Expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Oorlog in Bandjermasin)
Ga naar: navigatie, zoeken
Expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo
Z.M. Stoomschip Celebes in gevecht met een Kota Mara op 6 augustus 1859
Z.M. Stoomschip Celebes in gevecht met een Kota Mara op 6 augustus 1859
Datum 1859 - 1863
Locatie Sultanaat Borneo
Resultaat Overwinning van Nederland
Casus belli Opstanden tegen het Nederlandse gouvernement
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svg Nederland Sultanaat Borneo
Commandanten
Prinsenvlag.svg Kolonel A.J. Andresen, luitenant-kolonel G.M. Verspyck Deel van de bevolking
Het Nederlandse gouvernement had onvoldoende inzicht getoond in het bestuur van Borneo, waardoor er opstanden uitbraken en massale moordpartijen op Europese burgers plaatsvonden; hierdoor moest het gouvernement uiteindelijk gewapend ingrijpen
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De Expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo (1859-1863) was een expeditie ter herstel van het Nederlandse gezag in de residentie Zuider- en Oosterafdeling van Borneo in Nederlands-Indië.

Inleiding[bewerken]

Al eeuwen lang (vanaf 1606) waren er contacten met het eiland Borneo en het sultanaat Bandjermasin via de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Meerdere schermutselingen vonden plaats, onder meer omdat gesloten contracten (in 1635 werd het eerste contract gesloten) niet werden nageleefd. Het betrof meestal contracten over peperleveranties. Een enkel voorbeeld van een dergelijke gewapend conflict was de moord op 64 Hollanders en 21 Japanners te Kota Waringin (Bandjermasin) in 1638. In 1809 besloot Daendels Bandjermasin te verlaten (een te grote kostenpost) en in 1811 vestigden de Engelsen zich hier. In 1816 vertrokken de Engelsen en in december van datzelfde jaar keerden de Nederlanders terug en sloten een nieuw contract met de sultan. In januari werd de sultansvlag vervangen door de Nederlandse. De jaren hierop kenmerkten zich door meerdere (kleine) opstanden. Meerdere contracten met de sultans werden verder ingevuld.

Toen in 1852 de prins-troonopvolger stierf, verhief het Nederlands-Indische gouvernement diens onechte zoon Tamjied Illah-II tot troonopvolger en rijksbestuurder. Tevergeefs werd in 1853 door Sultan Adam en vele rijksgroten een gezantschap naar Batavia gezonden, om de regering te smeken dit onrecht te herstellen en Hidayat Ullah, de jongere maar wettige zoon van de overleden kroonprins als troonopvolger te erkennen. Sultan Adam overleed in 1857 en werd opgevolgd door Tamjied Illah (zijn onwettige kleinzoon). Er ontspon zich een strijd om de macht tussen Tamjied Illah en Hidayat Ullah en die verdeelde ook de bevolking, die achter Hidayat Ullah stond en het Nederlandse gouvernement de benoeming van Tamjied Illah zeer kwalijk nam. De resident was niet voor zijn taak berekend en onderschatte de voortekenen van een naderende opstand. Het verzet van de bevolking richtte zich al snel tegen het Nederlandse gezag en begon de vorm aan te nemen van een godsdienstoorlog. De vrees en onmacht van Tamjied Illah waren er de oorzaak van dat de onlusten grote afmetingen aannamen, waarop de regering ingreep, kolonel Andresen naar Bandjermasin stuurde, die daar op 29 april 1859 debarkeerde en het militaire commando overnam. Op 1 mei schorste hij resident Van Bentheim en nam tevens het civiele bestuur op zich.

Verloop van de oorlog onder Andresen[bewerken]

Belegering van de post van luitenant Beeckman[bewerken]

Kraton van de sultan te Bandjermasin

Intussen was er een aantal moorden op Europeanen gepleegd. Op de derde april 1859 was het personeel van de kolenmijnen Julia Hermina en Gunung Jabak gedood en waren de etablissementen vernield. Mannen, vrouwen en kinderen werden vermoord door moslim priesters en hun volgelingen. Hierna volgde de slachting van zendelingen (12 mannen, vrouwen en kinderen). Een afdeling van het Nederlands-Indisch leger onder leiding van luitenant Beeckman werd te Pengaron ingesloten en wekenlang belegerd door de opstandelingen (7 april tot 18 juni 1859). Beeckman probeerde de post zo goed mogelijk te versterken en wist een aanval van de muiters af te slaan maar zijn toestand werd hachelijk omdat de matrozen van de laadprauwen, die een klein deel van de bezetting uitmaakten, deserteerden en de opstandelingen het slachtvee hadden weggevoerd, zodat gebrek ontstond. Officier van gezondheid Diepenbroek was door een kettingganger vermoord en een bode, naar de militaire commandant te Bandjer gezonden, was de vijand in handen gevallen. Inmiddels werd wel een nieuwe nachtelijke aanval door de waakzame bezetting afgeslagen, maar er zouden ruim zes weken verlopen, vóórdat zij uit haar benarde positie zou worden verlost. Pas op 15 juni kwamen 250 man met enige artillerie en genietroepen Pengaron te hulp en werden de manschappen ontzet.

Overige gebeurtenissen in 1859[bewerken]

In de eerste dagen van de maand juni waren aangekomen: 5 compagnieën van het negende bataljon infanterie, 43 artilleristen met 4 bronzen kanonnen, 2 houwitsers, 2 mortieren en een halve compagnie sappeurs. Intussen was kolonel Andresen benoemd tot opperbevelhebber en gouvernementscommissaris en de resident vervangen door de heer Bosch. Hidayat bevond zich te Martapoera en kolonel Andresen was van mening dat de vrede spoedig zou worden hersteld, wanneer Tamdjid als sultan plaats zou maken voor Hidayat, die werkelijk meer rechten op de troon kon doen gelden en door het volk begeerd werd. Om met deze pangerang contact op te nemen besloot Andresen naar Martapoera op te rukken, nadat Bandjermasin in staat van beleg was verklaard. Men vernam dat de pangerang Antassari, die eveneens de sultanstitel claimde, met 3.000 man de Kraton te Martapoera bezet had. Zonder tegenstand te ontmoeten nam de voortroep van de Nederlandse krijgsmacht die Kraton in bezit, terwijl de hoofdtroep in de nabijheid bivakkeerde. Hoewel Hidayat de hoofdschuldige van de gruwelen in Kalangan moest zijn, waar ongeveer twintig mannen, vrouwen en kinderen wreed waren vermoord, bleef Andresen bij zijn voornemen om Hidayat tot de troon te doen verheffen wanneer deze onschuldig aan de gruweldaad zou blijken te zijn en deze verzekerde dan ook dat hij er geen deel aan had gehad. Hij kwam echter niet opdagen bij ontmoetingen, door Andresen georganiseerd en bleef deze wantrouwen. Op 25 juni deed de regerende sultan afstand van de troon maar aan de ongeregeldheden kwam geen einde.

Fort te Tabanio

Het zoutpakhuis te Poeloe Petak, aan de rivier, iets hoger dan de kampong gelegen, was door luitenant Bichon met 60 man bezet en zo goed mogelijk in staat van verdediging gebracht. Nadat in de omtrek schermutselingen plaats hadden gehad, waarbij de Montrado op de rivier de Nederlandse troepen ondersteunde, werd in de nacht van 23 op 24 augustus door de vijand een aanval op Poeloe Petak gedaan en luitenant Bichon door een lansaanval dodelijk gewond. De aanvallers werden teruggeworpen en luitenant-ter-zee Clifford Kocq van Breugel nam tijdelijk het bevel over. Demang Lehman, een tegenstander die al snel de ziel van de opstand zou worden, beproefde een aanval op het Nederlandse hoofdkwartier te Martapoera. Op 30 augustus, in de namiddag, rukte hij onverwachts met bijna 1.000 Dajaks op naar de Kraton en wist hij in de versterking door te dringen; het toeval wilde dat er wapeninspectie werd gehouden en de troepen dus aangetreden stonden. Zo werd de aanval dus afgeslagen, hoewel de muiters, die de poort hadden opengelopen, reeds waren doorgedrongen tot de woning van overste Boon van Ostade.

De stoutmoedigheid van de opstandelingen, die overal bentings opwierpen, nam toe en zij bezetten het fort te Tabanio, dat in 1854 door de Nederlandse troepen was ontruimd. Om de vijand daaruit te verdrijven en tevens om de gevaarlijke Demang Lehman in handen te krijgen, werd kapitein-luitenant ter zee van Hasselt met de Ardjoeno, Montrado, Celebes, Onrust en Boni daarheen gezonden; een detachement van 70 man infanterie werd hem ter beschikking gesteld. Het fort werd ontzet maar de muiters wisten te ontsnappen. Intussen werden de omstreken van Martapoera, het Nederlandse hoofdkwartier, van vijanden gezuiverd; hoewel de muiters overal werden verslagen verminderde hun overmoed niet; Lehman en zijn manschappen legden zich in hinderlaag en beschoten de residentsprauw, waarin de opperbevelhebber zich bevond, toen deze een verkenning naar Bandjermasin had gedaan. Andresen bleef nog steeds bij de tot dan gevolgde politiek en zijn hoop vestigen op Hidayat; de onttroning van sultan Tamdjid had niet aan het doel beantwoord en Hidayat bleef weigerachtig zich naar Martapoera te begeven. Men besefte te Batavia dat er met meer doortastendheid moest worden opgetreden tegen de eigenlijke leider van de opstand en daarom werd Andresen vervangen door majoor Verspyck, die benoemd werd tot opperbevelhebber en waarnemend resident; de heer Nieuwenhuijzen werd hem aangewezen als gouvernementscommissaris voor de Bandjerse aangelegenheden.

Verloop van de oorlog onder Verspyck[bewerken]

Moengoe Thayor

Inname van Moengo Thayor[bewerken]

Verspyck was meer voor een krachtig optreden en besloot Taneh Laut te onderwerpen en verder naar het verderop in het binnenland gelegen Amoenthay op te rukken om zich meester te maken van Hidayat. Zonder de aankomst van een versterking van een half bataljon infanterie en een sectie artillerie af te wachten was hij de operaties begonnen. De opstandelingen hadden zich verenigd te Soengkey, en kapitein Benschop werd daarheen gezonden met een colonne, die zich daar met een andere, onder bevel van kapitein Graas, verenigde. Terwijl de colonnes samen verder gingen werden zij bij Moening in een hinderlaag overvallen door een aantal Dajaks, maar de orde was al snel hersteld en de vijand werd op de vlucht gedreven. Men vernam dat de vijand bij Moening, bij de heuvel Moengoe Thayor, een zo sterke benting had gebouwd dat deze tegen elke aanval bestand heette te zijn. Demang Lehman, Amin Oellah en andere hoofden waren er, volgens de berichten, met 2.000 gewapenden verenigd. Daarbij zou Lehman de nadering van de troepen beletten en thans had de gehele bevolking de wapens opgenomen en een dure eed gezworen die in het bloed des vijands te heiligen. Verspyck achtte het raadzaam de wapens tegen deze geduchte versterking op te nemen en de operaties werden door hemzelf geleid.

Op 28 december stelde een colonne van 200 man infanterie en sappeurs, met 2 vuurmonden en 3 mortieren zich in beweging naar Soenkey, waar een bivak betrokken werd. De volgende morgen kwam men voor een benting van een gebastioneerde vorm, gelegen op de heuvel Moengoe Thayor, aan de voet waarvan een riviertje stroomde. Toen dit werd overtrokken openden de opstandelingen het vuur, dat beantwoord werd door de artillerie. Nadat de aanval door dit vuur was ingeleid en het vijandelijke geschut tot zwijgen was gebracht ging kapitein Graas met zijn compagnie tot de bestorming over, terwijl de luitenants Verstege en Epke met hun pelotons een omtrekkende beweging maakten, die de vijand dwong de benting te ontruimen. Aanvankelijk was Moengoe Thayor door 200 man bezet geweest; de voornaamste aanvoerders waren daarbuiten in de kampong gebleven om de bewoners tegen de Nederlandse troepen te wapenen. De 30ste deed Verspyck een verkenning met 80 man en een vuurmond maar hevige regen had de beekjes en rivieren opgezet en de grond doorweekt; het terrein was zo onbegaanbaar dat men moest terugkeren; de volgende dag werd kapitein Schiff met 100 man en een drieponder op verkenning gezonden, en wist, voortdurend door de vijand bestookt, door te dringen tot Benoea Padang en verdreef de bende van Lehman. De benting van Moengoe Thayor werd van twee bastions voorzien en voor logies ingericht.

De ondergang van de Onrust[bewerken]

De Onrust voor Lontontoeor

Een noodlottige gebeurtenis zou aan het Nederlandse prestige een gevoelige slag toebrengen. Antassari had Amoenthay verlaten en bevond zich bij zijn bloedverwant Soerapati, hoofd van de Boven-Doesoen, die naar het heette aan het gouvernement trouw was gebleven, maar nu met Antassari Bandjermasin bedreigde. Luitenant C. Bangert, die als onderhandelaar hadji Mohamed Taïb was toegevoegd, werd met de Onrust naar de Taweh gezonden om zich op de hoogte te stellen van de toestand en Soerapati tot uitlevering van Antassari te bewegen. Soerapati werd vriendelijk op het stoomschip ontvangen, maar hij deed met zijn volgelingen aan boord een zo verraderlijke aanval, dat officieren en bemanning, niet in staat weerstand te bieden, allen werden vermoord. Genoemde hadji wist aan de slachting te ontkomen en alleen hij kon verslag doen; volgens hem gaf Soerapati na een vriendelijk onthaal luitenant Bangert ineens een slag met de klewang en begon de ongewapende officieren af te maken, samen met de rest van de gasten. Op het geroep van de amokmakers kwam een grote prauw snel naar de Onrust toe, enterde het en 60 man sprong aan boord en vervolgde het bloedbad. Andere prauwen volgden en in een ogenblik bevonden zich zes à zevenhonderd man aan boord die het schip naar hartenlust plunderden. Na het plunderen wisten nog vijf Europeanen, die verscholen hadden gezeten, in het water te springen maar ook zij werden afgemaakt en weer later begon het schip te zinken. Vermoord waren luitenant ter zee Van de Velde, luitenant Bangert, de luitenants ter zee tweede klasse Van Pestel, van der Kop en Braam, officier van gezondheid Dilg, adjunctadministrateur Waldeck en 43 minderen. Alles wees op een vooraf beraamde aanval.

Chinese wijk te Bandjermasin in 1862

Dit was een ontzettende ramp, die ook in Nederland grote verslagenheid te weeg bracht en tevens liet zien hoe vijandig de geest van de bevolking was. Ten overvloede moest de vergelding voorlopig achterwege blijven maar in het begin van het jaar daarop, 1860, kon daartoe worden overgegaan. Er werd een marine-expeditie gevormd, bestaande uit de derde en zesde compagnie van het zevende bataljon, enige artillerie en genie-troepen; de maritieme macht bestond uit de Boni, de Suriname, een barkas en 3 ijzeren laadboten. Het verraad van Soerapati eist een bloedige wraak, zo sprak Verspyck, het bloed van uw vermoorde makkers kan slechts door het bloed der moordenaars afgewassen worden; de straf moet zijn als de misdaad, hevig, indrukwekkend. Niet voor 9 februari kwam de expeditie voor Lontontoeor aan; de muiters hadden de gelegenheid gehad zich op tegenstand voor te bereiden en een veldwerk opgeworpen, waarin de 30-ponder van het gezonken stoomschip, door de mannen van Soerapati aan wal gebracht, was opgesteld, en zo goed werd bediend dat toen de Suriname zich tegenover bedoeld werk bevond, zij getroffen werd door een kanonskogel en daarna door een tweede die de ketels doorboorde. Zodra de infanterie aan land was besloot kapitein Ravesteijn de vijandelijke stelling te omtrekken. De vijand had geen ernstige verliezen omdat zij daar geen stand hield en de bestraffing was dus niet bepaald gevoelig. Van de Onrust zelf werd niets meer aangetroffen.

Verdere krijgsverrichtingen in het jaar 1860[bewerken]

Samenvloeiing aan de Kapoeas

Door het bezetten van de verschillende posten werd de strijdmacht, waarover Verspyck kon beschikken, versnipperd; mede ook door de vele zieken, zodat hij geen troepen overhield om de operaties te vervolgen. Daarop werd door hem opnieuw versterking aangevraagd en in het begin van 1860 werd Poeloe Kanamit veroverd en Barabei-ie bezet; mede te Baleh en aan de Kahayan werden posten opgericht. Meer en meer werd de tegenstand gebroken. Lehman en Antassari, wiens benden verlopen waren, moesten zich schuil houden. Het bleek dat zij zich bij Hidayat in de bergstreek bij Ambawang schuil hielden en van daar uit een guerrillakrijg trachtten te voeren, maar nauwelijks was Verspyck er heen gegaan of er kwam ook hier een einde aan het verzet, zodat hij spoedig kon terugkeren naar Bandjer, Koch met een detachement achterlatend. Verspyck achtte nu de toestand van die aard dat kon worden overgegaan tot het verdelen van het gebied in militaire commandementen. Bandjermasin nam hij onder eigen bestuur; aan het hoofd van de overige afdelingen werden majoor Koch en kapitein Van Oijen gesteld; later zou het civiel bestuur worden ingevoerd. Het volk werd per proclamatie bekendgemaakt dat het zelfbestierende Rijk van Bandjermasin had opgehouden te bestaan en voortaan zou ressorteren onder direct gebied van Nederlands-Indië in de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo. De priesters wisten echter het volk tot een religieuze oorlog op te zwepen en onverwachts barstte in het hart van Bandjermasin de opstand weer uit.

Nadat het halve dertiende bataljon van Java was gekomen rukte Verspyck op naar het bedreigde Martapoera. Het gevolg van dit optreden was dat de wapens ingeleverd werden en de eed van getrouwheid aan het gouvernement hernieuwd. Echter Hidayat, wiens aanstelling tot sultan reeds door gouverneur-generaal Pahud getekend was werd verbitterd door de inlijving van Bandjermasin bij de Nederlands-Indische bezittingen; ook Antassari en andere rijksgroten zagen nu alleen heil in een strijd tot het uiterste, waarbij men de priester in de arm nam. Zo stond alles weer in vuur en vlam en was het verzet hardnekkiger dan ooit tevoren; met veel moeite werd een zware redoute te Goenong Madang genomen door majoor Koch en een poging om de bezetting van Tabalong te overvallen werd door kapitein van Oijen verijdeld. Omdat hadji Amdoellah dit plan beraamd had werd aan luitenant Van Emde bevel gegeven deze te arresteren. Deze begaf zich met een detachement naar de woning van de hadji, waar bleek dat de hadji zei ziek te zijn en bereid was zich naar Amoenthay te laten overbrengen. Luitenant Verspyck en Van der Wijck omsingelden het huis maar Abdoellah maakte plotseling amok en de inlanders wierpen zich op de soldaten. Er volgde een verschrikkelijke worsteling; drie manschappen werden gedood en elf zwaargewond; luitenant Van Emde werd nog naar Amoenthay gebracht en overleed aldaar aan zijn zware verwondingen. Als ergens een gedeelte tot onderwerping was gebracht dan werd daar een post gevestigd om te voorkomen dat weer naar de wapens gegrepen zou worden. Het gevechtsterrein was meestal bedekt met een moerassig woud, doorsneden met talrijke stromen, zodat de krijg veel inspanning vergde van de troepen.

Krijgsverrichtingen in het jaar 1861[bewerken]

Strijd om Goenong Tongka

In 1861 was men Hidayat dicht genaderd; meerdere malen mislukte een tocht van de Nederlandse troepen echter en moesten zij onverrichter zake terugkeren, lijdend aan koorts en dysenterie. De Veer de Rochemont wist een groot voordeel te behalen door het bestormen van enkele bentings in Batoe Poetih. Men had hier te doen gehad met medeplichtigen aan het verraad op de Onrust omdat er in de bentings voorwerpen werden gevonden die uit het schip afkomstig waren. Op 13 september werd door de regent te Martapoera een schrijven ontvangen van Demang Lehman met zijn zegel, waarin hij vergiffenis vroeg. Er werd een afspraak gemaakt te Martapoera maar Lehman verscheen niet en kort daarop viel hij Taneh Laut weer aan, zodat troepen gezonden moesten worden. Nu werden de wapens gekeerd tegen Antassari, die zich te Goenoeng Tongka bevond. Tot commandant van de expeditie benoemde Verspyck kapitein Van Vloten te Ampah. Toen op 25 september kapitein De Roy van Zuijdewijn met manschappen en artillerie aldaar was aangekomen rukte Van Vloten op naar Ramonia (Tandjong Allang) waar zich twee vijandelijke werken bevonden. Van Vloten gaf bevel aan kapitein Labaar om met de voorwacht de grote benting links om te trekken, eerste luitenant Schade van Westrum moest met 40 man de rivier overgaan en een kleinere versterking rechts omtrekken; luitenant van der Hoek ontving een dodelijk schot in de borst; in een korte tijd had de colonne 2 doden, 8 zwaar- en 12 lichtgewonden en de goedgedekte vijand bleef vanuit zijn schietgaten in de borstwering zijn hevig vuur onderhouden. 's Nachts ontruimde de vijand haar stellingen en kon Ramoina genomen worden. Met name officier van gezondheid Luchtmans kreeg veel lof omdat hij onder het hevig vuur met veel kalmte de gewonden had verbonden.

Met twee colonnes werd vervolgens opgerukt naar Goenong Tongka, waarna men de eerste zware tegenstand ondervond bij kampong Pelarie. In de mening dat de versterking op de 200 meter hoge heuvel Tongka niet sterk bezet was besloot Van Vloten dadelijk de bestorming te beproeven, maar werd tegengehouden door een zware randjoebeplanting. De vijand opende het vuur en Van Vloten werd getroffen door een van de eerste schoten. De Roy van Zuijdewijn werd gewaarschuwd en trof Van Vloten stervend aan. Zeg aan majoor Verspyck dat ik als een braaf soldaat gevallen ben waren zijn laatste woorden.[1] De volgende morgen bleek hervatting van de operaties onnodig omdat de vijand 's nachts de benting verlaten had. Na de val van Antassari's onneembaar geachte sterkte verspreidden zijn benden zich.

Krijgsverrichtingen in het jaar 1862[bewerken]

Gevecht om Goenong Tongka

Er werd een afspraak gemaakt, door tussenkomst van Antassari, dat Hidayat zich zou overgeven; deze verklaarde zich bereid aan de aan hem gestelde voorwaarden te willen voldoen. Alle stukken werden getekend maar in de nacht van 3 februari vertrok Hidayat plotseling met vrouwen en gevolg, onder invloed van Antassari, van Martapoera. Twee colonnes, onder bevel van kapitein Engel en Schepens werden gevormd om de verraderlijke demang Lehman gevangen te nemen en Hidayat terug te brengen. De maatregelen die nu genomen werden waren zo effectief dat Hidayat onmogelijk meer kon ontsnappen en de bevolking het niet waagde weer in opstand te komen; in de nacht van 23 op 24 februari ontving Verspyck een brief van Hidayat, waarin deze smeekte om vergiffenis; hij meldde zich weer en op 3 maart werd hij met de Bali met zijn bloedverwanten en onder geleide van luitenant Verstege naar Batavia gestuurd. Antassari's benden hadden zich verspreid na de val van de hoofdversterking, de muiters onder Lehman en andere hoofden werden verjaagd uit Allei en Amandit naar Petap waar zij in het gebergte trokken. Een colonne onder leiding van kapitein Van Bennekom werd daarheen gezonden en van 26-28 juni werd de vijand te Goenong Batoe en Boekit Datap met verlies verdreven en het kampement bij Langkap vernield. Nu pas kon men aannemen dat er een einde was gemaakt aan het verzet; enkele benden verontrustten daar nog de streek zonder verder aanhang bij de bevolking te vinden. Men wist Demang Lehman door verraad van zijn eigen manschappen gevangen te nemen en naar Bandjermasin over te brengen, waar hij werd veroordeeld tot de strop. Verspyck gaf op 8 maart 1863 het civiel bestuur en het bevel over de troepen over aan kolonel Happé. In het geheel lieten tijdens de strijd in Bandjermasin 204 officieren en minderen het leven, terwijl er 799 gewond werden. Ook de Marine had een werkzaam aandeel gehad in de krijgsverrichtingen.

Ooggetuigenverslag[bewerken]

Volgens soldaat Louis Lust:[2] Net wil ik de poort van het Kazernehof uitdraaien, om in de kantine de volle flessen te…bekijken en te tellen, toen luitenant Nix op mij afkomt en zegt: Lust, je moet ook mee! Ik vraag zo langs mijn neus: In de kantine, luitenant…? Neen, oude jeneververkrachter, naar Bandjermasin! roept hij. Die Lehman moesten we zien te vangen, waartoe drie colonnes uitrukten naar Pamakan. Mijn persoontje was bij de patrouille onder luitenant Terwerda, die de benting, waarin die kerel zich had opgeborgen, van de achterzijde moest aanvallen. In het voorbijgaan namen we een kleine sterkte met hetzelfde gemak, als waarmee we een pruim tabak achter de kiezen stopten, maar toen we tot de grote waren genaderd, werd ons zo’n dikke bonensoep toegediend, dat enigen der onzen er dadelijk de buik vol van hadden. Luitenant Terwerda werd ook zwaargewond. Toen zei korporaal Grimm tot me: Louis, blijf jij bij de luitenant, want er zijn misschien nog Dajakkers achter ons. Och, och, wat heeft die arme man moeten lijden! De kogel was hem midden door de maag gegaan. Eindelijk vroeg hij mij: Is er bloed bij, flankeur? Ja, luit,antwoordde ik. Dan is het gedaan, sprak hij en klemde de tanden op elkaar. De goede man heeft niet eens meer gekreund.

Pasampa was een geduchte sterkte en lag aan een rivier. Kareltje van der Heijden pakte haar van de ene – Van Puffelen van de andere kant in de rug, en wij gingen er in het front op los, toen we onze kameraden hoorden schieten. We hadden de kerels er ongenadig tussen, want ze moesten een tweegelederen vuur door. Als naar gewoonte was luitenant Hojel weer het eerste op de borstwering. Zijn hele gezicht was door de bamboedoeri opengereten en in een van zijn benen stak een rentjong. Toch sprong hij moederziel alleen tussen de Dajakkers in de benting en sloeg de kerel, die de sultansvlag droeg, tegen de grond, wat de overigen als hazen deed vluchten. Toen wij eindelijk ook boven op de borstwering kwamen, zagen we Hojel met de vlag zwaaien. Dat was een heerlijk gezicht! De officieren schudden hem allen de hand en wij riepen hoera!, toen de kapitein hem zijn Willems-Orde op de borst stak. Het was een modelofficier, die luitenant Hojel. Hij is later toch gesneuveld.

Deelnemers aan de expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo[bewerken]

Zeemacht-officieren[bewerken]

Overleden officieren[3][bewerken]

Officieren die tijdens de expeditie overleden: J.J. Bichon, tweede luitenant der infanterie (†Poeloe Petak, 23 augustus 1859 - lanswond in buik), C.F. Diepenbroek, officier der gezondheid (†Pengaron, 3 juli 1859 - vermoord door bediende), H. Gildemeester, officier der gezondheid (†Bandjermasin, 2 november 1859 - dysenterie), C. Bangert, eerste luitenant der infanterie (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), J.C.H. van de Velde, luitenant ter zee eerste klasse (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), F.L.F.K. von Pestel, luitenant ter zee tweede klasse (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), Van der Kop, luitenant ter zee tweede klasse (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), J.J. Braam, luitenant ter zee tweede klasse (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), Dilg, officier van gezondheid (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust), W.K. Waldeck, klerk der administratie (†Lontontoeor, 26 december 1859 - vermoord op de Onrust).

P. Blondeau, eerste luitenant der infanterie (Tambooy, †5 februari 1860 - overleden aan lanswonden in de borst), W.J.G. van Dam van Isselt, eerste luitenant der infanterie (†Tabedie, 22 april 1860 - overleden aan buikschot), J.M.D.T. de Jong, kapitein der infanterie (†Tana Abang, 1 mei 1860 - overleden aan twee borstwonden), V.L. Schwarts, eerste luitenant der infanterie (†Bandjermasin, 15 juli 1860 - overleden aan ontberingen), Stammler, officier van gezondheid (†Bandjermasin, 27 augustus 1860 - vermist, waarschijnlijk vermoord) - J.T.A. van Ende, eerste luitenant der infanterie (†Soengie Madang, 15 september 1860 - overleden aan diverse wonden), J. Koch, kapitein der infanterie (†Goenong Madang, 18 september 1860 - overleden aan schotwond in de borst), C.J.G. Hamming, eerste luitenant (†Goenong Madang, 23 september 1860 - overleden aan schotwond in de borst), H.M.D. Schiff, kapitein der infanterie (†Tameang Layang, 29 november 1860 - overleden aan ontberingen), S. Meijers, kapitein der infanterie (†Amoenthay, 10 april 1861 - overleden aan hartziekte), J. van der Wijck, tweede luitenant der infanterie (†Amoenthay, 4 mei 1861 - overleden door ontberingen).

J.H. Hojel, tweede luitenant der infanterie (†Boven Lampehon, 11 augustus 1861 - schot in het gelaat), T.C.H. van Vloten, kapitein der infanterie (†Tongka, 8 november 1861 - overleden door schotwond in borst), Koch, adjudant-onderofficier (†Djatoh, 6 december 1861 - diverse schotwonden),W.F.H. Voogt, eerste luitenant der infanterie (†Bepinto, 15 december 1861 - overleden door schot in kaak), M.W. Croes, tweede luitenant der infanterie (†Margasarie, 20 december 1861 - overleden door wond in hart), J. van Halderen, adjudant onderofficier (†Djatoh, 26 december 1861 - overleden aan diverse wonden), A. Kiezer, adjudant onderofficier (†Barabei-ie, 8 april 1862 - overleden aan leverziekte), S. van Puffelen, adjudant onderofficier, (†Sumban, 10 juli 1862 - overleden, waarschijnlijk vergiftigd), E. Engelhard, adjudant onderofficier (†Bandjermasin, 25 juli 1862 - overleden aan dysenterie), H.M. Vink, tweede luitenant der infanterie (†Mantallat-rivier, 6 december 1862 - verdronken) en J.C. Penning, eerste luitenant der infanterie (†Pengaron, 29 januari 1863 - overleden door ontbering).

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. W.A. van Rees. De Bandjermasinse Krijg. 1859-1863.
  2. Wat ik zo meemaakte in de Bandjermasinse oorlog. In: A. Prell. Taptoe! 1903.
  3. W.A. van Rees. De Bandjermasinse Krijg. 1859-1863. Twee delen. D.A. Thieme. Arnhem.
  • 1936. Dr. J. Eisenberger. Kroniek der Zuider -en Oosterafdeling van Borneo. Liem Hwat Sing, Bandjermasin.
  • 1892. E.B. Kielstra. De ondergang van het Bandjermasinse Rijk. Overdruk uit de Indische Gids, jaargang 1891. E.J. Brill. Leiden.
  • 1859. W.R. van Hoëvell. De expeditie tegen Boni en de ramoen van Bandjermasin. Tijdschrift voor Nederlands Indie. 21 ste jaargang
  • 1886. H.G.J.L. Meyners Bijdragen tot de geschiedenis van het Bandjermasinsche Rijk. 1863-1866. E.J. Brill. Leiden
  • 1865. W.A. van Rees. De Bandjermasinse Krijg. 1859-1863. Twee delen. D.A. Thieme. Arnhem.
  • 1867. W.A. van Rees. De Bandjermasinsche Krijg van 1859-1863 nader toegelicht. D.A. Thieme. Arnhem.
  • 1897. J.P. Schoemaker. Verhalen uit de grote en kleine oorlog in Nederlands Indië. W.P. van Stockum & Zoon. Den Haag.