Oorlogsvrijwilligers in Nederlands-Indië
Om het geweld in Indië na de Japanse capitulatie in 1945 te bedwingen en de koloniale orde te herstellen, stuurde Nederland bataljons Oorlogsvrijwilligers (OVW'ers) naar de kolonie. Zij werden in 1944 en 1945 geworven, de meesten in de zuidelijke provincies van Nederland, en aanvankelijk bestemd voor inzet in Europa. Anderen hadden zich in de zomer van 1945 aangemeld voor de strijd tegen Japan.
De noodsituatie in Indië bracht het kabinet ertoe de militairen overzee te sturen. Ze kwamen al in november 1945 op Brits Malakka aan. De Britse autoriteiten, die na de beëindiging van de oorlog in Azië tijdelijk het gezag in Nederlands-Indië uitoefenden, weigerden de Nederlandse troepen daar toe te laten. Zij vreesden dat de toch al gespannen politieke situatie daardoor zou escaleren. Mogelijk speelde ook mee dat internationaal weinig sympathie bestond voor het Nederlandse streven om het koloniale gezag in Nederlands-Indië te herstellen. Pas in maart 1946 werden de Oorlogsvrijwilligers toegelaten en namen zij de posities van de Britten over.
In totaal zouden 25.000 OVW'ers naar Indië gaan, waarvan 5 à 6.000 ingedeeld bij de mariniersbrigade en de rest bij de landmacht. Uit deze laatste groep werden vijf brigades gevormd, waarvan de staven werden bemand door officieren van het KNIL. Bij de genoemde aantallen moeten nog enige duizenden OVW'ers worden opgeteld die dienst deden op schepen van de Koninklijke Marine en bij de Marine Luchtvaartdienst in Nederlands-Indië. Later werden de Oorlogsvrijwilligers in Indië gevolgd door veel grotere aantallen Nederlandse dienstplichtigen.
In de loop van 1948 volgde de demobilisatie van de Oorlogsvrijwilligers - op één bataljon na dat de legerleiding nodig dacht te hebben voor de Tweede Politionele Actie en dat pas in 1949 de dienst kon verlaten. Niet alle OVW'ers werden gerepatrieerd. Sommigen kozen voor verlenging van hun dienstverband en anderen emigreerden vanuit Indië naar Australië of Nieuw-Zeeland.