Oorlog in Afghanistan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel gaat over de oorlog in Afghanistan in 2001. Voor de oorlog tussen 1979 en 1989, zie Afghaanse Oorlog (1979-1989)
Oorlog in Afghanistan
Onderdeel van Strijd tegen terrorisme
2001 War in Afghanistan collage 3.jpg
Datum 7 oktober 2001 – heden
Locatie Afghanistan
Resultaat Val van de Taliban
bezetting Afghanistan
2/3 van de Al Qaida-leiders gedood
opstand van de Taliban
Oorlog in Waziristan
Dood van Osama bin Laden
Casus belli De Afghaanse Talibanregering werkte samen met Al Qaida
Strijdende partijen
Flag of NATO.svg NATO – ISAF

Vlag van Afghanistan Afghanistan
Flag of Afghanistan (1992-1996; 2001).svg Noordelijke Alliantie

Flag of Taliban.svg Taliban

Flag of Jihad.svg Al-Qaeda
Flag of Waziristan resistance (1930s).svg IEW

Commandanten
Vlag van Verenigde StatenBarack Obama

Vlag van Verenigde Staten George W. Bush
Vlag van Verenigde Staten John R. Allen
Vlag van Verenigde Staten David Petraeus
Vlag van Verenigde Staten Stanley McChrystal
Vlag van Verenigde Staten David D. McKiernan
Vlag van Verenigde Staten Karl W. Eikenberry
Vlag van Verenigde Staten David Barno
Vlag van Verenigde Staten Dan K. McNeill
Vlag van Verenigde Staten Paul T. Mikolashek
Vlag van Verenigde Staten Tommy Franks
Vlag van Verenigde Staten Peter Wall
Vlag van Verenigde Staten Nick Parker
Vlag van Verenigde Staten David Richards
Vlag van Verenigde Staten John McColl
Vlag van Duitsland Goetz Gliemeroth
Vlag van Duitsland Norbert Van Heyst
Vlag van Frankrijk Nicolas Sarkozy
Vlag van Frankrijk Jacques Chirac
Vlag van Frankrijk Jean-Louis Py
Vlag van Italië Mauro del Vecchio
Vlag van Canada Rick Hillier
Vlag van Canada Walter Natynczyk
Vlag van Canada Andrew Leslie
Vlag van Turkije Hilmi Akin Zorlu
Vlag van Turkije Levent Colak
Vlag van Spanje Gustavo Delgado
Vlag van Afghanistan Hamid Karzai
Flag of Afghanistan (1992-1996; 2001).svg Mohammed Fahim
Flag of Afghanistan (1992-1996; 2001).svg Abdul Rashid Dostum
Flag of Afghanistan (1992-1996; 2001).svg Ustad Atta Mohammed Noor

Flag of Taliban.svg Mohammed Omar

Flag of Taliban.svg Obaidullah Akhund
Flag of Taliban.svg Mullah Dadullah
Flag of Taliban.svg Bakht Mohammed
Flag of Taliban.svg Jalaluddin Haqqani
Flag of Jihad.svg Osama bin Laden (†)
Flag of Jihad.svg Saif al-Adel
Flag of Jihad.svg Ayman al-Zawahiri
Flag of Jihad.svg Mustafa Abu al-Yazid
Flag of Jihad.svg Mohammed Atef (†)
Flag of Jihad.svg Abu Laith al-Libi (†)
Flag of Jihad.svg Sabar Lal Melma[1]
Flag of Jihad.svg Younis al-Mauritani[2]
Flag of Jihad.svg Juma Namangani
Flag of Jihad.svg Tohir Yo‘ldosh (†)
Flag of Jihad.svg Abu Usman Adil[3]
Flag of Jihad.svg Haji Mali Khan[4]
Flag of Jihad.svg Gulbuddin Hekmatyar
Flag of Taliban.svg Sirajuddin Haqqani
Flag of Taliban.svg Abdul Ghani Baradar
Flag of Taliban.svg Maulana Fazlullah

Troepensterkte
Flag of NATO.svg NATO – ISAF 130.670

Vlag van Afghanistan Afghaanse leger 152.000 Vlag van Afghanistan Afghaanse politie 118.000 Totaal: 400.670

Flag of Taliban.svg Taliban ca. 36.000

Flag of Jihad.svg Al Qaida tussen 50 en 500
Flag of Jihad.svg Hezbi Islami 1000
Flag of Jihad.svg IMU tussen 5.000 en 10.000
Flag of Taliban.svg Haqqani network: 1.000
Flag of Taliban.svg TTP tussen 30.000 en 35.000
Flag of Taliban.svg TSNM 4.500
Totaal:' tussen 77.000 en 88.000

Verliezen
Flag of NATO.svg NATO – ISAF
  • Gedood: 2.670
  • Gewond: + 20.000

Hulpverleners en bedrijven

  • Gedood: 1.764
  • Gewond: 59.465

Vlag van Afghanistan Afghaanse veiligheidstroepen

  • Gedood: 10.265
  • Gewond: 100.256

Flag of Afghanistan (1992-1996; 2001).svg Noordelijke Alliantie

  • Gedood: 200

Totaal gedood: + 13.744

Flag of Taliban.svg Taliban en bondgenoten
  • Gedood: +38.000
  • Gewond: onbekend
Burgerdoden: tussen 14.000 en 34.000

De oorlog in Afghanistan begon op 7 oktober 2001. Onder de naam Enduring Freedom vielen de legers van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Frankrijk en de Noordelijke Alliantie de Taliban in Afghanistan aan. Dit was een direct gevolg van de aanslagen van 11 september op verschillende doelen in de Verenigde Staten. Achter de aanslagen zat Al Qaida. Het Taliban-regime in Afghanistan bood een thuis aan deze organisatie. De Amerikaanse regering met aan het hoofd president George W. Bush besloot het land binnen te vallen nadat de Taliban een ultimatum om Osama bin Laden en andere belangrijke leiders van Al Qaida uit te leveren naast zich had neergelegd.

Het Taliban-regime was vrij snel verslagen, hoewel Bin Laden wist te ontsnappen. Onder leiding van Hamid Karzai werd een nieuwe Afghaanse regering geïnstalleerd en een nieuwe grondwet opgesteld. Meer dan 5 miljoen vluchtelingen keerden terug naar hun woonplaats. De verdreven strijders van de Taliban proberen al jarenlang het nieuwe bewind omver te werpen vanuit hun bases in Pakistan, na de vernietiging van hun bolwerken in Afghanistan. Hierdoor bleven de gevechtshandelingen veel langer duren dan aanvankelijk was voorzien. Ook de dood van Bin Laden in mei 2012 maakte geen einde aan de gevechten.

De leiders van de NAVO-landen kozen in 2012 voor een strategie die erop gericht was het land binnen een paar jaar te verlaten, waarna het Afghaanse leger en de Afghaanse politie de taken van de coalitietroepen volledig zouden moeten overnemen.

Achtergrond[bewerken]

Sinds het vertrek van de Sovjet-Unie bevochten verschillende gewapende facties elkaar in Afghanistan. Eind 1994 was de macht. Er was officieel een regering met Burhanuddin Rabbani aan het hoofd, maar de verschillende stammen en krijgsheren stonden elkaar naar het leven. In de tweede helft van 1994 kwam plotseling een nieuwe groep op: de Taliban. Deze fundamentalistische groep werd geleid door Mohammed Omar en kon rekenen op de steun van Saoedi-Arabië en Pakistan. Een geschat aantal van honderdduizend Pakistanen vocht in de jaren negentig mee aan de zijde van de Taliban. Onder hen waren veel leden van de ISI, de Pakistaanse inlichtingendienst.

Pakistan wilde zo zijn invloed doen gelden in Afghanistan. De Taliban behaalden hun eerste succes op 5 november 1994 met de verovering van het zuidelijk gelegen Kandahar. Daarna trokken de Talibanleden verder naar het noorden. Ze veroverden Herat in september 1995, en op 26 september 1996 viel Kabul in hun handen. Oud-president Mohammed Nadjiboellah, diens broer en vroegere medewerkers werden op gruwelijke wijze vermoord. In de jaren daarop veroverden de nieuwe machtshebbers grote delen van het noorden, waarbij zij meerdere bloedbaden veroorzaakten. Alleen de Noordelijke Alliantie onder leiding van Achmed Sjah Massoud en Abdul Rashid Dostum wist een zekere mate van verzet te bieden. Bazarak en de Pansjir-vallei in het noordoosten bleef in hun handen

Het machtscentrum van de Taliban was Kandahar. De Opperste Sjoera nam de belangrijkste beslissingen. Aanvankelijk brachten de Taliban rust en orde en werden de beslissingen binnen de Opperste Sjoera op democratische wijze genomen, maar Mohammed Omar trok steeds meer macht naar zich toe. De Taliban stonden het strikt naleven van de regels van de islam en de sharia voor. Zij verboden vrouwen alleen over straat te gaan. Ook moesten vrouwen zich in een allesbedekkende boerka kleden, meisjesscholen werden gesloten, muziek verboden en bioscopen en televisiestudio's gesloten.

De Taliban boden ook onderdak aan Al Qaida. Deze organisatie had verschillende trainingskampen, waar zij naast eigen leden ook Taliban-vechters klaarstoomde voor de strijd. In 1998 werd Osama bin Laden, de leider van Al Qaida, Soedan uitgezet en vond zijn toevlucht tot Afghanistan. De Amerikaanse regering wees hem aan tot hoofdschuldige van de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Afrika en eiste van de Taliban de uitlevering van Bin Laden. De Afghanen wezen de Amerikaanse eisen af.

Twee journalisten interviewden Massoud op 9 september 2001. Tijdens het interview lieten zij een bom exploderen die in een videocamera zat verstopt. Onderweg naar het ziekenhuis overleed hij. Internationale experts vreesden dat de Noordelijke Alliantie zonder Massoud geen kans zou maken tegen de Taliban.

Op de morgen van 11 september 2001 boorden twee passagiersvliegtuigen zich in de Twin Towers van het World Trade Center in New York City. Beide torens stortten binnen het uur in. Een ander vliegtuig trof het Pentagon en een vierde vliegtuig crashte in een veld in Pennsylvania. Alle vliegtuigen waren gekaapt door leden van Al Qaida.

2001[bewerken]

Ultimatum en diplomatieke onderhandelingen[bewerken]

Op 20 september stelde de Amerikaanse president George W. Bush een ultimatum aan de Taliban. Hierin stonden de volgende punten:

  • vrijlaten van alle buitenlandse gevangenen, onder wie Amerikaanse burgers
  • beschermen van buitenlandse journalisten, diplomaten en hulpverleners in Afghanistan
  • sluiten van trainingskampen voor terroristen in Afghanistan en het "overdragen van elke terrorist en elk persoon en hun steunstructuur aan de geschikte autoriteiten"
  • geven van volledige toegang tot de trainingskampen van terroristen aan de Verenigde Staten zodat hun sluiting gecontroleerd kan worden

Over deze eisen kon niet onderhandeld of gediscussieerd worden. Het antwoord kwam niet direct van de Taliban, maar via hun Pakistaanse ambassade. In hun eerste reactie vroegen ze om bewijsmateriaal van Bin Ladens betrokkenheid bij aanvallen van 11 september. Zij boden aan hem in een islamitische rechtszaal te berechten. Toen de oorlog al begonnen was boden ze aan hem in een neutraal land te laten berechten. Gematigden binnen de Taliban zijn naar verluidt samengekomen met ambtenaren van de Amerikaanse ambassade om een manier te bedenken om Mohammed Omar, leider van de Taliban, te overtuigen Bin Laden toch aan de Verenigde Staten uit te leveren om een vergeldingsoorlog te voorkomen. Alle voorstellen die door de Taliban zijn gedaan, zijn door president Bush afgewezen.

Op 18 november 2001 nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een resolutie aan, waarin van de Taliban werd geëist dat Osama bin Laden overgedragen zou worden en dat alle trainingskampen voor terroristen gesloten zouden worden. Hierin werd verwezen naar een resolutie uit december 2000 waarin ook al om uitlevering van Bin Laden was gevraagd vanwege de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Afrika in augustus 1998. De resolutie sprak niet over het gebruik van geweld.

Start oorlog[bewerken]

De Amerikaanse regering gaf op 7 oktober het startsein voor de militaire campagne tegen Afghanistan. CIA-teams van de Special Activities Divisions waren de eerste Amerikaanse troepen die in Afghanistan voet aan de grond zetten. Zij werden gevolgd door commadandoteams van de United States Army Special Forces. De eerste luchtaanvallen vonden meteen plaats. De Verenigde Staten bombardeerden het vliegveld en elektriciteitsvoorzieningen van de hoofdstad Kabul. Bij de steden Kandahar en Jalalabad vielen ook bommen.

Amerikaanse en Britse special forces werkten nauw samen met de verschillende Afghaanse oppositiegroepen, waarvan de Noordelijke Alliantie de belangrijkste was om het noordwestelijk gelegen Herat in te nemen. In de stad brak een opstand uit waardoor de Taliban de stad moest prijs geven.

De Verenigde Staten boekten een groot succes toen zij vroeg in de oorlog er in slaagden Mohammed Atef, een van de belangrijkste leden van Al Qaida, te doden met een raketaanval op zijn huis in Kabul. Ook zijn bewaker Abu Ali al-Yafi'i en zes anderen verloren het leven.

Bombardementen[bewerken]

Voor het Afghaanse luchtdoelgeschut vlogen de Amerikaanse bommenwerpers te hoog. Verder zette de VS Apache-helikopters in. Verschillende malen werden ook tomahawkrakketen afgeschoten van Amerikaanse schepen. De eerste aanvallen richtten zich vooral op doelen rondom Kabul, Jalalabad en Kandahar. Binnen een paar dagen waren het Afghaanse luchtafweersysteem en de meeste trainingskampen van de Taliban vernietigd. Daarna richtten de aanvallen zich er vooral op om de communicatielijnen van de Taliban verder te verzwakken. Tegelijkertijd zat er weinig beweging in het front van de Noordelijke Alliantie. De leiders van die alliantie eiste dat de bombardementen zich meer op doelen rondom die frontlijn zouden richten. De Amerikanen gaven gehoor aan deze eis en begonnen de Taliban daar meer onder vuur te nemen. De Talibanleden hadden geen ervaring met de hoogstaande bombardementen en waren makkelijk zichtbaar voor de Amerikaanse spotters die de doelen doorgaven aan de luchtmacht.

Slag om Mazar-iSharif[bewerken]

De Noordelijke Alliantie arriveerde samen met de Amerikaanse Special Forces op 10 november in Mazar-i-Sharif. Deze stad was van strategisch belangrijke waarde vanwege de aanwezigheid van twee vliegvelden en een belangrijke weg die liep naar Oezbekistan. Daardoor zou ook mogelijke hongersnood onder de Afghaanse bevolking kunnen worden voorkomen. Onder leiding van de generaals Abdul Rashid Dostum en Ustad Atta Mohammed Noor nam de Noordelijke Alliantie de belangrijkste militaire basis en het vliegveld in. Na bloedige gevechten die anderhalf uur lang duurden trokken de Taliban-troepen zich terug. De bevrijders werden met gejuich ontvangen. De verovering was voor de Amerikanen een verrassing. Zij hadden verwacht dat gevechten rondom de stad tot ver in het volgende jaar zouden kunnen duren.

Er gingen geruchten rond dat Mullah Dadullah de stad met achtduizend Talibanleden zou willen heroveren. De Verenigde Staten vlogen duizend manschappen in van de 10th Mountain Division. Zij hadden vanaf nu ook de beschikking over een eigen luchtmachtbases in Afghanistan. Daarvoor vlogen Amerikaanse vliegtuigen vanuit Oezbekistan of vliegdekschepen vanuit de Arabische Zee.

Val van Kabul[bewerken]

In de nacht van 12 november verlieten de Talibantroepen de stad Kabul. Toen de Noordelijke Alliantie in de volgende middag de stad naderde ondervonden zij nauwelijks verzet. Een klein groepje van twintig Talabani hadden zich verborgen in een stadspark en boden verzet. Na een vuurgevecht van een kwartier waren zij uitgeschakeld en was de hele stad in handen van de coalitietroepen.

De val van Kabul leidde de ineenstorting van het gehele front in. Lokale Pashtun-commandanten en krijgsheren veroverden het grootste deel van noordelijk Afghanistan, waaronder de belangrijke stad Jalalabad. Veel Talibanleden, vergezeld van een groot aantal Pakistaanse vrijwilligers, vielen rond 16 november terug op Kunduz, het laatste bolwerk in het noorden. De Noordelijke Alliantie belegerden deze stad waar bijna tienduizend vechters zich ophielden. In het zuiden hielden veel leden van Al Qaida en de Taliban, waaronder mogelijk Osama bin Laden, zich schuil in het grottencomplex Tora Bora. Bijna tweeduizend vechters hadden zich ingegraven om verzet te bieden tegen de oprukkende Noordelijke Alliantie en coalitietroepen. De Verenigde Staten begonnen op 16 november met het bombarderen van het complex. CIA-vertegenwoordigers legden intussen contact met plaatselijke krijgsheren en betaalden hen als zij wilden deelnemen aan de strijd.

Airlift of evil[bewerken]

De strijd om Kunduz was intussen volop gaande. Na negen onder hevige bombardementen gelegen te hebben gaven de Taliban zich over. Kort voor de overgave arriveerden er meerdere Pakistaanse vliegtuigen. Deze evacueerden veel Pakistaans inlichtingen- en militair personeel. Pakistan had tot het aanbreken van de oorlog nauw samengewerkt met de Taliban. President Pervez Musharraf had de Amerikanen toestemming gevraagd voor de luchtbrug. Tegelijkertijd verlieten er ook veel Talibanleden en leden van Al Qaida daardoor het land. De luchtbrug werd door de Amerikanen aangeduid als de Airlift of evil.

Gevangenisopstand in Qala-I-Janghi[bewerken]

De Talibani die zich overgaven in Kunduz werden naar het fort Qala-I-Janghi, nabij Mazar-i-Sharif, getransporteerd. In het fort vielen een paar Talibanleden de bewakers van de Noordelijke Alliantie aan en overmeesterden hen. Binnen korte tijd was de helft van het middeleeuwse fort in handen van driehonderd gevangenen, inclusief een wapenkamer met kleine handwapens. CIA-agent Johnny Micheal Spann was het eerste dodelijke slachtoffer van de oorlog. Hij was in het fort om gevangenen te ondervragen en kon dit niet meer op tijd verlaten. De opstand werd uiteindelijk na een aantal dagen neergeslagen door toedoen van Amerikaanse Special Forces die samenwerkten met de Noordelijke Alliantie. Vliegtuigen bombardeerden het fort meerdere malen. In totaal overleefden 86 Talibanleden de strijd. Ongeveer vijftig leden van de Noordelijke Alliantie kwamen om.

Verovering van Kandahar[bewerken]

Tegen eind november was het zuidelijk gelegen Kandahar de enige grote stad nog in handen van de Taliban. Veel Talibanleden raakten daar ingesloten. Dat kwam vooral door toedoen van Hamid Karzai, een aanhanger van de voormalige koning, en Gul Agha Sherzai, gouverneur van de stad voordat de Taliban de macht overnamen. Met drieduizend strijders hadden zij alle toegangswegen tot de stad afgesloten. Op 25 november arriveerden er bijna duizend Amerikaanse mariniers ten zuiden van Kandahar. Zij sloegen daar hun basis op. Een dag later naderden vijftien bepantserde wapens het kamp. Deze werden aangevallen door Amerikaanse helikopters en de meeste vernietigd.

Intussen gingen de bombardementen op de stad door. In de stad hield ook Taliban-leider Mullah Omar zich op. De Amerikaanse regering legde op 6 december een verzoek tot amnestie voor hem naast zich neer. Een dag later ontsnapte hij met een groep Loyalisten uit de stad en trok naar de bergen in Uruzgan. De stad zelf gaf zich die dag ook over. Andere Talibanleiders vluchtte naar Pakistan via een aantal bergroutes en -passen.

Gevechten om Tora Bora en ontsnapping Bin Laden[bewerken]

Al Qaida hield zich intussen nog steeds op bij Tora Bora, maar de verschillende krijgsheren rukten, met steun van Britse en Amerikaanse troepen, steeds verder op. De Amerikaanse luchtmacht bombardeerde het complex. Tegen een nederlaag aankijkend ging Al Qaida akkoord met een tijdelijke wapenstilstand. Terugkijkend bood dit veel belangrijke leiders van de terroristische organisatie, waaronder Osama bin Laden, de kans om te vluchten. Op 12 december werd het vechten weer hervat, waardoor veel van de vluchtenden een veilig heenkomen konden vinden. Op 17 december was het gehele complex in handen van de Amerikanen maar zij konden geen spoor vinden van Bin Laden of andere belangrijke Al Qaida-leiders.

Diplomatieke top in Bonn[bewerken]

Na de oorlog werd er onder de vlag van de Verenigde Naties een top georganiseerd in Bonn, Duitsland. Verschillende Afghaanse leiders, waaronder vertegenwoordigers van de vier belangrijkste oppositiebewegingen, waren aanwezig. Ook buurlanden en andere belangrijke landen in de regio stuurden vertegenwoordigers. De Taliban was niet aanwezig. Tijdens de top werden er afspraken gemaakt over het politieke pad richting het opstellen van een nieuwe grondwet en het kiezen van een nieuwe regering. Om dit proces te beveiligen riep de Verenigde Naties een troepenmacht in het leven, namelijk de International Security Assistance Force (ISAF). Zij zou verantwoordelijk zijn voor de veiligheid in Kabul en de omliggende regio. Later breidde dit mandaat zich uit naar heel Afghanistan.

ISAF kwam onder het commando van de Amerikaanse generaal John R. Allen te staan. Soldaten uit 50 landen maakten deel uit van de nieuwe troepenmacht. De helft van de militairen van ISAF was van Amerikaanse komaf.

2002[bewerken]

Na de verdrijving van de Taliban begon de Verenigde Staten met de bouw van een aantal militaire bases. Ten noorden van Kabul kwam Bagram, de belangrijkste luchtmachtbasis. Een andere belangrijke bases werd gebouwd rondom het vliegveld van Kandahar. In de oostelijke provincies bouwde ISAF verschillende buitenposten om vandaar uit jacht te maken op gevluchte Talibanleden en leden van Al Qaida. Het totale aantal coalitietroepen groeide tot boven de tienduizend.

Tegelijkertijd zat ook de Taliban en Al Qaida niet stil. In het Shahi-Kot-gebergte in de provincie Paktia hergroepeerde zij zich weer. In maart 2002 was hun aantal gegroeid tot boven de duizend. Zij wilden vanuit Pakistan een guerrillaoorlog beginnen in de stijl van de moedjahedien tegen de Sovjet-legers in de jaren tachtig.

Operatie Anaconda[bewerken]

De Verenigde Staten wilden dat voorkomen en besloten op 2 maart 2002 onder de naam Operatie Anaconda gezamenlijk met Afghaanse militie in de aanval te gaan. De terroristen trokken zich terug in bunkers en grotten in het gebergte, waardoor bombardementen weinig uitwerking hadden. De Amerikaanse commandanten hadden het aantal vijandelijke troepen onderschat. Zij gingen uit van ongeveer tweehonderd opstandelingen, terwijl dit er minimaal duizend waren. Tegen 6 maart waren er zes Amerikanen gedood en zeven Afghanen. Een deel van de doden viel toen twee helikopters uit de lucht werden geschoten. Bij de Taliban lag het aantal doden rond de vierhonderd. Een groot aantal wist ook te ontsnappen richting Waziristan in Pakistan.

Aanvallen van de Taliban[bewerken]

Na Operatie Anaconda trokken de vechters van Al Qaida zich terug over de grens met Pakistan en vonden daar onderdak bij de lokale stammen. Ze versterkten zich en begonnen regelmatig de grens over te steken in groepjes van vijf tot vijfentwintig man. Dan lanceerde ze raketten op verschillende militaire doelen, zoals Amerikaanse patrouilles en konvooien. Ook het in opbouw zijnde Afghaanse leger en non-gouvernementele organisaties werden steeds vaker doelwit. De meeste actie vond plaats rondom een Amerikaanse legerbasis in Shkin, Paktita.

Veel Taliban-troepen hielden zich verborgen op het platteland in de zuidelijke provincies die eens hun belangrijkste machtscentra waren: Kandahar, Zabul, Helmand en Uruzgan. Het Pentagon verzocht het Verenigd Koninkrijk om de inzet van de Royal Marines. Die waren gespecialiseerd in het vechten in de bergen. Ook Nieuw-Zeeland, Duitsland, Noorwegen, Canada en Australië zette commandotroepen in. De tactiek van de Taliban was vooral om zich verborgen te houden voor de Amerikanen en haar bondgenoten. Daardoor kwam het tot weinig openlijke gevechten.

2003-2005[bewerken]

De Taliban gingen in het eerste jaar nadat zij de macht in Afghanistan hadden verloren openlijke gevechten met het Amerikaanse leger zo veel mogelijk uit de weg. In die periode had de beweging zich versterkt met nieuwe – voornamelijk Afghaanse en Pakistaanse – rekruten. Veel van de nieuwe aanwas was afkomstig uit madrassa's, religieus islamitische scholen in Pakistan. Langs de grens met dat land werden door de Taliban en Al Qaida nieuwe mobiele trainingskampen ingericht. Andere bases, soms bestaande uit meer tweehonderd man, waren te vinden in het Pakistaanse berggebied langs de grens. De Pakistaanse grensbewaking had weinig controle op deze groepen. Veel experts twijfelde aan hun bereidheid om in te grijpen.

Het eerste teken dat de Taliban aan het hergroeperen was bleek op 27 januari. Tijdens Operatie Mongoose werden 18 Taliban-rebellen gedood in het Adi Ghar-grottencomplex, 24 kilometer ten noorden van Spin Boldak. In de zomer van 2003 begonnen de Taliban een nieuw offensief. De beweging veranderde ook haar tactiek: voortaan vielen groepen van een man of vijftig afgelegen posten konvooien van het Afghaanse leger en politie aan. Daarna gingen zij uiteen in groepjes die bestonden uit vijf tot tien man. Op die manier maakten zij een effectieve tegenaanval veel lastiger.

Amerikaanse troepen werden vooral geconfronteerd met veel raketbeschietingen op legerbases, hinderlagen en bermbommen. Als gevolg van de aanvallen kwamen een tiental Afghaanse soldaten, meerdere ontwikkelingswerkers en een aantal Amerikaanse soldaten om het leven. Het aantal slachtoffers bedroeg in augustus 2003 tweehonderdtwintig, een dieptepunt in de oorlog tot dan toe.

In het district Dai Chopan begonnen de Taliban met de opbouw van een nieuwe troepenmacht.In de zomer van 2003 hielden zich daar bijna duizend Talibanleden schuil. Dai Chopan maakt onderdeel van de provincie Zabul, in het zuidoosten van het land. Het terrein bestaat uit veel bergen en is moeilijk toegankelijk, ideaal voor de Taliban. Pas in augustus 2005 begon het Afghaanse leger een tegenoffensief. Met behulp van Amerikaanse troepen vielen zij de posities van de Taliban aan. Aan die zijde vielen 124 slachtoffers.

2006[bewerken]

Vanaf januari 2006 begon een internationale troepenmacht van de ISAF de Amerikaanse troepen in het zuiden van Afghanistan te vervangen. De harde kern werd gevormd door de Britten (3300 militairen), terwijl ook Canada (2.300), Nederland (1963), Australië (300), Denemarken (129) en Estland (150) steun leverden. Het Verenigd Koninkrijk nam de leiding in de provincie Helmand, Nederland in Uruzgan en Canada rondom Kandahar.

ISAF ondernam actie om de Taliban te verdrijven uit veel van de gebieden waar zij zich langzaam aan weer gevestigd hadden. In 2006 kwam het tot de meest bloedige gevechten in de oorlog sinds de inname van Afghanistan door de Amerikanen. Nederlandse en Australische troepen lanceerden een offensief om de Taliban uit Chora en Baluchi te verdrijven.Onder de naam Operatie Medusa ging het Canadese leger in september 2006 in de aanval. Zij zuiverden de stad Panjwaye, dertig kilometer ten westen van Kandahar, van Talibanstrijders . Twaalf Canadese soldaten verloren daarbij het leven. Aan de kant van de Taliban vielen meer dan vijfhonderd doden. Italiaanse en Spaanse commando's elimineerde in diezelfde tijd minimaal zeventig Talibanleden bij de zuivering van de districten Bala Buluk en Pusht-i-Rod.

Ook op andere plaatsen werd in de tweede helft van 2006 hard gevochten. De NAVO behaalde geen definitieve overwinning op de Taliban, maar ontzegde de Taliban wel de toegang tot een aantal belangrijke gebieden in Afghanistan.

2007[bewerken]

In januari en februari van het jaar 2007 lanceerden de Britse Royal Marines Operatie Volcano ten noorden Kajaki om verschillende vuurpunten van de Taliban te verwijderen. De Britse regering breidde het aantal militairen uit tot 7.700. Ook de regering van George W. Bush stuurde 3.500 extra manschappen.

Het jaar werd gekenmerkt door een aantal incidenten waar veel onschuldige burgerslachtoffers bij vielen. Op 4 maart doodde Amerikaanse mariniers 12 burgers in de provincie Nangarhar in reactie op een bermbom. De eenheid werd gevraagd om het land te verlaten omdat het incident de relaties met de plaatselijke bevolking te veel had beschadigd. Op 16 augustus doodde Poolse soldaten acht burgers, waaronder een zwangere vrouw en een baby, tijdens een beschieting van het dorp Nangar Kei in Paktika. Zeven Polen werden aangeklaagd voor oorlogsmisdaden.

De Taliban vielen op 15 juni een aantal politieposten aan in de stad Chora, vlakbij de Nederlandse legerbasis Tarin Kowt. Samen met Australische en Afghaanse troepen vochten de Nederlanders in de daaropvolgende dagen om het behoud van de stad. Na drie dagen trokken de Taliban zich terug. Aan hun zijde vielen ongeveer zeventig doden, aan Nederlandse zijde sneuvelden tijdens de Slag bij Chora twee man.

Tijdens gevechten tussen de Taliban en Amerikaanse troepen rond Helmand op 28 oktober werden er 80 Taliban gedood. In diezelfde tijd omsingelden Canadese militairen rondom Arghandab meer dan driehonderd opstandelingen, waarvan er minstens vijftig omkwamen. Daarmee zou een aanval op Kandahar zijn voorkomen. Verdere schade was er voor de Taliban toen topman Mawlawi Abdul Manan gedood werd door Afghaanse veiligheidstroepen toen hij het land via de grens met Pakistan probeerde binnen te komen.

Het totale aantal Talibanstrijders schatte analisten op ongeveer tienduizend. Twee- tot drieduizend daarvan waren zeer gemotiveerd, terwijl de rest grotendeels bestond uit jonge Afghaanse mannen die boos waren vanwege bombardement of gewoon geld wilden verdienen.

2008[bewerken]

President Bush besloot in 2008 om het aantal troepen in Afghanistan fors uit te breiden, een zogenaamde surge. Het aantal Amerikaanse troepen steeg van 28.607 soldaten aan het begin van het jaar tot 48.250 manschappen halverwege juni, een stijging van meer dan 80 procent. De Amerikaanse regering besloot hiertoe vanwege het toenemende geweld van de Taliban. 2008 was voor de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en verschillende andere landen het meest dodelijke jaar in de oorlog tot dan toe.

De Taliban vernederden de NAVO en de beweging toonde haar kracht in juni 2008, toen zij de gevangenis in Kandahar overviel en twaalfhonderd gevangenen, waaronder vierhonderd Talibanleden, bevrijdde. Een maand later lanceerden de Taliban een grote aanval op de afgelegen NAVO-basis in Wana in de provincie Kunar. In diezelfde maand werden 90 burgers gedood bij een luchtaanval. De aanval was gericht op een Taliban-commandant.

