Oost-Indonesië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Republik Indonesia Serikat.png

Deelstaat Oost-Indonesië (in het Indonesisch Negara Indonesia Timur (NIT)) was een van de deelstaten (negara's) van de Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat) (RIS). De deelstaat werd op 23 december 1946 opgericht in Den Pasar (Bali) en was de enige deelstaat van de RIS die echt van de grond kwam. De hoofdstad was Makassar (Zuid Celebes) (Sulawesi Selatan).

Dit alles speelt zich af tegen de achtergrond van het streven naar onafhankelijkheid van Indonesië. Oost-Indonesië was in de eerste jaren na de oorlog grotendeels opnieuw onder Nederlands bestuur gekomen. Luitenant gouverneur generaal Hubertus van Mook, de hoogste gezagsdrager in Nederlands Indië, koesterde de opvatting dat het onafhankelijke Indonesië een federatieve staat zou moeten worden (zoals de U.S.A.). Hij had daartoe in het plaatsje Malino een conferentie belegd met Indonesische vertegenwoordigers uit de hele archipel, behalve uit die gebieden die gecontroleerd werden door de Republik Indonesia. Daaruit kwam de oprichtings-vergadering van de Negara Indonesia Timur voort.

De Republik Indonesia (RI), die vooral veel macht en invloed had op Java en Sumatra, zag de federalistische politiek als een poging om de Republik te verzwakken en als "verdeel-en-heers-politiek" van Nederland. Zij pretendeerde alle Indonesiërs te vertegenwoordigen en zou in een federatie teruggebracht worden tot de status van deelstaat. Zij beschouwde de nieuw-opgerichte deelstaten in eerste instantie als vazalstaten van Nederland en streefde een eenheidsstaat na (unitarisme). Het stichten van deelstaten was, zoals gezegd, een initiatief van het Nederlandse koloniale bewind, maar in de overeenkomst van Linggadjati (1946) was de republikeinse regering (Sjahrir/Sukarno) wel akkoord gegaan met een federale structuur. Dat werd nog eens bevestigd in de Renville-overeenkomst (1948) en de Van Roijen-Roem-verklaring (1949). Het is een feit dat van Mook de deelstaten-politiek zag als een mogelijkheid de Republik Indonesia te verzwakken en invloed te blijven houden in de archipel, met name op economisch gebied, maar volgens de historica Petra Groen komt dit beleid ook voort uit bezorgdheid voor de positie van de buitengewesten en de minderheden. [1]

In het begin was de Oost-Indonesische regering inderdaad nogal Nederlands georiënteerd. Zonder de Nederlandse (financiële) steun kon de deelstaat niet bestaan. Nederlandse bestuursambtenaren, bleven nog lange tijd als bestuurder of adviseur in functie en hadden dus invloed op het beleid. Veelzeggend was bijvoorbeeld dat een Nederlander, M. Hamelink, minister van Financiën was. Wel was het in principe zo, dat de deelstaat het beleid zou bepalen en de Nederlandse bestuurs-ambtenaren, zolang ze nog in functie waren, het technisch-administratieve werk zouden doen. Het was ook zo dat Indonesiërs het bestuur steeds meer overnamen [2]. De overdracht van taken en bevoegdheden van de Nederlands-Indische regering (het "Land") naar die van de deelstaat voltrok zich geleidelijk. Een aantal beleidstaken bleven in handen van het Land en zouden later overgaan naar een centrale federale Indonesische regering, zoals Buitenlandse zaken en Defensie. De Oost-Indonesische federalisten voelden zich daardoor achtergesteld bij de Republik Indonesia die dat zelf in handen had. Ook het feit dat de deelstaat niet over een eigen leger beschikte, zou later cruciaal blijken te zijn. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) zou tot de soevereiniteitsoverdracht de orde in Oost-Indonesië blijven handhaven.

Gezicht op de haven van Makassar
Toegangspoort tot het parlementsgebouw

Tjokorda Gde Rake Sukawati was de eerste en enige president van de deelstaat. Er was voor de oprichtingsvergadering in Den Pasar een voorlopige volksvertegenwoordiging gekozen die later als Voorlopig Vertegenwoordigend Lichaam (VVL) het parlement vormde. De verkiezingen waren min of meer democratisch, dat wil zeggen er was nog een aanzienlijke invloed van de traditionele adellijke "zelf-bestuurders" en de verkiezingen waren op sommige plaatsen geboycot door republikeinen (het zelfbestuur door inlandse vorsten, d.w.z. een gedeeltelijke autonomie in bepaalde gebieden, was een erfenis van het koloniale bestuur). Ook was er een aantal benoemde leden die de minderheden vertegenwoordigden. Toch was er een aanzienlijke republikeins gezinde vertegenwoordiging in het VVL. De regering had dus vanaf het begin te maken met een stevige republikeinse (=unitarische) oppositie. De eerste drie kabinetten was door corruptie van minister-president Nadjamuddin en de houding ten aanzien van de eerste politionele actie (die gesteund werd) geen lang leven beschoren. Deze kabinetten liepen nog duidelijk aan de leiband van Nederland.

Hierna werd Ide Anak Agung Gde Agung minister-president. Deze schoonzoon van Sukawati werd door zijn beleid een gesprekspartner voor de Republik Indonesia. Vanwege zijn optreden tegen de pemuda's (revolutionaire strijdgroepen) op Bali was hij ook voor Nederland aanvaardbaar. Hij werd door beide partijen gezien als een bekwaam politicus en bestuurder. Hij wilde de NIT niet laten gebruiken als tegenwicht tegen de Republik, maar streefde naar samenwerking daarmee, de zogenaamde "Synthesepolitiek". Hij zag daarin ook de enige mogelijkheid om op de lange duur de deelstaat overeind te houden. Hij koos voor het federale systeem omdat volgens hem regionale belangen op die manier beter behartigd zouden kunnen worden. Federalisten verzetten zich tegen de opvatting dat ze slechts marionetten waren van het koloniaal bewind, maar zagen zich als nationalisten in hun eigen recht. Anak Agung slaagde er in de deelstaat een meer onafhankelijke positie te laten innemen. Republikeins gezinde ministers werden in de regering opgenomen. De Republik erkende als gevolg daarvan in 1948 de NIT zelfs als toekomstige deelstaat. Dat werd door de NIT-regering gezien als een grote overwinning. Nu waren ook zij erkend als "echte nationalisten". Het odium van "vazalstaat" en 'marionettenregering" verdween voor een deel. Het gevolg was dat er meer republikeinen in Oost-Indonesië bereid waren tot samenwerking of in elk geval hun verzet tegen de deelstaat matigden. Revolutionaire guerilla's op Bali staakten hun verzet. Maar de tegenstelling tussen "federalisten" en "unitaristen" bleef. De Nederlandse bestuursambtenaren, die nog in dienst waren van de deelstaat waren over het algemeen loyaal aan de deelstaat-regering, ook als dat inging tegen de politiek van de Nederlands-Indische regering in Batavia, maar de deelstaat bleef daar wel financieel afhankelijk van.

Anak Agung probeerde de republikeinse leiders steeds bij het "landelijke" federale overleg te betrekken en wilde ook niet zonder de RI deelnemen aan een voorlopige centrale federale regering. Hij probeerde een onafhankelijke rol te spelen bij het construeren daarvan. Hij riep een conferentie bij elkaar van een aantal deelstaten, die een plan ontwierp voor een centraal federaal staatsbestuur waarin Nederlandse bestuurders het niet meer voor het zeggen hadden. Van Mook wees dat af, maar de Republiek ook. De Republikeinse regering wilde natuurlijk ook niet onder Nederlandse soevereiniteit in een voorlopige federale regering plaatsnemen. De regering in Den Haag had meer waardering voor dit plan en er werd een conferentie over belegd. De tweede politionele (c.q. militaire) actie maakte een abrupt einde aan dit overleg. Pas na de soevereiniteitsoverdracht kwam er een federale regering, die echter niet lang heeft bestaan. De NIT-regering nam het de Nederlanders niet in dank af, dat er in eerste instantie steeds buiten haar om met de Republik werd onderhandeld over belangrijke zaken. Men kreeg daardoor het gevoel niet serieus genomen te worden. Bij de tweede politionele (c.q. militaire) actie trad de regering Agung af, volgens Anak Agung zelf uit protest. Daarna werd de toenadering van Anak Agung tot de Republik nog sterker.

In de (voorlopige) volksvertegenwoordiging was (zoals al eerder gemeld) een sterke republikeinse (nationalistische, unitarische) fractie die twijfels bleef koesteren aan het belang van een deelstaat of deze zelfs afwees en aansluiting wilde bij de Republik. Je kunt zelfs zeggen dat een meerderheid republikeins gezind was, althans wat "buitenstaats" beleid betreft. Er was echter ook een aanzienlijke aanhang van het federalisme. Vasthouden aan bestaande machtsverhoudingen en angst voor overheersing van "Java" speelden daarbij een rol, maar ook de opvatting dat er daardoor betere mogelijkheden tot ontwikkeling van de "buitengewesten" waren. Dat de beduchtheid voor Javaanse overheersing in Oost-Indonesië geen koloniaal verzinsel was, kan men o.a. afleiden uit de opstand van oorspronkelijk republikeinse guerrilla's o.l.v. Muzakkar op Zuid Celebes tegen de Republik Indonesia ná het oprollen van de N.I.T. [3] Er schijnt zelfs contact gezocht te zijn met de RMS (Republiek der Zuid Molukken). In 1957 dus lang na de opheffing van de deelstaat, kwam het op Celebes (Sulawesi) tot een soort van rebellie van bestuurders (Permesta) [4] die het oneens waren met het financiële beleid van de landelijke regering. In de Senaat, die gekozen was door bestuurders van de daerahs, zaten voornamelijk (conservatieve) zelfbestuurders. Besluiten en wetten die door het parlement waren aanvaard, moesten ook door de Senaat worden goedgekeurd. Indien afgewezen, kon het parlement die beslissing alleen met een 2/3 meerderheid ongedaan maken, zodat de Senaat (en dus de zelfbestuurders) een stevige vinger in de pap had(den).

De NIT werd opgebouwd uit min of meer zelfstandige provincies, daerahs geheten. Iedere daerah was een federatie van zogenaamde "landschappen". De opbouw door middel van daerahs was moeizaam, ook al omdat er een compromis gevonden moest worden tussen het oude zelfbestuur van inlandse vorsten, die moeite hadden hun positie en macht prijs te geven, en een democratisering van het bestuur. Die democratisering kwam derhalve maar moeizaam op gang. In de "landschappen" waar zelfbestuurders regeerden en dat waren de meeste, hadden democratisch gekozen raden meestal slechts adviserende bevoegdheden. De daerahs hadden de neiging zelfstandige staatjes te worden. De band van de bevolking met de eigen daerah was sterker dan die met de meer abstracte "negara". Van een "Oost-Indonesisch burgerschapsgevoel" was in 1950 nog nauwelijks sprake. In de Minahassa en op Ambon (Zuid Molukken) waren sterke separatistische stromingen aanwezig, die een blijvende band met Nederland nastreefden.

Daerahs[bewerken]

De deelstaat Oost-Indonesië bestond uit dertien daerahs (sub-deelstaten):

  1. Daerah Zuid-Celebes
  2. Daerah Minahassa
  3. Daerah Singihe- en Talaud-eilanden
  4. Daerah Noord-Celebes
  5. Daerah Midden-Celebes
  6. Daerah Bali
  7. Daerah Lombok
  8. Daerah Soembawa
  9. Daerah Flores
  10. Daerah Soemba
  11. Daerah Timor en eilanden
  12. Daerah Zuid-Molukken
  13. Daerah Noord-Molukken

Einde[bewerken]

Het vertrek van Anak Agung na de soevereiniteits-overdracht (hij werd minister van Binnenlandse Zaken in de centrale regering) is een van de nagels aan de doodkist van de deelstaat geweest. Hijzelf waarschuwde bij zijn afscheid ook, dat de nieuwe regering een zelfbewust beleid zou moeten voeren, wilde de deelstaat enige overlevingskans hebben. De tweede politionele/militaire actie en met name ook het in hoog tempo stichten van deelstaten, had het wantrouwen in deze Nederlandse politiek nog vergroot. Federalistische bestuurders werden buiten Oost-Indonesië meestal gezien als collaborateurs met het koloniale bewind. Ook de mislukte APRA-staatsgreep van kapitein Westerling op Java, vergrootte het wantrouwen tegen de "federalisten" nog. In het pas gekozen nieuwe parlement van de NIT zat een sterke republikeinse vertegenwoordiging. De meerderheid waar de federalistische regering in het parlement op steunde, was zeer klein en instabiel en de Republik was alsnog vastbesloten een einde aan de deelstaat te maken. Hoewel Anak Agung, zoals hierboven vermeld, ook een rol speelde in de centrale regering, heeft hij waarschijnlijk de opheffing van de Negara Indonesia Timur altijd betreurd. "Als de deelstaat nog vijf jaar met rust gelaten was, dan was het burgerschapsgevoel sterker geweest". [5] Hij weet de liquidatie van de NIT met name aan de tweede militaire actie, de opportunistische deelstaten-politiek van Nederland en de coupe van Andi Aziz, waarover hieronder meer.

In het voorjaar van 1950 was de door republikeinen gedomineerde RIS-regering van plan een afdeling van het leger (APRIS), dat bestond uit anti-federalistische eenheden van het voormalige republikeinse leger (TNI), naar Celebes (Makassar) te sturen. De regering van de NIT vermoedde dat dat wel eens het einde van de deelstaat zou kunnen betekenen en protesteerde daartegen. De sultan van Djocja (minister van Defensie van de RIS), beloofde dat dat niet zou gebeuren zonder toestemming van de NIT-regering, maar de troepen kwamen toch. In maart 1950 kwam het in Makassar daardoor tot een opstand van ex-KNIL-militairen onder leiding van kapitein Andi Abdul Aziz. Deze soldaten waren toegetreden tot het APRIS, maar wilden voorkomen dat er APRIS-soldaten uit Java (hun voormalige vijanden) aan land zouden gaan. Ook zij voorzagen dat dit het einde van de deelstaat zou betekenen en vreesden voor represailles tegen ex-KNIL-militairen. President Sukawati was vrijwel zeker op de hoogte van de coupe-plannen, maar daar is nooit bewijs voor gevonden. Het is ook onwaarschijnlijk dat de deelstaatregering van niets wist, gezien het feit dat de plaatselijke politie min of meer meewerkte met de opstandelingen. Er was ook een plan om met steun van het KNIL een volledig onafhankelijk Oost-Indonesië te proclameren, maar door weigering van Nederland om daaraan mee te werken kwam dat nooit van de grond. Aziz heeft waarschijnlijk gehoopt steun te krijgen van het nog aanwezige KNIL maar de Nederlandse legerleiding voorkwam dat. Soekarno dreigde in een radiorede de opstand militair te onderdrukken. Daarmee was het lot van de opstand en vervolgens de deelstaat bezegeld. Aziz besloot in arren moede te gaan onderhandelen in Djakarta en werd daar gearresteerd. Midden april 1950 landden de Javaanse militairen alsnog zonder weerstand in Makassar. Er ontstond een onoverzichtelijke situatie en er vonden gewelddadigheden plaats. Ook republikeinse guerilla's (o.l.v. Muzakkar) kwamen op Zuid Celebes uit hun schuilhoeken en pleegden aanslagen. De staatspolitie werd ontwapend. Parlementsleden werden bedreigd en er werd gedemonstreerd tegen de deelstaatregering en voor de Republik. Zuid Celebes werd vervolgens beheerst door republikeins gezinde troepen. Sukawati ging overstag en was bereid in overleg met o.a. Hatta (premier van de Republik en de RIS) te werken aan een eenheidsstaat. Waarschijnlijk is hij onder druk gezet door te dreigen met onderzoek naar zijn medeplichtigheid aan de coupe. De deelstaatregering werd vervolgens door de volksvertegenwoordiging naar huis gestuurd en er kwam een republikeins (unitarisch) gezind kabinet, dat zich onderwierp aan de (RIS)-regering in Djakarta. Chris Soumokil, oud-minister van Justitie en voormalig vice-premier van de NIT, die er later door Aziz min of meer van beschuldigd zou worden het brein achter de opstand te zijn geweest, vluchtte naar Ambon. De meeste daerahs sloten zich vervolgens afzonderlijk aan bij de Republik Indonesia (behalve Zuid Celebes en de Zuid Molukken) en in Augustus besloot het RIS-parlement de "Verenigde Staten van Indonesië" op te heffen. Daarmee verdween ook het laatste restje Negara Indonesia Timur. De eenheidsstaat Republik Indonesia was een feit. De historica Petra Groen zegt hierover: "De Republiek stelt in 1945 een eenheidsstaat voor en Nederland een federatie, dit heeft als gevolg dat met de overwinning van de nationalisten ook de eenheidsstaat als uiteindelijke staatsvorm wordt gekozen." [6]

Tot 1950 waren de Zuid-Molukken ook een onderdeel van de deelstaat, maar met het onvermijdelijke opheffen van de NIT in zicht, riep het waarnemend hoofd van de daerah Zuid-Molukken, Manuhutu, op 25 april in Ambon de onafhankelijkheid van de Republik Maluku Selatan (RMS) (Republiek der Zuid Molukken) uit. Ook Soumokil speelde hierbij een rol. Na een economische- en voedselblokkade viel de Republik het eiland Ambon in september aan en veroverde het na een relatief lange en heftige strijd. Op verzoek van de Republikeinse regering weigerden de Nederlandse autoriteiten om de Molukse KNIL-soldaten te laten terugkeren naar Ambon. Was dit wel toegestaan, dan had het de Republik veel meer moeite gekost om het eiland te veroveren en daarmee een einde te maken aan de RMS. De soldaten kwamen, met hun gezinnen, uiteindelijk in Nederland terecht, omdat ze weigerden zich te laten demobiliseren op republikeins grondgebied.

Soumokil, inmiddels president van de RMS, voerde nog jarenlang een guerrilla-oorlog op Ceram tot hij werd gearresteerd en ter dood veroordeeld. Een regering-in-ballingschap bevindt zich tot op de huidige dag nog in Nederland.


  • Literatuur:

Groen, Petra; Oprichting, functioneren en opheffing van de Deelstaat Oost-Indonesië 1946/1950, 1979, doctoraalscriptie geschiedenis R.U. Utrecht.

Ide Anak Agung gde Agung, From the Formation of the State of East Indonesia Towards the Establishment of the United States of Indonesia, T.O. Ihromi, August 1996 by Yayasan Obor Indonesia (first published January 1st 1985)

Schiller, A. Arthur; The formation of federal Indonesia 1945-1949, 1955, W. van Hoeve Ltd , The Hague, Bandung.

George McTurnan Kahin, Nationalism and Revolution in Indonesia, 1970, Cornell University Press, Ithaca and London.

Ben van Kaam, Ambon door de eeuwen, 1977, Anthos.

Ernst Utrecht, Ambon, Kolonisatie, dekolonisatie en neo-kolonisatie, Opgetekend door Frank Jaspers, Kritiese Bibliotheek Van Gennep, Amsterdam 1972

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2013

  1. Petra Groen, Oprichting, functioneren en opheffing etc .pag. 14.
  2. George McTurnan Kahin (zie literatuuropgave) stelt dat de Nederlands-Indische regering via deze ambtenaren grote invloed bleef houden op het beleid. Hij doet dit op basis van een aantal eigen waarnemingen en vermeldt geen bronnen.
  3. http://en.wikipedia.org/wiki/Abdul_Kahar_Muzakkar. Herbert Feith and Lance Castles, Indonesian political thinking 1945-1965, pag. 330., "Down with the new Madjapahitism!", Cornell Universty Press Ithaca/London, 1970.
  4. https://en.wikipedia.org/wiki/Permesta
  5. [Zie: Petra Groen, Oprichting etc. pag. 178]
  6. [Zie: Petra Groen, Oprichting etc. pag. 117]