Oost-Indonesië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het omcirkelde gebied rechts behoorde tot de Deelstaat Oost-Indonesië

Oost-Indonesië (in het Indonesisch Negara Indonesia Timur) (NIT) was een van de deelstaten (negara's) van de Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat) (RIS). De deelstaat werd op 23 december 1946 opgericht in Den Pasar (Bali) en opgeheven op 17 augustus 1950 en was de enige deelstaat van de RIS die echt van de grond kwam. Hij omvatte alle eilanden ten oosten van Borneo (Celebes, de Molukken en bijbehorende eilanden) en van Java (Bali en de Kleine Soenda-eilanden) met Makassar op Zuid-Celebes (Sulawesi selatan) als hoofdstad.

Achtergrond[bewerken]

Het ontstaan van de deelstaat speelde zich af tegen de achtergrond van het streven naar onafhankelijkheid van Indonesië. Oost-Indonesië was in de eerste jaren na de oorlog grotendeels opnieuw onder Nederlands bestuur gekomen. Luitenant gouverneur generaal Hubertus van Mook, de hoogste gezagsdrager in Nederlands Indië, was van mening dat het onafhankelijke Indonesië een federatieve staat zou moeten worden (zoals de Verenigde Staten van Amerika). De Nederlandse regering ging akkoord met dat beleid. Van Mook had daartoe in het plaatsje Malino, dichtbij Makassar, een conferentie belegd met Indonesische vertegenwoordigers uit Borneo en Oost Indonesië (toen nog "de Grote Oost" genoemd). Daaruit kwam de oprichtingsvergadering van de Negara Indonesia Timur voort.

Tegen de wens van de Republiek[bewerken]

De Republik Indonesia (RI), die vooral veel macht en invloed had op Java en Sumatra, zag de federalistische politiek als een poging om de Republik te verzwakken en als "verdeel-en-heerspolitiek" van Nederland. Zij pretendeerde alle Indonesiërs te vertegenwoordigen en zou in een federatie teruggebracht worden tot de status van deelstaat. Zij beschouwde de nieuw-opgerichte deelstaten in eerste instantie als vazalstaten van Nederland en streefde een eenheidsstaat na (unitarisme). Het stichten van deelstaten was dan wel een initiatief van het Nederlandse koloniale bewind, maar in de overeenkomst van Linggadjati (1946) was de republikeinse regering (Syahrir/Soekarno) akkoord gegaan met een federale structuur.[1] Dat werd nog eens bevestigd in de Renville-overeenkomst (1948) en de Van Roijen-Roem-verklaring (1949). Het is een feit dat van Mook de deelstaten-politiek zag als een mogelijkheid de Republik Indonesia te isoleren en verzwakken door nationalisten een alternatief te bieden voor de de door republikeinen beheerste eenheidsstaat en op die manier invloed te blijven houden in de archipel, met name op economisch gebied,[2][3] maar volgens de historica Petra Groen kwam dit beleid ook voort uit bezorgdheid voor de positie van de buitengewesten en de minderheden (Chinezen, Arabieren, Indo-Europeanen.[4]

Nederlandse invloed[bewerken]

In het begin was de Oost-Indonesische regering inderdaad nogal Nederlands georiënteerd. Zonder de Nederlandse (financiële, administratieve en militaire) steun kon de deelstaat niet bestaan. Nederlandse bestuursambtenaren, bleven nog lange tijd als bestuurder of adviseur in functie en hadden dus invloed op het beleid. Veelzeggend was bijvoorbeeld dat een Nederlander, M. Hamelink, minister van Financiën was. Opmerkelijk was aan aan de andere kant dat de eerste voorzitter van het parlement, Tajuddin Noor, republikeinsgezind was. Hij probeerde ook de aandacht te vestigen op de oorlogsmisdaden van kapitein Raymond Westerling in Zuid-Celebes. Na een motie van wantrouwen door het VVL (Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam) nam hij echter ontslag.[5] In principe was het wel zo, dat de deelstaat het beleid zou bepalen en de Nederlandse bestuursambtenaren, zolang ze nog in functie waren, het technisch-administratieve werk zouden doen. Volgens sommigen was de rol van Nederlandse bestuursambtenaren in het bestuur in de eerste jaren nog even groot als voor de oorlog.[6] Het was wel zo dat Indonesiërs het bestuur steeds meer overnamen.[7]

Overdracht van taken en bevoegdheden[bewerken]

De overdracht van taken en bevoegdheden van de Nederlands-Indische regering (het "Land") naar die van de deelstaat voltrok zich geleidelijk. Een aantal beleidstaken bleven in handen van het Land en zouden later overgaan naar een centrale federale Indonesische regering, zoals Buitenlandse zaken en Defensie. De Oost-Indonesische federalisten voelden zich daardoor achtergesteld bij de Republik Indonesia, die dat zelf in handen had. Het feit dat de deelstaat niet over een eigen leger beschikte, zou later cruciaal blijken te zijn. Een plan om de staatspolitie beter te bewapenen stuitte op verzet van zowel de Nederlands-Indische regering als die van de Republik. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) zou tot de soevereiniteitsoverdracht de orde in Oost-Indonesië blijven handhaven. Ook dat versterkte het beeld van de NIT als vazalstaat.

Gezicht op de haven van Makassar (1948)
Toegangspoort tot het parlementsgebouw in Makassar (1948)
President Sukawati met zijn Franse vrouw tijdens een bezoek aan de Minahasa op Celebes in 1948

Het eerste jaar: aan de leiband[bewerken]

Tjokorda Gde Rake Sukawati was de eerste en enige president van de deelstaat. Er was voor de oprichtingsvergadering in Den Pasar een voorlopige volksvertegenwoordiging gekozen die later als Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam (VVL) het parlement vormde. De verkiezingen waren min of meer democratisch, dat wil zeggen: er was nog een aanzienlijke invloed van de traditionele adellijke "zelf-bestuurders" (vorsten) (het zelfbestuur door inlandse vorsten, dat wil zeggen een gedeeltelijke autonomie in bepaalde gebieden, was een erfenis van het koloniale bestuur) en de verkiezingen waren op sommige plaatsen geboycot door republikeinen (aanhangers van de RI). Ook was er een aantal benoemde leden die de minderheden vertegenwoordigden. Een groot gedeelte van de plattelandsbevolking was niet politiek geïnteresseerd en het analfabetisme was nog groot. Politieke partijen speelden nog niet zo'n grote rol. Men stemde op een persoon, niet op een partij, voor zover die er al waren. Toch was er een aanzienlijke "republikeinsgezinde" (pro-RI) vertegenwoordiging in het VVL. Er was dus een stevige republikeinse (=unitarische) oppositie. De fractievorming van gelijkgestemde volksvertegenwoordigers vond pas plaats in de praktijk van de parlementaire besluitvorming. De eerste drie kabinetten was door corruptie van minister-president Najamuddin en de houding ten aanzien van de eerste politionele actie (die gesteund werd) geen lang leven beschoren.[8] Deze kabinetten liepen nog duidelijk aan de leiband van Nederland.

Een nieuwe koers[bewerken]

Op 15 december 1947 werd Ide Anak Agung Gde Agung minister-president. Deze schoonzoon van Sukawati werd door zijn beleid een gesprekspartner voor de Republik Indonesia. Vanwege zijn optreden tegen de pemuda's (revolutionaire strijdgroepen) op Bali was hij ook voor Nederland aanvaardbaar. Hij werd door beide partijen gezien als een bekwaam politicus en bestuurder. Hij wilde de NIT niet laten gebruiken als tegenwicht tegen de Republik, maar streefde naar samenwerking daarmee, de zogenaamde "Synthesepolitiek". Hij zag daarin ook de enige mogelijkheid om op de lange duur de deelstaat overeind te houden. Hij koos voor het federale systeem, omdat volgens hem regionale belangen op die manier beter behartigd zouden kunnen worden. Federalisten verzetten zich tegen de opvatting dat ze slechts marionetten waren van het koloniaal bewind, maar zagen zich als nationalisten in hun eigen recht. Anak Agung slaagde erin de deelstaat een meer onafhankelijke positie te laten innemen. Republikeinsgezinde ministers werden in de regering opgenomen. De Republik erkende als gevolg daarvan in januari 1948 de NIT zelfs als toekomstige deelstaat. Dat werd door de NIT-regering gezien als een grote overwinning. Nu waren ook zij erkend als "nationalisten", dat wil zeggen voorstanders van volledige onafhankelijkheid van Indonesië. Het odium van "vazalstaat" en 'marionettenregering" verdween voor een deel. Het gevolg was dat er meer republikeinen in Oost-Indonesië bereid waren tot samenwerking of in elk geval hun verzet tegen de deelstaat matigden. Revolutionaire guerilla's op Bali staakten hun verzet.[9] Maar de tegenstelling tussen "federalisten" en "unitaristen" bleef. De Nederlandse bestuursambtenaren, die nog in dienst waren van de deelstaat, waren echter over het algemeen loyaal aan de deelstaat-regering, ook als dat inging tegen de politiek van de Nederlands-Indische regering in Batavia, maar de NIT bleef daar wel financieel afhankelijk van.

Werken aan een centrale federale regering[bewerken]

Anak Agung probeerde de republikeinse leiders steeds bij het "landelijke" federale overleg te betrekken en wilde ook niet zonder de RI deelnemen aan een voorlopige centrale federale regering. Hij probeerde een onafhankelijke rol te spelen bij het construeren daarvan. Hij riep een conferentie bij elkaar van een aantal deelstaten, die een plan ontwierp voor een centraal federaal staatsbestuur waarin Nederlandse bestuurders het niet meer voor het zeggen hadden. Die regering zou het bewind al op 1 januari 1949 over moeten nemen. Van Mook wees dat af, maar de Republiek ook. De Republikeinse regering wilde niet onder Nederlandse soevereiniteit in een voorlopige federale regering plaatsnemen. De regering in Den Haag had meer waardering voor dit plan en er werd een conferentie over belegd. De tweede politionele (c.q. militaire) actie maakte een abrupt einde aan dit overleg. Voor een politiek van het midden was de situatie te ongunstig, want de politieke tegenstelling tussen de Republiek en Nederland overschaduwde de tegenstelling tussen federalisme en unitarisme, zodat meer gematigde opvattingen als verraderlijk werden opgevat, zowel in republikeinse als in conservatief Nederlandse kringen.[10] Pas na de soevereiniteitsoverdracht kwam er een federale regering, die echter niet lang heeft bestaan. De NIT-regering nam het de Nederlanders niet in dank af, dat er in eerste instantie steeds buiten haar om met de Republik werd onderhandeld over belangrijke zaken. Men kreeg daardoor het gevoel niet serieus genomen te worden. Bij de tweede politionele (c.q. militaire) actie trad de regering-Agung af, volgens Anak Agung zelf uit protest. Daarna werd de toenadering van Anak Agung tot de Republik nog sterker.

Unitarisme of federalisme[bewerken]

In de (voorlopige) volksvertegenwoordiging was (zoals al eerder gemeld) een sterke republikeinse (nationalistische, unitarische) fractie, die twijfels bleef koesteren aan het belang van een deelstaat of deze zelfs afwees en aansluiting wilde bij de Republik. Je kunt zelfs zeggen dat een meerderheid republikeinsgezind was, althans wat "buitenstaats" beleid betreft. Er was echter ook een aanzienlijke aanhang van het federalisme. Vasthouden aan bestaande machtsverhoudingen en angst voor overheersing van "Java" speelden daarbij een rol, maar ook de opvatting dat er daardoor betere mogelijkheden tot ontwikkeling van de "buitengewesten" waren. Dat de beduchtheid voor Javaanse overheersing in Oost-Indonesië geen koloniaal verzinsel was, kan men onder andere afleiden uit de opstand van oorspronkelijk republikeinse guerrilla's onder leiding van Abdul Kahar Muzakkar op Zuid-Celebes tegen de Republik Indonesia ná het oprollen van de N.I.T.[11] Er is zelfs contact gezocht met de RMS (Republiek der Zuid-Molukken). In 1957, dus lang na de opheffing van de deelstaat, kwam het op Celebes (Sulawesi) nog tot een soort van rebellie van bestuurders (Permesta) die het oneens waren met het financiële beleid van de landelijke regering.[12]

Opbouw van de staat: daerahs en landschappen[bewerken]

De NIT werd opgebouwd uit min of meer zelfstandige provincies, daerahs geheten. Iedere daerah was een federatie van zogenaamde "landschappen". De opbouw door middel van daerahs was moeizaam, ook al omdat er een compromis gevonden moest worden tussen het oude zelfbestuur van inlandse vorsten, die moeite hadden hun positie en macht prijs te geven, en een democratisering van het bestuur. Die democratisering kwam derhalve maar moeizaam op gang. In de "landschappen", waar zelfbestuurders regeerden, en dat waren de meeste, hadden democratisch gekozen raden slechts adviserende bevoegdheden. Het bestuur ging in een aantal daerahs en landschappen over van het Nederlandse Binnenlands Bestuur naar vertegenwoordigende raden. De daerahs hadden de neiging zelfstandige staatjes te worden. De band van de bevolking met de eigen daerah was sterker dan die met de meer abstracte "negara". Van een "Oost-Indonesisch burgerschapsgevoel" was in 1950 nog nauwelijks sprake. In de Minahasa en op Ambon (Zuid-Molukken) waren sterke separatistische stromingen aanwezig, die een blijvende band met Nederland nastreefden.

Daerahs[bewerken]

De deelstaat Oost-Indonesië bestond uit dertien daerahs (sub-deelstaten):

  1. Daerah Zuid-Celebes
  2. Daerah Minahasa
  3. Daerah Sangihe- en Talaud-eilanden
  4. Daerah Noord-Celebes
  5. Daerah Midden-Celebes
  6. Daerah Bali
  7. Daerah Lombok
  8. Daerah Soembawa
  9. Daerah Flores
  10. Daerah Soemba
  11. Daerah Timor en eilanden
  12. Daerah Zuid-Molukken
  13. Daerah Noord-Molukken

Soevereiniteitsoverdracht: Afscheid van Anak Agung[bewerken]

Na de soevereiniteitsoverdracht werd de deelstaat onderdeel van de Verenigde Staten van Indonesië (RIS). Het vertrek van Anak Agung (hij werd minister van Binnenlandse Zaken in de centrale regering) is een van de nagels aan de doodkist van de deelstaat geweest. Hijzelf waarschuwde bij zijn afscheid ook, dat de nieuwe regering een zelfbewust beleid zou moeten voeren, wilde de deelstaat enige overlevingskans hebben. De tweede politionele/militaire actie en met name ook het in hoog tempo stichten van deelstaten, had het wantrouwen in de federalistische politiek nog vergroot. Federalistische bestuurders werden buiten Oost-Indonesië meestal gezien als collaborateurs met het voormalige koloniale bewind.[13] Ook de mislukte APRA-staatsgreep van kapitein Westerling op Java, vergrootte het wantrouwen tegen de "federalisten" nog. In het pas gekozen nieuwe parlement van de NIT zat een sterke republikeinse vertegenwoordiging. De meerderheid waar de federalistische regering in het parlement op steunde, was zeer klein en instabiel en de Republik was alsnog vastbesloten een einde aan de deelstaat te maken. Bij de Nederlands-Indonesische rondetafelconferentie van 1949 was afgesproken dat een gedeelte van het KNIL over zou gaan naar de APRIS (het officiële leger van de RIS). De NIT-regering hoopte dat dat zo snel mogelijk zou gebeuren, om te voorkomen dat anti-federalistische troepen naar Oost-Indonesië gestuurd zouden worden. Dat zou waarschijnlijk het einde betekenen van de NIT. Deze overgang verliep echter zeer traag. In maart 1950 was nog maar één compagnie onder bevel van een zekere Andi Abdul Azis overgegaan naar de APRIS.

Centrale regering stuurt troepen: opstand[bewerken]

In het voorjaar van 1950 was de door republikeinen gedomineerde RIS-regering van plan een afdeling van het leger (APRIS), die bestond uit anti-federalistische eenheden van het voormalige republikeinse leger (TNI), naar Celebes (Makassar) te sturen. De regering van de NIT vermoedde dat dat wel eens het einde van de deelstaat zou kunnen betekenen en protesteerde daartegen. De tactiek van het leger was namelijk: onrust veroorzaken (demonstraties, aanslagen) en dan "in het belang van rust en orde" ingrijpen en een einde maken aan de deelstaat. De sultan van Djokja (minister van Defensie van de RIS), beloofde dat er geen troepen zouden komen zonder toestemming van de NIT-regering, maar trok deze belofte later weer in. Ministers uit het Oost-Indonesische kabinet deden nog een beroep op minister-president Hatta, die beloofde de komst van de troepen uit te stellen, maar de troepen kwamen toch. Als reactie daarop kwam het in Makassar tot een opstand van ex-KNIL-militairen onder leiding van kapitein Andi Abdul Aziz. Deze soldaten waren toegetreden tot het APRIS, maar wilden voorkomen dat republikeins gezinde APRIS-soldaten (hun voormalige vijanden) aan land zouden gaan. Ook zij voorzagen dat dat het einde van de deelstaat zou betekenen en vreesden voor represailles tegen ex-KNIL-militairen. President Sukawati was vrijwel zeker op de hoogte van de coupplannen, maar daar is nooit bewijs voor gevonden. Het is ook onwaarschijnlijk dat de deelstaatregering van niets wist, gezien het feit dat de plaatselijke politie in Makassar min of meer meewerkte met de opstandelingen. Er was ook een plan om met steun van het KNIL een volledig onafhankelijk Oost-Indonesië te proclameren, maar door weigering van Nederland om daaraan mee te werken kwam dat nooit van de grond. Aziz heeft waarschijnlijk gehoopt steun te krijgen van het nog aanwezige KNIL maar de Nederlandse legerleiding voorkwam dat. Soekarno dreigde in een radiorede de opstand militair te onderdrukken. Daarmee was het lot van de opstand en vervolgens de deelstaat bezegeld. Aziz besloot in arren moede te gaan onderhandelen in Djakarta en werd daar gearresteerd. 16 april 1950 landden de Javaanse militairen alsnog zonder problemen in Makassar. Er ontstond een onoverzichtelijke situatie en er vonden gewelddadigheden plaats. Ook republikeinse guerrilla's (onder leiding van Muzakkar) kwamen op Zuid Celebes uit hun schuilhoeken en pleegden aanslagen. De staatspolitie werd ontwapend. Parlementsleden werden bedreigd en er werd gedemonstreerd tegen de deelstaatregering en voor de Republik. Zuid-Celebes werd vervolgens beheerst door republikeinsgezinde troepen.

Einde[bewerken]

Sukawati ging overstag en was bereid in overleg met onder andere Hatta (premier van de Republik en de RIS) te werken aan een eenheidsstaat. Waarschijnlijk is hij onder druk gezet door te dreigen met onderzoek naar zijn medeplichtigheid aan de coup. De deelstaatregering werd vervolgens door de volksvertegenwoordiging naar huis gestuurd en er kwam een republikeins (unitarisch) gezind kabinet, dat zich onderwierp aan de (RIS-)regering in Djakarta. Chris Soumokil, oud-minister van Justitie en voormalig vice-premier van de NIT, die er later door Aziz min of meer van beschuldigd zou worden het brein achter de opstand te zijn geweest, vluchtte naar Ambon. De meeste daerahs sloten zich vervolgens afzonderlijk aan bij de Republik Indonesia (behalve Zuid-Celebes en de Zuid-Molukken) en in augustus besloot het RIS-parlement de "Verenigde Staten van Indonesië" op te heffen. Daarmee verdween ook het laatste restje Negara Indonesia Timur. De eenheidsstaat Republik Indonesia was een feit. De vraag zou kunnen opkomen of zonder de coup van Aziz de deelstaat meer overlevingskansen zou hebben gehad. Waarschijnlijk niet. Zoals gezegd was de Republik vastbesloten een einde te maken aan de deelstaten, zoals ook uit documenten blijkt en had zij een militair overwicht en een meerderheid in het parlement van de RIS. De historica Petra Groen zegt hierover: "De Republiek stelt in 1945 een eenheidsstaat voor en Nederland een federatie, dit heeft als gevolg dat met de overwinning van de nationalisten ook de eenheidsstaat als uiteindelijke staatsvorm wordt gekozen."[14] Hoewel Anak Agung, zoals hierboven vermeld, ook een rol speelde in de centrale regering, heeft hij waarschijnlijk de opheffing van de Negara Indonesia Timur altijd betreurd. "Als de deelstaat nog vijf jaar met rust gelaten was, dan was het burgerschapsgevoel sterker geweest".[15] Hij weet de liquidatie van de NIT met name aan de tweede politionele actie, de opportunistische deelstaten-politiek van Nederland en de coup van Andi Aziz.

Epiloog: de Republiek der Zuid-Molukken[bewerken]

Tot 1950 waren de Zuid-Molukken ook een onderdeel van de deelstaat, maar met het onvermijdelijke opheffen van de NIT in zicht, riep het waarnemend hoofd van de daerah Zuid-Molukken, Manuhutu, op 25 april in Ambon de onafhankelijkheid van de Republik Maluku Selatan (RMS) oftewel Republiek der Zuid-Molukken uit.[16] Ook Soumokil speelde hierbij een rol. Na een economische en voedselblokkade viel de Republik de RMS op Ambon in september aan en veroverde het na een relatief lange en heftige strijd. Op verzoek van de Republikeinse regering weigerden de Nederlandse autoriteiten om de Molukse KNIL-soldaten te laten terugkeren naar Ambon. De soldaten kwamen, met hun gezinnen, uiteindelijk in Nederland terecht, omdat ze weigerden zich te laten demobiliseren op republikeins grondgebied.[17]

Soumokil, inmiddels president van de RMS, voerde nog jarenlang een guerrilla-oorlog op Ceram tot hij werd gearresteerd en ter dood veroordeeld. Een regering-in-ballingschap bevindt zich tot op de huidige dag nog in Nederland.

Literatuur
  • Groen, Petra; Oprichting, functioneren en opheffing van de Deelstaat Oost-Indonesië 1946/1950, 1979, doctoraalscriptie geschiedenis R.U. Utrecht. Dit is de enige echte grondige studie over speciaal dit onderwerp en staat aan de basis van dit lemma.
  • Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia Towards the Establishment of the United States of Indonesia, T.O. Ihromi, August 1996 by Yayasan Obor Indonesia (first published January 1st 1985)
  • Schiller, A. Arthur; The formation of federal Indonesia 1945-1949, 1955, W. van Hoeve Ltd , The Hague, Bandung.
  • George McTurnan Kahin, Nationalism and Revolution in Indonesia, 1970, Cornell University Press, Ithaca and London.
  • Smit, C., De Indonesische quaestie. Wordingsgeschiedenis der souvereiniteitsoverdracht. Leiden, 1952.
  • Feith, H. Castles, L., Indonesian political thinking 1945-1965. Ithaca, London, 1970.
  • Willem IJzereef, De Zuid-Celebes affaire, 2e druk, 1985, uitgeverij De Bataafsche Leeuw, Dieren.
  • Ben van Kaam, Ambon door de eeuwen, 1977, Anthos.
  • Ernst Utrecht, Ambon, Kolonisatie, dekolonisatie en neo-kolonisatie, Opgetekend door Frank Jaspers, Kritiese Bibliotheek Van Gennep, Amsterdam 1972
  • John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2013
  • Meulen, D. van der, Hoort gij de donder niet? Begin van het einde der Nederlandse gezagsvoering in Indië. Een persoonlijke terugblik. Uitgeverij T. Wever B.V.- Franeker 1977.
  1. John Jansen van Galen, Afscheid etc. p. 235
  2. Smit C., De Indonesische quaestie, p. 106/112
  3. Meulen,D van der,Hoort gij... etc., p.271/272
  4. Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc. p. 14
  5. Willem IJzereef, De Zuid-Celebes affaire, p. 130/131
  6. Interview met R.C. Kwantes. Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc, Bijlage II
  7. George McTurnan Kahin (zie literatuuropgave) stelt dat de Nederlands-Indische regering via deze ambtenaren grote invloed bleef houden op het beleid. Hij doet dit op basis van een aantal eigen waarnemingen en vermeldt geen bronnen.
  8. Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia. etc. p. 332
  9. Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia.etc. p. 386
  10. Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc. p. 114
  11. Abdul Kahar Muzakkar, "Down with the new Madjapahitism!", Cornell Universty Press Ithaca/London, 1970.
    Feith, H. Castles, L. Indonesian political thinking etc., p. 331/334
  12. Feith, H. Castles, L., Indonesian political thinking, p. 331/334
  13. Kahin G.Mc.T., Nationalisme, p. 352
  14. Zie: Petra Groen, Oprichting etc. p. 117
  15. Zie: Petra Groen, Oprichting etc. p. 178
  16. Kaam, B. van, Ambon door de eeuwen, p. 128/129
  17. Utrecht, E., Ambon etc. p.112