Uitbreiding van de oorlog naar Pakistaans grondgebied[bewerken]

De oorlog breidde zich op 3 september voor de eerste keer uit naar Pakistaans grondgebied. Amerikaanse commando's landden per helikopter en vielen drie huizen aan in een stad waar de Taliban konden rekenen op veel steun van de plaatselijke bevolking. Volgens die bevolking waren de meeste doden normale burgers.

Het Pakistaanse ministerie van Buitenlandse Zaken reageerde woedend op de aanval. Als reactie zette de Pakistaanse regering de levering van goederen naar de geallieerde troepen in Afghanistan stil. Ook stelde de regering dat het Pakistaanse leger de opdracht had te schieten op elke buitenlandse militair die zonder toestemming voet op Pakistaanse bodem zou zetten. In september werd er zelfs op twee helikopters van de ISAF geschoten die zich boven Pakistaans grondgebied zouden hebben bevonden. Vanaf november begonnen de Taliban ook met aanvallen op NAVO-konvooien en bevoorradingscentra in Pakistan. Verder kwam naar buiten dat verschillende Afghaanse transportbedrijven beschermingsgeld betaalden aan de Taliban.

2009[bewerken]

Extra troepen naar Afghanistan[bewerken]

President Barack Obama kondigde in de tweede maand van zijn presidentschap aan dat er zeventien duizend manschappen extra als versterking naar Afghanistan zouden worden gestuurd. Generaal David McKiernan, de Amerikaanse opperbevelhebber in Afghanistan, had zelfs om dertigduizend extra troepen gevraagd. Die extra troepen kwamen er uiteindelijk ook toen president Obama in december 2009 aankondigde nog eens dertigduizend militairen naar het Aziatische land te sturen. De Afghaanse president Hamid Karzai had de Amerikaanse regering juist opgeroepen om de onderhandelingen met de Taliban aan te gaan.

Bevoorrading via Centraal-Azië[bewerken]

In reactie op het toenemende geweld tegen de ISAF-bevoorradingslijnen in Pakistan zochten de Verenigde Staten toenadering tot Rusland en verschillende republieken in Centraal-Azië. Generaal David Petraeus bezocht de de regio in januari 2009. Het eerste konvooi stak een maand later via Termez in Oezbekistan de grens over.

Veel burgerdoden bij luchtaanval op gekaapte trucs[bewerken]

Op 4 september bombardeerden Amerikaanse vliegtuigen op verzoek van Duitse troepen in de provincie Kunduz twee tankwagens die de Taliban gekaapt hadden. De kapers waren net bezig de lokale bevolking van benzine te omzien toen de aanval plaats vond. Bij de aanval verloor een groot aantal mensen het leven. Schattingen lopen uiteen van 56 tot 179. In Duitsland traden twee ministers en een staatssecretaris af, omdat zij geprobeerd zouden hebben het grote aantal burgerdoden te verbloemen.

Afghaanse presidentsverkiezingen[bewerken]

Uit Amerikaanse rapporten bleek dat de Taliban gegroeid waren tot bijna vijfentwintigduizend soldaten, ongeveer hetzelfde aantal als rond 11 september. Het aantal gewelddadige incidenten was in twee jaar tijd met driehonderd procent toegenomen. De terroristische organisatie dreigde een geslaagde presidentsverkiezing op 20 augustus onmogelijk te maken. ISAF nam zware veiligheidsmaatregelen.

Uiteindelijk slaagden de Taliban niet in hun opzet, ook al vielen er minstens 23 doden. De verkiezingen werden met 54 procent van de stemmen gewonnen door Hamid Karzai ten opzichte van zijn concurrent Abdullah Abdullah. Achteraf bleek er op grote schaal gefraudeerd te zijn in het voordeel van Karzai.

Aanslag op Camp Chapman[bewerken]

De CIA kreeg een zware klap te voortduren toen zeven agenten het leven verloren bij een aanslag op Camp Chapman. Zij zouden een ontmoeting hebben met een belangrijke informant. Deze liet echter een bom afgaan op het moment dat hij gefouilleerd zou worden.

2010[bewerken]

Volgens de Afghaanse regering werden er in heel 2010 bijna 900 Talibanleden gedood in verschillende acties. Veel meer coalitiesoldaten verloren het leven of ledematen door de verhoogde inzet van bermbommen. Vanaf mei 2010 begonnen de coalitietroepen gerichter jacht te maken op Talibanleiders afkomstig uit het lagere- en middenkader. Een jaar later waren volgens het Amerikaanse leger bijna duizend van die leiders gedood of gevangen genomen.

De regering van president Obama ging verder met de uitbreiding van het aantal soldaten in Afghanistan. Voor de eerste keer sinds 2003 overtrof het aantal militairen in Afghanistan het aantal soldaten in Irak. De CIA breidde ook het aantal missies met onbemande vliegtuigen, de zogeheten drones, uit. Er vonden tweemaal zoveel aanvallen plaats als een jaar eerder. Een aantal aanvallen waren ook gericht op doelen in Pakistan.

De website WikiLeaks lekte op 25 juli 2010 bijna honderdduizend geclassificeerde documenten die afkomstig waren van de Amerikaanse overheid. Onderdeel daarvan waren rapporten van het leger en de geheime dienst. In sommige gevallen bleek dat de Verenigde Staten bij verschillende incidenten de hoogte van het aantal burgerdoden probeerde te verbloemen. Verder bevatten de gelekte documenten informatie over de samenwerking tussen de Pakistaanse geheime dienst ISI en de Taliban. Volgens het Duitse opinieblad Der Spiegel was de ISI de belangrijkste bondgenoot van de Taliban buiten Afghanistan.

De spanningen tussen de Verenigde Staten en Pakistan liepen verder op toen een Amerikaans vliegtuig om onduidelijke redenen het vuur opende op twee door Pakistaanse soldaten bemande grensposten. In reactie besloot Pakistan de belangrijke grenspost bij Torkham dicht te gooien. De Pakistaanse Taliban vielen verschillende NAVO-konvooien aan, doodde meerdere van de chauffeurs en vernietigden ongeveer honderd trucks.

2011[bewerken]

Slag om Kandahar[bewerken]

De Taliban lanceerden op 7 mei 2011 een grote aanval op een aantal overheidsgebouwen in Kandahar. Verschillende locaties, waaronder het huis van de gouverneur en het huis van de burgemeester, een drietal politiestations en een middelbare school, werden aangevallen. De gevechten duurden twee dagen en het waren de meest heftige gevechten sinds de val van Kandahar in 2001.

Dood van Osama bin Laden[bewerken]

President Obama kondigde op 2 mei de dood aan van Osama bin Laden. De leider van Al Qaida had zich meerdere jaren verborgen in een villa in de stad Abbottabad in Pakistan. Amerikaanse commando's troffen hem daar aan bij een gerichte actie.

Troepenterugtrekking[bewerken]

De Amerikaanse regering liet in juni 2011 weten dat de omvang van de Amerikaanse troepenmacht aan het einde van het jaar met tienduizend moest zijn ingekrompen. In de zomer van 2011 moesten nog eens drieëntwintig duizend soldaten het land hebben verlaten. Een maand later vertrokken de laatste Canadese militairen. Ook landen als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, België en Noorwegen begonnen aan de afbouw van hun aanwezigheid in Afghanistan.

Aanval op Pakistaanse legergroep[bewerken]

ISAF-troepen vielen op 26 november bij vergissing een Pakistaans legergroep aan. Daarbij raakten 24 Pakistaanse militairen het leven kwijt. De Pakistaanse regering besloot de bevoorrading aan de NAVO-legers stop te zetten en gaf opdracht om de luchtmachtbasis Shamsi Airfield aan te vallen.

2012[bewerken]

Nationale Coalitie[bewerken]

Aan het einde van 2011 vormden Ahmad Zia Massoud, Abdul Rashid Dostum en Haji Mohammad Mohaqiq gezamenlijk het Nationale Front van Afghanistan. Deze stap werd door analisten gezien om de militaire tak van de Noordelijke Alliantie te hervormen om te voorkomen dat de Taliban opnieuw zou terugkeren aan de macht. Ook de verschillende politieke fracties trokken weer naar elkaar toe en verenigden zich in de Nationale Coalitie van Afghanistan. Onder het leiderschap van Abdullah Abdullah groeide de Coalitie uit tot de belangrijkste oppositiepartij in het parlement.

Incidenten[bewerken]

Gedurende het jaar waren er verschillende incidenten die de reputatie van de Amerikanen onder de Afghanen ernstig schaadde. Zo kwamen er foto's naar buiten waar Amerikaanse soldaten poseren met lichaamsdelen van gedode Afghanen. Verder was er een video te zien van een zingende Amerikaanse helikoptercrew ("Bye-bye Miss American Pie") vlak voordat zij het vuur openden op een groep Afghanen. De verbranding van verschillende Korans in februari 2012 op de Amerikaanse luchtmachtbasis Bagram Air Base zorgde voor een woede-uitbarsting onder de Afghanen. In de week daarna verloren dertig mensen het leven. De Korans werden gebruikt door Taliban-gevangenen en werden door de Amerikanen samen met verschillende andere voorwerpen verbrand.

Terugtrekstrategie[bewerken]

Leiders van de NAVO-landen adopteerden tijdens een conferentie in Chicago in mei 2012 een terugtrekstrategie. Alle gevechtsmissies zouden tegen 2013 in handen moeten komen te liggen van het Afghaanse leger. Het grootse deel van de NAVO-troepen zou tegen het einde van 2014 weg moeten zijn. Er zou een nieuwe NAVO-missie worden opgetuigd om de Afghaanse strijdkrachten verder op te leiden en te adviseren. De Afghaanse president Hamid Karzai sloot in mei 2012 een strategische akkoord met president Obama. Daarin was een raamwerk opgenomen over de relatie tussen beide landen op de lange termijn na het terugtrekken van de Verenigde Staten.

Aantal gesneuvelde militairen sinds 2001[bewerken]

Land Aantal gesneuvelde militairen[5]
Albanië 1
Australië 39
België 1
Canada 158
Denemarken 43
Duitsland 53
Estland 9
Finland 4
Frankrijk 86
Georgië 17
Hongarije 7
Italië 47
Jordanië 2
Letland 3
Litouwen 1
Nederland 26
Nieuw-Zeeland 11
Noorwegen 10
Polen 36
Portugal 2
Roemenië 19
Spanje 34
Tsjechië 5
Turkije 14
Verenigd Koninkrijk 441
Verenigde Staten 2200
Zuid-Korea 1
Zweden 5
Totaal 3284

Bron: iCasuallties[6]

Gesneuvelde en zwaargewonde Afghaanse militairen[bewerken]

Geschatte aantal gesneuvelde Afghaanse militairen in juli 2004: 10265

Geschatte aantal zwaargewonden Afghaanse militairen in juli 2004: 100256

Zie ook[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Voor de Nederlandse deelname aan de internationale troepenmacht in Afghanistan, zie Task Force Uruzgan

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties