse onderzeeër "Orzel" (Arend) te Vlissingen (1938).

De Nederlandse marine maakt onderscheid tussen enerzijds duikboten en anderzijds onderzeeboten. Volgens dit onderscheid is een duikboot een vaartuig dat zich voornamelijk boven water verplaatst en pas onder water gaat om aan tegenstanders (bijvoorbeeld torpedobootjagers) te ontsnappen of voor het aangaan van een aanval. Tot aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was dit de gewone werkwijze voor duikboten. De topsnelheid was aan de oppervlakte doorgaans groter dan onder water. De U-boot is een typisch voorbeeld van een duikboot.

Een onderzeeboot daarentegen blijft langer onder water en komt slechts aan de oppervlakte zodra dat nodig is. Dit werd pas mogelijk door de toepassing van een snuiverinstallatie, al in 1939. Aangezien de Nederlandse marine de eerste was die de snuiver toepaste en zij zich er van bewust was dat haar duikboten daardoor langer onder water konden blijven dan de vaartuigen van andere mogendheden is zij dit onderscheid gaan maken.

Dit strikte onderscheid tussen duikboot en onderzeeboot is elders onbekend.

Door de introductie van kernenergie omstreeks 1955 werden nog veel langere duiktijden mogelijk.

Techniek[bewerken]

Energiebron[bewerken]

Windkracht en mankracht[bewerken]

De voortstuwing was tot het eind van de 19e eeuw een groot probleem. De (primitieve) vaartuigen die van handkracht gebruik maakten waren zeer beperkt in snelheid en actieradius. Een enkel vaartuig gebruikte dan wel een zeil, maar het effect van verrassing was dan verloren.

Stoom[bewerken]

Datzelfde gold voor het enkele model dat omstreeks 1860 een stoommachine als voortstuwing had. Door de dikke rookpluim was dat schip al van ver waar te nemen.

Diesel en accu's[bewerken]

Pas aan het einde van de 19e eeuw kwam er met elektromotoren een acceptabele krachtbron beschikbaar. De beperkte levensduur van de accu's verhinderde echter nog steeds een langdurig verblijf op zee. Deze beperking werd opgelost door het installeren van een dieselmotor, zodat de elektrische aandrijving alleen voor de onderwatervaart benut hoefde te worden. Boven water varend kon de onderzeeboot dan bovendien de accu's opnieuw opladen. Deze dieselelektrische voortstuwing werd in de 20e eeuw snel gemeengoed.

Snuiver[bewerken]

Desondanks bleef men verder zoeken naar een voortstuwing die een permanent verblijf onder water mogelijk kon maken. De uitvinding van de snuiver (1938) was al een belangrijke vooruitgang. De snuiver bleef echter boven water zichtbaar, zodat er nog steeds geen sprake was van een echte onderzeeër.

Waterstofperoxide[bewerken]

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was de Duitse Kriegsmarine al ver gevorderd met de toepassing van waterstofperoxide als oxidator. Hiervoor was geen aanvoer van buitenlucht meer nodig. Het brandgevaar hiervan verhinderde echter een verdere ontwikkeling na de oorlog.

Kernenergie[bewerken]

De toepassing van kernenergie vanaf 1954 maakte dat de inzet van de onderzeeboot in feite alleen werd beperkt door het uithoudingsvermogen van de bemanning. Ook tegenwoordig wordt er veel energie gestopt in het onderzoek naar "air independent"-voortstuwingssystemen.

Voortstuwing en besturing[bewerken]

Een onderzeeboot heeft een schroef om voor- en achteruit te varen. De diepte onder water wordt geregeld met duikroeren. Door waterballast in te nemen of uit te stoten kan hij duiken en boven water komen.

De vorm van de schroef van een onderzeeboot is één van de best bewaarde militaire geheimen omdat experts uit de vorm van de schroef veel te weten kunnen komen over het cavitatiegedrag van de schroef.

Diepteregeling[bewerken]

Een onderzeeboot heeft een aantal ballasttanks voor de diepteregeling. Om onderwater te gaan worden de hoofdtanks gevuld met water. Daarna worden de trimtanks afgetrimd op neutrale vaart, dat wil zeggen de onderzeeboot net zo zwaar is als het water dat hij verplaatst waardoor hij volgens de wet van Archimedes in rust niet zal stijgen of dalen.

Om te stijgen of te dalen wordt gebruikgemaakt van de zgn. duikroeren. Deze bevinden zich bij aan weerszijden van de romp (voor en achter), of in het midden, aan weerszijden van de toren. Een onderzeeboot heeft dus snelheid nodig om gecontroleerd te kunnen stijgen of dalen.

Drijvend met gesloten kleppen
Beginnen duiken met open kleppen
Onderwater met volle tanks en gesloten kleppen
Los Angeles-class onderzeeboot

Risico's[bewerken]

Voor elk type onderzeeboot geldt een maximaal dieptebereik. Hoe groot dit bereik is, is een van de zorgvuldigst bewaarde geheimen. Aan boord weet alleen de commandant hoe diep zijn schip nog veilig kan duiken. Als het schip onder deze grens komt, wordt de romp samengedrukt (dit heet ook wel implosie; het schip implodeert). De bemanning komt daarbij vrijwel altijd om het leven. De sterkte van de romp van de onderzeeboot is mede afhankelijk van de ronde vorm. Het zal duidelijk zijn dat vervorming van deze romp, ook al is deze minimaal, grote invloed kan hebben op de toelaatbare duikdiepte.

Moderne onderzeeboten kunnen in ieder geval dieptes van enige honderden meters bereiken; van de Russische militaire onderzeeboot Komsomolets (circa 1989) is bekend dat het diepterecord op 1000 m lag. De bodem van de Marianentrog bij de Filipijnen, die ongeveer 10,9 km diep is, werd in 1960 door Jacques Piccard in zijn bathyscaaf Trieste bereikt.

Om bij ernstige schade, waarbij het schip dreigt vol te lopen, nog een kans van overleven te hebben zijn onderzeeboten meestal verdeeld in verschillende compartimenten, die door middel van waterdichte schotten en deuren van elkaar zijn gescheiden.

Ligt het schip beschadigd op de bodem, dan is er - afhankelijk van de beschadiging en diepte waarop het ligt - soms nog ontsnapping mogelijk. Met speciale vesten en/of duikerpakken die enige overdruk van het water compenseren, kunnen bemanningsleden de onderzeeboot verlaten, als ze tenminste uit de compartimenten weten te ontsnappen. Ze worden dan naar de oppervlakte gedreven.

Toepassing[bewerken]

Een onderzeeboot kan torpedo's en geleide wapens (bijvoorbeeld kruisraketten) afschieten. De wijze van inzetten is onder andere afhankelijk van het type onderzeeboot. Zo worden onderscheiden:

  • Minionderzeeboten: Voor offensieve taken in kustwateren. In de Tweede Wereldoorlog is door diverse partijen van minionderzeeboten gebruikgemaakt. Tegenwoordig is dit type niet meer in gebruik. Wel bestaan er nog zeer gespecialiseerde minionderzeeboten voor reddingsacties op de zeebodem.
  • Kustonderzeeboten: Kleinere vaartuigen (ca. 500 tot 1500 ton waterverplaatsing) voor surveillance- en aanvalstaken in kustwateren en besloten zeeën, zoals de Oostzee en de Middellandse Zee.
  • Het ballistische raket-type of strategische aanvalsonderzeeboten: Deze lanceren intercontinentale ballistische (kern-) raketten, zoals de Polaris, Poseidon en Trident. Onderzeeboten van dit type zijn van ca. 6500 tot 22.000 ton groot en vrijwel altijd van nucleaire aandrijving voorzien. Het middengedeelte van het schip bevat 12 tot 24 lanceerbuizen voor raketten.
  • De hunter/killer of attack-type: Voor het actief opsporen en bestrijden van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakteschepen (zoals de hierboven getoonde onderzeeboot van de Los Angelesklasse). Dit zijn schepen van ca. 3500 tot 8000 ton waterverplaatsing en voorzien van nucleaire aandrijving. Een aantal hunter/killers heeft lanceerbuizen voor kruisraketten.

De dieselelektrische oceaangaande onderzeeboot is een zeldzaamheid geworden. Dit zijn vaartuigen tot ca. 3000 ton waterverplaatsing, die de taken toebedeeld krijgen van de hunter-killers en kunnen opereren in diepe kustzeeën. Door hun vermogen zich geruisloos te verplaatsen (vaak veel stiller dan een nucleair aangedreven onderzeeboot) zijn ze lastig te ontdekken tegenstanders. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt om inlichtingen te verzamelen dichtbij kusten, zelfs binnen de territoriale wateren, van andere landen. Binnen de NAVO hebben Nederland (4), Duitsland (4), Spanje (4), Portugal (2), Italië (6), Griekenland (8) en Canada (4) vaartuigen van dit type. Daarbuiten onder andere nog Australië, Taiwan en Japan.

De atoomonderzeeër Koersk, die in 2000 verging, was een hunter/killer met lanceerbuizen voor zware antischipkruisraketten. Dit type is specifiek ontwikkeld voor inzet tegen vliegdekschepen.

Constructeurs wereldwijd[bewerken]

Van vijf landen is bekend dat ze nucleair aangedreven onderzeeboten bezitten: de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Rusland en China.

De Verenigde Staten bouwen al sinds de jaren zestig uitsluitend nucleaire onderzeeboten en hebben geen ervaring meer met het bouwen van en de mogelijkheden van conventionele onderzeeboten. Het Verenigd Koninkrijk begon einde jaren tachtig aan de bouw van een nieuwe serie dieselelektrische onderzeeboten (Type 2400, Upholderklasse), maar besloot na de val van het IJzeren Gordijn zich geheel toe te leggen op nucleaire onderzeeboten. De vier afgebouwde exemplaren van de Upholderklasse zijn verkocht aan Canada.

Het aantal landen dat de kennis heeft om moderne conventionele onderzeeboten te bouwen is beperkt. In elk geval Nederland (v/h bij Wilton-Fijenoord en RDM), Duitsland (Howaldtswerke-Deutsche Werft (HDW) onderdeel van ThyssenKrupp Marine Systems), Frankrijk (DCN), Japan en Zweden (Kockums). De onderzeebootbouw in Nederland is thans goeddeels verdwenen, de kennis ervan is weggevloeid bij de werven maar is nog wel aanwezig bij de Koninklijke Marine en bij het MARIN. Het Duitse HDW heeft het Zweedse Kockums overgenomen, waardoor het een vooraanstaande positie heeft verworven.

De onderzeeboten die andere landen in bezit hebben worden vaak gebouwd in samenwerking met het Duitse HDW (Israël, Griekenland, Zuid-Korea) of het Franse DCN (Pakistan, Spanje, Maleisië, India, Chili). Kockums bouwt voor de Zweedse marine en heeft destijds een werf in Australië overgenomen. Hier zijn de onderzeeboten voor de Australische marine gebouwd. Een vergelijkbare optie werd door HDW gevolgd, dat een Griekse werf overnam. Italië heeft na de Tweede Wereldoorlog nog aan aantal vaartuigen naar eigen ontwerp gebouwd, maar gebruikt inmiddels ook Duitse ontwerpen. Denemarken en Noorwegen hebben nog zelf (kust-)onderzeeboten gebouwd, maar ook die waren gebaseerd op Duitse ontwerpen.

Nederland heeft in de jaren tachtig van de 20e eeuw twee onderzeeboten aan Taiwan geleverd. Door de reactie van China daarop (een handelsboycot) hebben achtereenvolgende kabinetten daarop geweigerd een exportvergunning af te geven voor een vervolgorder.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek