Oorlogsmisdaad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Executie van gevangen tijdens de Finse burgeroorlog

Een oorlogsmisdaad of oorlogsmisdrijf is een grove schending van de wetten en gebruiken die van toepassing zijn tijdens gewapende conflicten, ook wel het internationaal humanitair recht genoemd, die aanleiding geeft tot individuele aansprakelijkheid onder internationaal recht. Formeel juridisch worden oorlogsmisdrijven onderscheiden van andere misdrijven onder internationaal strafrecht als misdaden tegen de menselijkheid, genocide en agressie (misdaad tegen de vrede). Het verschil met de eerste twee is dat het bij misdrijven tegen de menselijkheid en genocide altijd om misdrijven in een specifieke context gaat. Bij de laatste gaat het om de vraag of het voeren van oorlog gerechtvaardigd was.

Beschrijving[bewerken]

Niet elk misdrijf in oorlogsverband is een oorlogsmisdrijf. Desertie, partij kiezen voor de vijand of met hem samenwerken kunnen misdrijven zijn tegen de veiligheid van de staat. De vijand zal ze niet als misdrijven beschouwen - integendeel. In de crisissituatie die de oorlog is, worden zij vaak ook zwaar strafbaar gesteld, maar in normale omstandigheden worden zij nadien snel vergeten. Dit in tegenstelling tot oorlogsmisdaden die in het internationaal recht en in vele landen niet verjaren en die door beide partijen in de oorlog afgekeurd moeten worden. Tientallen jaren later kunnen zij nog steeds vervolgd worden.

Een oorlogsmisdadiger is, in de officiële betekenis, iemand die tijdens een oorlog of ander gewapend conflict de wetten en gebruiken van de oorlog heeft overtreden. Die wetten en gebruiken staan omschreven in internationale verdragen, zoals de Conventies van Genève.

Mensen die in het kader van een oorlog op grote schaal of op zeer ernstige wijze anderen leed hebben aangedaan, worden ook wel oorlogsmisdadigers genoemd, ook al voldoen hun misdaden strikt genomen niet aan de definitie van oorlogsmisdaden.

Oorlogsmisdadigers zullen zelf hun daden meestal niet als misdaad beschouwen.

In Nederland is sinds 1952 de Wet Oorlogsstrafrecht van kracht en sinds 2003 de Wet Internationale Misdrijven. Belangrijk kenmerk hiervan is het universaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat voor vervolging en strafbaarheid niet relevant is wat de nationaliteit van dader of slachtoffer was en op het grondgebied van welke staat het delict gepleegd werd.

In de recente Nederlandse geschiedenis zijn niet alleen oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog veroordeeld. Op 23 december 2005 werd de Nederlandse zakenman Frans van Anraat veroordeeld tot vijftien jaar celstraf, de maximale straf, wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden in Iran en Irak waar door gifgasaanvallen duizenden mensen zijn omgekomen. Toch heeft Nederland ook ongestrafte zaken, zoals het bloedbad van Rawagede in Indonesië in 1947, dat door velen als een oorlogsmisdaad wordt gezien.

Op 8 juli 2008 verwierp de Hoge Raad de cassatieverzoeken van Hesamuddin Hesam en Habibullah Jalalzoy, twee hoge officieren van de voormalige Afghaanse staatsveiligheidsdienst die in de jaren 90 in Nederland asiel hadden aangevraagd. In 2005 had de rechtbank van Den Haag beiden veroordeeld wegens het martelen van gevangenen in Afghanistan in de jaren 80 en 90 tot gevangenisstraffen van respectievelijk 12 en 9 jaar. Op 29 januari 2007 had het Gerechtshof te Den Haag de straffen bevestigd.

Volgens de door de Hoge Raad in beide zaken gewezen arresten hebben op grond van de Wet Oorlogsstrafrecht 1952 Nederlandse rechtbanken de bevoegdheid recht te spreken inzake schendingen van wetten en gebruiken inzake de oorlogvoering. Daarbij is niet van belang of het daarbij gedragingen in een al dan niet internationaal conflict betrof.

Eind december 2008 beschuldigde de Nederlandse oud-premier Van Agt de staat Israël van oorlogsmisdaden bij de militaire aanval op Gaza.

Internationaal Strafhof[bewerken]

In artikel 8 (en) van het Statuut van Rome, het verdrag waarmee in 2002 het Internationaal Strafhof is opgericht, staan de oorlogsmisdrijven vermeld waarover het hof rechtsmacht heeft. In de Engelse tekst wordt nog een verschil gemaakt in de vorm van opzet die vereist is tussen oorlogsmisdrijven gebaseerd op de Geneefse Conventies (onder 8(a)) en oorlogsmisdrijven die gebaseerd zijn op internationaal gewoonterecht (onder 8(b)). Bij die eerste voldoet reeds voorwaardelijk opzet (wilfully of dolus eventualis) terwijl bij de tweede categorie alleen volwaardig opzet volstaat (intentionally of dolus directus). Verder wordt er een verschil gemaakt tussen internationale gewapende conflicten en niet-internationale gewapende conflicten. Bij deze laatste vorm speelt alleen de plek van het conflict een rol, het doet er niet toe of er ook buitenlandse mogendheden meevechten als de grenzen van het conflict maar binnen één land zijn. Tot slot speelt bij niet-internationale conflicten ook nog een verschil in intensiteit een rol. Bij artikel 8(c) is deze lager dan bij oorlogsmisdaden gebaseerd op artikel 8(e). Bij deze moet er sprake zijn van een slepend conflict tussen regering en gewapende groeperingen, of tussen meerdere gewapende groeperingen onderling.

(1) Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van oorlogsmisdrijven in het bijzonder wanneer deze worden gepleegd als onderdeel van een plan of beleid of als onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdrijven.
(2) Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdrijven:
(a) Ernstige inbreuken op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen tegen personen of goederen die ingevolge de bepalingen van het desbetreffende Verdrag van Genève zijn beschermd:
(I) opzettelijk doden;
(II) marteling of onmenselijke behandeling, met inbegrip van biologische experimenten;
(III) opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden, zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid;
(IV) grootschalige wederrechtelijke en moedwillige vernietiging en toe-eigening van goederen zonder militaire noodzaak;
(V) een krijgsgevangene of andere beschermde persoon dwingen dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid;
(VI) een krijgsgevangene of andere beschermde persoon opzettelijk het recht op een eerlijke en rechtmatige berechting onthouden;
(VII) onrechtmatige deportatie of verplaatsing of onrechtmatige opsluiting;
(VIII) gijzelneming.
(b) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn in een internationaal gewapend conflict binnen het gevestigde kader van het internationale recht, namelijk een van de volgende handelingen:
(I) opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen;
(II) opzettelijk aanvallen richten op burgerdoelen, dat wil zeggen doelen die geen militair doel zijn;
(III) opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten;
(IV) opzettelijk een aanval inzetten in de wetenschap dat een dergelijke aanval bijkomstige verliezen aan levens of letsel onder burgers zal veroorzaken of schade aan burgerdoelen of omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten concrete en directe algehele militaire voordeel;
(V) aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militair doelwit zijn;
(VI) een combattant doden of verwonden die zijn wapens heeft neergelegd of zich niet meer kan verdedigen, en zich onvoorwaardelijk heeft overgegeven;
(VII) op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, van de vlag of militaire onderscheidingstekens en uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, alsmede van emblemen van de Verdragen van Genève, de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge hebbende;
(VIII) rechtstreekse of indirecte verplaatsing door de bezettende mogendheid van delen van haar eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de deportatie of het verplaatsen van de gehele of een deel van de bevolking van het bezette grondgebied binnen dat grondgebied of daarbuiten;
(IX) opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn;
(X) personen die zich in de macht van een tegenpartij bevinden, onderwerpen aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet worden gerechtvaardigd door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
(XI) op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger;
(XII) verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
(XIII) vernietiging of inbeslagneming van goederen van de vijand tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende oorlogsomstandigheden;
(XIV) verklaren dat de rechten en handelingen van onderdanen van de vijandelijke partij vervallen, geschorst of in rechte niet-ontvankelijk zijn;
(XV) onderdanen van de vijandige partij dwingen deel te nemen aan oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren;
(XVI) een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
(XVII) gebruik van gif of giftige wapens;
(XVIII) gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
(XIX) gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen;
(XX) gebruik van wapens, projectielen en materieel en methoden van oorlogvoering die de eigenschap hebben overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of die van zichzelf geen onderscheid maken waardoor zij in strijd zijn met het internationale recht inzake gewapende conflicten, mits dergelijke wapens, projectielen en materieel en methoden van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, [...];
(XXI) wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
(XXII) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede lid, onder f, gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige inbreuk op de Verdragen van Genève oplevert;
(XXIII) gebruikmaken van de aanwezigheid van een burger of een andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;
(XXIV) opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht;
(XXV) opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, waaronder het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen van Genève;
(XXVI) kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden.
(c) In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, namelijk een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet actief deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrachten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken:
(I) geweld tegen het leven en de persoon, in het bijzonder alle misdrijven tegen het leven gericht, verminking, wrede behandeling en marteling;
(II) wandaden begaan tegen de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
(III) gijzelneming;
(IV) het uitspreken van veroordelingen en tenuitvoerleggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een rechtmatig samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend.
(d) Het tweede lid, onder c, geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard.
(e) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden ingeval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van internationaal recht, namelijk een van de volgende handelingen:
(I) opzettelijk aanvallen richten op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen;
(II) opzettelijk aanvallen richten op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van Genève overeenkomstig internationaal recht;
(III) opzettelijk aanvallen richten op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, zolang deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het recht inzake gewapende conflicten;
(IV) opzettelijk aanvallen richten op gebouwen bestemd voor godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of charitatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, mits deze geen militair doelwit zijn;
(V) een stad of plaats plunderen, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
(VI) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede lid, onder f, gedwongen sterilisatie of elke andere vorm van seksueel geweld die eveneens een ernstige schending zijn van gemeenschappelijk artikel 3 van de vier Verdragen van Genève;
(VII) kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;
(VIII) verplaatsing bevelen van de burgerbevolking om redenen die verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers of dwingende militaire redenen dit vereisen;
(IX) op verraderlijke wijze doden of verwonden van een strijdende tegenstander;
(X) verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
(XI) personen die zich in de macht van een andere partij bij het conflict bevinden onderwerpen aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet gerechtvaardigd worden door de geneeskundige of tandheelkundige behandeling van de betrokken persoon of door diens behandeling in het ziekenhuis, noch in zijn belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
(XII) vernietiging of inbeslagneming van goederen van een tegenstander tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de dwingende omstandigheden van het conflict;
(f) Het tweede lid, onder e, geldt voor gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere handelingen van vergelijkbare aard. Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen overheidsautoriteiten en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling.
(3) Het tweede lid, onder c en e, laat onverlet de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te verdedigen.

Trivia[bewerken]

Een van de laatste officiële Britse beulen, Albert Pierrepoint, hing na afloop van de Tweede Wereldoorlog (1945-48) ook oorlogsmisdadigers in Duitsland op.[1]

In de jaren zestig werd veel geprotesteerd tegen de Vietnamoorlog. Een bekende kreet van demonstranten was "Johnson moordenaar" en ook "Hey, Hey, LBJ! How many kids have you killed today?" verscheen als graffiti, onder meer onder bruggen over de Amsterdamse grachten, bedoeld voor de Amerikaanse toeristen in de rondvaartboten. De Nederlandse justitie vond dat roepen van "moordenaar" een belediging was van een bevriend staatshoofd. Toen dit leidde tot strafvervolging, werd daarom bij demonstraties ook wel de ludieke vondst geroepen "Johnson molenaar", waarbij weliswaar iets anders gezegd maar toch hetzelfde begrepen werd. De kreet "Johnson oorlogsmisdadiger" werd niet strafbaar geacht.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties