Oostelijke Mijnstreek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grootstedelijke Agglomeratie Heerlen

De Oostelijke Mijnstreek is een streek in Nederlands Zuid-Limburg. De naam 'mijnstreek' dateert uit de eerste helft van de twintigste eeuw toen in de streek rondom de kernen Kerkrade, Heerlen, Brunssum, Nieuwenhagen, en Schaesberg de industriële steenkoolwinning van de in de Limburgse bodem aanwezige steenkool van de grond kwam. Het economisch, sociaal en cultureel leven in de periode 1910 - 1975 werd bepaald door de activiteiten rond de Staatsmijnen Wilhelmina, Emma en Hendrik en de particuliere mijnen Oranje-Nassau I t/m IV, de Lauramijn, de Juliamijn, de Domaniale mijn en de Willem-Sophiamijn.

De Oostelijke Mijnstreek valt samen met de CBS-definitie grootstedelijke agglomeratie Heerlen.

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

[bewerken] Voor 1900

Oorspronkelijk was de landbouw de belangrijkste economische sector in deze regio. In Kerkrade bestond voor 1900 echter ook al mijnbouw. In 1742 besloot het kapittel van Kloosterrade om zelf de kolenmijnen te exploiteren.

[bewerken] Bruin- en steenkoolwinning

In de periode 1900 tot 1960 draaide de economie in de regio voornamelijk rondom de steenkoolwinning. De streek behoorde tot de welvarendste gebieden van het land. In 1955 stonden de vier grootste gemeenten (Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Schaesberg-Nieuwenhagen) uit de streek in de top 25 van gemeenten met het hoogste aantal hoge inkomens (zie afbeelding 'Ranglijst gemeenten met aantal hoge inkomens').

De streek kende ook een groot aantal bruinkoolgroeven. Een blijvende herinnering aan deze dagbouw zijn de vele vijvers zoals de koffiepoel op de Brunssummer Heide en het vijverpark in het centrum van Brunssum. De bekende zandvlakte op de Brunssumerheide is niet natuurlijk maar bestaat uit zilverzand dat vrijkwam bij de ontginning van de bruinkoolmijn waar nu de koffiepoel ligt.

Na 1960 kreeg de steenkool snel concurrentie van andere andere energiebronnen zoals aardolie en aardgas. Door ontwikkelingen in de zeevaart konden kolen goedkoper van elders worden aangevoerd. In december 1965 werd tijdens een toespraak van minister Den Uyl van het kabinet-Cals aangekondigd dat de mijnindustrie zou worden gesloten omdat de exploitatie niet langer rendabel was. De sluiting verliep geleidelijk. Veel hoger opgeleide werknemers trokken in de periode 1960 - 1970 weg uit de regio om elders te gaan werken. In 1975 werd de laatste steenkoolmijn in de regio gesloten. Met de sluiting van de steenkoolmijnen verdween een groot aantal banen.

Nog steeds liggen onder Limburg grote voorraden steenkool en bruinkool op winbare diepte. Hoewel de steenkool uit de Oostelijke Mijnstreek op het laatst op 980 meter diepte werd gewonnen, liggen er strategische reserves op beter bereikbare diepten. De nieuwe Staatsmijn Beatrix onder het huidige Nationaal Park De Meinweg (buiten de Oostelijke Mijnstreek) is nooit in gebruik genomen. Ook liggen er in de Oostelijke Mijnstreek uitgestrekte lagen bruinkool. Winning is onder de huidige sociale en economische omstandigheden echter niet rendabel, daarnaast zou de grootschalige winning van bruinkool ook grote impact hebben op het landschap.

[bewerken] Na de mijnindustrie

In de periode vanaf 1970 is geprobeerd de economie te herstructureren. Dit is grotendeels gelukt maar de regio behoorde niet langer tot de welvarendste gebieden van het land. In 1975 waren de vier gemeenten Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Landgraaf reeds op de bodem (van de lijst met 570 gemeenten) van de ranglijst van hoge inkomens beland (zie afbeelding 'Ranglijst gemeenten met aantal hoge inkomens').

De vervangende werkgelegenheid concentreerde zich vooral in de industrie en de niet-commerciële dienstverlening. Vanaf 1980 heeft de economie in de regio het zwaar te verduren van de toenemende concurrentie uit lagelonenlanden. In deze periode verdween ook weer veel werkgelegenheid in de industrie.

Momenteel kent de Oostelijke Mijnstreek een sterke vergrijzing.

[bewerken] Landschap

mijnwerkerskolonie Hopel

Hoewel de steenkolenwinning in eindigde op 31 december 1974 met de sluiting van de mijn Oranje-Nassau I te Heerlen, is de ruimtelijke ordening van de Oostelijke Mijnstreek nog erg beïnvloed door het mijnbouwverleden. Typisch kenmerk zijn de zogenaamde "mijnkoloniën": kleine dorpen waarin kompels en andere mijnarbeiders woonden. Toen eind 19de eeuw en begin 20ste eeuw bleek dat grote hoeveelheden arbeiders nodig waren voor de winning van steenkolen, vreesden kerken en industriëlen dat deze arbeiders 'rood' (ofwel socialistisch) zouden worden. De mijnkoloniën werden daarom opgezet als kleine dorpen, gescheiden door stukken landbouwgrond. Conform de verzuiling werden mensen van eenzelfde kerk bij elkaar in de wijk gehuisvest. De Oostelijke Mijnstreek bestaat daardoor uit vele, kleinere kernen terwijl de totale bevolking en bevolkingsdichtheid erg hoog zijn.

[bewerken] Taal en cultuur

Voor de komst van de mijnen was landbouw de belangrijkste sector in deze regio. De mijnwerkers kwamen uit andere provincies, met name uit Drenthe en Friesland. Velen kwamen uit de veenkoloniën en ruilden dikwijls hun plaggenhut voor een stenen huis van de staatsmijnen. Het gevolg hiervan is een sterke protestantse aanwezigheid. Doordat mensen uit verschillende regio's hun eigen protestantse geloofsrichting meenamen, kent de Oostelijke Mijnstreek een hoge kerkverscheidenheid en -dichtheid. Zo kent Treebeek meer dan 10 kerkgebouwen. Door de jaren heen verwaterden deze grenzen steeds meer.

Na de Tweede Wereldoorlog vestigden zich veel Polen in de Oostelijke Mijnstreek. Dit waren 'vrije Polen' die niet terug konden of wilden naar het inmiddels communistische Polen.

Als gevolg van de arbeidsmigratie is de taalkundige situatie in de Oostelijke Mijnstreek erg divers. Zo is het Kerkraads een kenmerkend eigen dialect dat ook als voertaal dienst doet. In Heerlen en de gemeente Brunssum daarentegen (met uitzondering van de buurtschap De Kling) is het Heerlens Nederlands gangbaar, een Nederlands dat sterk door het Limburgs is beïnvloed.

[bewerken] Westelijke Mijnstreek

Naast de Oostelijke Mijnstreek wordt ook gesproken van de Westelijke Mijnstreek, ten noordwesten van deze streek. De Westelijke Mijnstreek bevat slechts 1 mijn: de Staatsmijn Maurits.

[bewerken] Parkstad

De gemeenten in de Oostelijke Mijnstreek werken samen met de gemeenten Voerendaal, Simpelveld en Onderbanken in het bestuurlijke samenwerkingsverband Parkstad Limburg. De term "Parkstad Limburg" is bedacht door oud-politicus en oud-burgemeester van Kerkrade Thijs Wöltgens en wordt ook gebruikt om deze regio aan te duiden. De naam Parkstad verwijst naar de typische ruimtelijke ordening in de Oostelijke Mijnstreek waarbij zich veel groen tussen de vele kernen bevindt.

[bewerken] Zie ook


Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren