Openbaar Ministerie (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Openbaar Ministerie (OM) of parket vormt in het strafrecht samen met de rechters de rechterlijke macht.

Anders dan de naam suggereert is het Openbaar Ministerie geen ministerie. Het valt onder het ministerie van Veiligheid en Justitie. Samen met de rechters vormt het Openbaar Ministerie de rechterlijke macht - zo staat het in de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het Openbaar Ministerie bepaalt aan de hand van gepleegde strafbare feiten of en wanneer iemand daarvoor vervolgd wordt. Haar werkterrein betreft dan ook voornamelijk het strafrecht: het Openbaar Ministerie komt vrijwel alleen maar in beeld als iemand een strafbaar feit begaat. Als mensen en bedrijven onderling of met elkaar in conflict raken kunnen zij hun geschil voorleggen in de civiele rechtspraak (bijvoorbeeld bij echtscheidingen, burenruzies, arbeidsgeschillen of huurconflicten).

Taak[bewerken]

De taak van het Openbaar Ministerie ligt wettelijk vast. In de wet op de rechterlijke organisatie staat die taak aldus omschreven:

Het Openbaar Ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij wet vastgestelde taken.

Een voorbeeld van zo'n bijkomende taak van het Openbaar Ministerie is het toezicht op mensen die gedwongen worden opgenomen in een psychiatrische inrichting (de Wet bijzondere opname psychiatrische ziekenhuizen).

De hoofdtaak van het Openbaar Ministerie is te verdelen in drie kleinere:

  • de opsporing van strafbare feiten,
  • de vervolging van strafbare feiten en
  • toezicht op de uitvoering van strafvonnissen.

Opsporing[bewerken]

Als blijkt of vermoed wordt dat ergens een strafbaar feit is gepleegd, is het opsporingswerk een taak van de politie. De politie zoekt naar sporen, hoort getuigen en slachtoffers, houdt verdachten aan en legt alle gegevens schriftelijk vast in een proces-verbaal. De eindverantwoordelijkheid voor de opsporing ligt bij het Openbaar Ministerie. Vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, de officieren van justitie, hebben daarom ook het gezag over de onderzoeken van de politie. Vooral als het om zware misdrijven gaat, geeft de officier van justitie direct leiding aan het onderzoek. Daarbij houdt deze in de gaten dat de opsporing zorgvuldig en eerlijk verloopt. Dat wil zeggen: volgens de regels die in de wet zijn vastgelegd.

Niet alleen het werk van de politie valt onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is ook verantwoordelijk voor de opsporing door de gemeentelijke sociale recherches en de bijzondere opsporingsdiensten als de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst–Economische controledienst (FIOD-ECD) en de Algemene Inspectiedienst (AID). Om het opsporingswerk goed te kunnen doen, kan de officier van justitie de politie opdracht geven bepaalde dwangmiddelen te gebruiken. Bijvoorbeeld het in beslag laten nemen van gestolen voorwerpen of het aanhouden van een verdachte die niet op heterdaad is betrapt. Het Openbaar Ministerie is niet vrij om tijdens de opsporing te doen en laten wat het wil. Als het Openbaar Ministerie zware dwangmiddelen wil gebruiken, bijvoorbeeld huiszoeking of het afluisteren van de telefoon, moet het eerst toestemming vragen aan de rechter.

Sepot[bewerken]

Soms besluit de officier van justitie niet te vervolgen: we zeggen dan dat hij de zaak seponeert. Zo'n beslissing noemen we een sepot. Er zijn verschillende redenen om niet te vervolgen. Bijvoorbeeld als de politie niet voldoende bewijs heeft kunnen verzamelen. In zo'n geval is sprake van een `technisch sepot'. Daarnaast is er het zogenaamde `beleidssepot'. In zo'n geval is er voldoende bewijs, maar besluit het Openbaar Ministerie bewust om iemand niet te vervolgen, bijvoorbeeld als er sprake is van een klein vergrijp en de dader de schade aan het slachtoffer heeft vergoed. Wie het er niet mee eens is dat een zaak wordt geseponeerd, kan daartegen in het geweer komen. Rechtstreeks belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het gerechtshof. Als het hof de klacht gegrond verklaart, moet het Openbaar Ministerie alsnog tot vervolging overgaan.

Transactie[bewerken]

De officier van justitie kan ook besluiten tot een transactie. In zo'n geval betaalt de verdachte een bepaald bedrag aan het Openbaar Ministerie (bijvoorbeeld bij een ontnemingstransactie, ook wel "plukken" genoemd), aan het slachtoffer of voert hij een taakstraf uit. Uit artikel 74 lid 1 laatste zin Sr blijkt dat door deze transactie het recht tot strafvordering vervalt. Het Openbaar Ministerie besluit soms tot een transactie als het gaat om overtredingen of veel voorkomende misdrijven. Het geld gaat naar de staatskas of soms - bij een transactieschadevergoeding - naar het slachtoffer.

Als een verdachte is aangehouden voor zo'n zaak en nog op het politiebureau zit, kan meteen de hoogte van het transactiebedrag worden bepaald. Dit wordt ook wel "aanhouden en uitreiken", of "lik op stuk" genoemd. Bij een dergelijk lik-op-stukbeleid krijgt een verdachte direct een dagvaarding en een acceptgiro met het transactiebedrag mee naar huis. Als de verdachte deze acceptgiro niet betaalt, moet deze alsnog voor de rechter verschijnen. De keuze van het wel- of niet betalen van het transactiebedrag is aan de verdachte: hij is niet verplicht deze te betalen.

Vervolging[bewerken]

Vervolging vindt in lichtere gevallen vaak plaats door een strafbeschikking.

Als bij vervolging een strafbeschikking niet aan de orde is volgt de gang naar de strafrechter. Soms begint vervolging op last van de rechter al voor iemand in de rechtszaal verschijnt. De rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld opdracht geven iemand in voorlopige hechtenis te nemen, als deze ervan wordt verdacht dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. We spreken dan ook wel van voorarrest.

Het Openbaar Ministerie zorgt dat de verdachte een dagvaarding krijgt: een brief waarin staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen en waarvan hij wordt verdacht. De opsomming van de feiten waarvoor een verdachte terecht moet staan, heet de tenlastelegging. De rechter kan een verdachte enkel veroordelen voor de feiten die in de tenlastelegging staan vermeld. Afhankelijk van de zwaarte van het strafbare feit wordt een zaak voorgelegd aan één of drie rechters.

In de rechtszaal[bewerken]

Komt het tot een rechtszaak, dan ziet de verdachte de officier van justitie voor zich in zijn rol van openbare aanklager. De officier van justitie vertelt tijdens de zitting waarvoor iemand terecht moet staan. Vervolgens neemt de rechter de tijd om de verdachte te ondervragen over de zaak. Ook de officier van justitie krijgt de gelegenheid om vragen te stellen. Daarna houdt de officier zijn requisitoir: een betoog waarin hij de rechter vertelt wat hij van de zaak vindt en een straf eist. Dat kan een geldstraf zijn, een taakstraf of een celstraf. Als de officier van justitie in de rechtszaal het woord voert, staat hij altijd. De rechter, die recht tegenover de verdachte zit, blijft altijd zitten. Om die reden worden leden van het Openbaar Ministerie ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters maken deel uit van de zittende magistratuur.

Straffen[bewerken]

Het Nederlandse strafrecht kent drie hoofdstraffen. De eerste is de celstraf. De tweede categorie is de geldstraf. Als laatste zijn er de taakstraffen. Er zijn twee soorten taakstraffen: allereerst is er de werkstraf, waarbij iemand onbetaalde arbeid verricht voor instellingen als gemeenten, ziekenhuizen, Staatsbosbeheer of andere niet-commerciële instellingen. Daarnaast is er de zogenaamde leerstraf. Een voorbeeld is de cursus sociale vaardigheden, die de rechter nogal eens oplegt aan minderjarigen.

Maatregelen[bewerken]

Naast deze hoofdstraffen kan een officier van justitie de rechter vragen een maatregel op te leggen. Een voorbeeld is de onttrekking aan het verkeer van bepaalde goederen, bijvoorbeeld verdovende middelen, wapens of illegale kopieën van cd's. Een tweede voorbeeld is de 'strafrechtelijke ontnemingsmaatregel' bekend als de wet "pluk ze", bedoeld om een verdachte de winst af te nemen die hij met zijn misdrijven heeft gemaakt, bijvoorbeeld in het geval van diefstal, oplichting of handel in verdovende middelen. Een derde belangrijke maatregel is de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de veroordeelde een bedrag aan het slachtoffer moet betalen. Een bijzondere maatregel is de terbeschikkingstelling, afgekort TBS. Deze maatregel vraagt het Openbaar Ministerie bij verdachten met een psychische stoornis, voor wie dwangverpleging nodig wordt geacht. Verdachten aan wie de rechter deze maatregel oplegt, komen terecht in een speciale TBS-kliniek. Als de rechter een straf of maatregel heeft opgelegd, is het Openbaar Ministerie ervoor verantwoordelijk dat deze worden uitgevoerd.

Minderjarigen[bewerken]

Voor jongeren van 12 tot 18 jaar gelden andere regels. Minder ernstige vergrijpen - zoals een winkeldiefstal waar weinig is gestolen of een vernieling met weinig schade - handelt de politie meestal zelf af. Vaak gebeurt dat via een zogenaamd Halt-project. De dader moet dan een aantal uren werken, meestal maximaal 20 uur. Bovendien moet de minderjarige de schade vergoeden. Zwaardere zaken komen op het bureau van de officier van justitie terecht. Deze kan zelf de zaak afdoen met een boete of een korte taakstraf (werk- of leerstraf) opleggen (meestal maximaal 40 uur). Per 1 januari 2007 kan de officier van justitie de zogenaamde strafbeschikking opleggen. Dit betekent dat er tot 60 uur taakstraf kan worden opgelegd, maar ook een gedragsaanwijzing bijvoorbeeld dat de minderjarige na 20.00 uur niet meer op straat mag zijn. Als hij de zaak ernstig vindt, kan de officier van justitie er ook voor kiezen de zaak voor de kinderrechter te brengen. De ouders, de advocaat van de minderjarige en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming mogen daarbij zijn, verder eigenlijk niemand. In het ergste geval kan de rechter een minderjarige veroordelen tot een vrijheidsstraf of als de minderjarige ernstige psychische problemen heeft tot plaatsing in een jeugdinrichting als de minderjarig. Voor minderjarigen zijn er speciale justitiële jeugdinrichtingen.

Afleggen van verantwoording door het Openbaar Ministerie[bewerken]

Het Openbaar Ministerie moet dubbel verantwoording afleggen over wat het doet. In de rechtszaal is het de rechter die beoordeelt of het Openbaar Ministerie en de politie hun werk naar behoren hebben gedaan. De minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor het handelen van het Openbaar Ministerie tegenover de Eerste en Tweede Kamer. Beslissingen over het algemene beleid komen daarom steeds aan de orde in de overlegvergadering: het geregelde overleg tussen Openbaar Ministerie en minister. Als regel houdt de minister zich bezig met het algemene opsporings- en vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie.

Alleen in uitzonderingsgevallen bemoeit de minister zich ook met opzichzelfstaande strafzaken. De minister kan leden van het OM echter wel een aanwijzing geven: een opdracht hoe ze moeten handelen in strafzaken. De minister vraagt in zo'n geval eerst het college van procureurs-generaal om advies. Als de minister uiteindelijk besluit om het Openbaar Ministerie een aanwijzing te geven, krijgt de rechter daarover alle informatie. Per slot van rekening is het de rechter die uiteindelijk beslist wat er met een strafzaak gebeurt. Als de minister besluit om iemand niet strafrechtelijk te vervolgen, moet hij het parlement daarover informeren.

De opbouw van het Openbaar Ministerie[bewerken]

Bij het Openbaar Ministerie werken in 2009 ongeveer 5200 mensen. Onder hen zijn ongeveer 800 officieren van justitie.

Parket-generaal[bewerken]

Aan het hoofd van de organisatie staat het college van procureurs-generaal. De procureurs-generaal bepalen het landelijke opsporings- en vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Samen met de staf vormt het college het Parket-generaal: het landelijke hoofdkantoor van het Openbaar Ministerie.

De arrondissementsparketten[bewerken]

Nederland telt elf rechtbanken. Het werkgebied van een rechtbank noemen we een arrondissement. In ieder arrondissement, heeft het Openbaar Ministerie zijn eigen kantoor: het arrondissementsparket. Een uitzondering hierop vormt het arrondissementsparket Oost-Nederland. Dit parket brengt sinds de zgn. Splitsingswet vanaf 1 april 2013 de zaken aan bij de twee rechtbanken Overijssel en Gelderland. Zie ook: Rechterlijke indeling van Nederland. Het Openbaar Ministerie telt daarmee tien arrondissementsparketten voor elf arrondissementen. Elk parket staat onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Deze is er voor verantwoordelijk dat het beleid van het Openbaar Ministerie in het arrondissement goed wordt uitgevoerd. Op elk parket werkt een aantal officieren van justitie. Zij vertegenwoordigen het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten en de arrondissementsrechtbank. De officieren van justitie weten zich gesteund door parketsecretarissen en administratief medewerkers. Sommige zaken, zoals verkeersovertredingen en lichte misdrijven, handelen zij zelf af. Daarnaast doen ze voorbereidend werk voor de officier in zwaardere zaken. De tien arrondissementsparketten zijn verschillend van grootte en hebben elk hun eigen karakter.

Het ressortsparket[bewerken]

Verschillende arrondissementen vormen samen een ressort. In elk ressort bevindt zich een gerechtshof. Nederland heeft vier gerechtshoven. Sinds de herziening van de gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 kent het Openbaar Ministerie één landelijk ressortsparket met vestigingen bij ieder gerechtshof. (Rechterlijke indeling van Nederland). Hun belangrijkste taak is het behandelen van zaken in hoger beroep. Als een verdachte of een officier van justitie niet tevreden is met het vonnis van de rechtbank, kan hij in hoger beroep gaan: vragen om een nieuwe behandeling van de zaak door het gerechtshof. De officier van justitie draagt de strafzaak dan over aan het ressortsparket. Ook vertegenwoordigers van het ressortsparket treden namens het Openbaar Ministerie op in de rechtszaal. Zo iemand heet echter geen officier van justitie, maar advocaat-generaal. Aan het hoofd van elke vestiging van het ressortsparket staat een hoofdadvocaat-generaal en aan het hoofd van het ressortsparket staat de Landelijk Hoofdadvocaat-generaal.

Het Landelijk parket[bewerken]

Naast de arrondissements- en ressortsparketten is er nog een twintigste parket: het Landelijk Parket, gevestigd in Rotterdam. Dit parket is, net als het Functioneel Parket, niet gekoppeld aan een rechtbank of gerechtshof.

Het Landelijk Parket houdt zich in het bijzonder bezig met de bestrijding van (internationaal) georganiseerde misdaad en terrorisme.

Bij het landelijk parket werken (medio 2005) ruim 145 officieren van justitie, parketsecretarissen, beleidsmedewerkers, administratief (juridisch) medewerkers en stafmedewerkers. De taken van het Landelijk Parket zijn te verdelen in:

  • Operationele taken
  • Landelijke taken
  • Internationale taken.

Deze taken worden uitgevoerd in drie teams:

Ook heeft het Landelijk Parket een stafbureau Management Ondersteuning dat het parket op de terreinen van personeel, automatisering, organisatie, financiën, huisvesting, voorlichting en documentatie ondersteunt.

Functioneel Parket[bewerken]

Het Functioneel Parket heeft tot doel om de criminaliteit te bestrijden op het gebied van milieu, economie en fraude. Omdat dit werkterrein breed is, is bepaald dat het Functioneel Parket verantwoordelijk is voor de opsporing en vervolging in die strafzaken, waarin een bijzondere opsporingsdienst (BOD) de trekkende rol vervult. Bijzondere opsporingsdiensten zijn de FIOD-ECD, SIOD, AID en VROM-IOD. Daarnaast houdt het Functioneel Parket zich bezig met alle milieuzaken van de regiopolitiekorpsen bijgekomen en met alle zaken van de regionale inspectiediensten van VROM en de AID. Ten slotte is het Functioneel Parket ook belast met de handhaving van de wetgeving voor de visserij en de veiligheid op de Noordzee.

Het parket bij de Hoge Raad[bewerken]

Ten slotte is er het hoogste rechtsprekende orgaan, de Hoge Raad der Nederlanden. Ook aan dit rechtscollege is een parket verbonden, met aan het hoofd een procureur-generaal. Hoewel de naam een andere indruk zou kunnen wekken, is dit parket geen onderdeel van het openbaar ministerie.

Bij de Hoge Raad kunnen partijen beroep in cassatie instellen tegen (bepaalde) rechterlijke uitspraken in strafzaken, civiele zaken en belastingzaken. De Hoge Raad beoordeelt of de lagere rechter het recht juist heeft toegepast. Is dat het geval, dan laat de Hoge Raad de uitspraak in stand; in het andere geval kan de Hoge Raad besluiten een uitspraak van de rechter te vernietigen, zodat een lagere rechter de zaak opnieuw moet bekijken. De procureur-generaal, of namens hem een advocaat-generaal, eist geen straf, maar adviseert aan de Hoge Raad wat er met de zaak moet gebeuren.

Voor een beperkt aantal zaken is de Hoge Raad wel feitenrechter, bijvoorbeeld voor ambstmisdrijven van ministers. Mocht een dergelijke zaak aan de Hoge Raad voorgelegd worden dan zal de procureur-generaal in dat geval wel als gewone officier van justitie een straf kunnen eisen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Deze pagina, of een eerder versie daarvan, is afkomstig van http://www.overheid.nl. Deze geeft dan ook (voorlopig) de situatie weer van het Openbaar Ministerie van Nederland. Daar staat wellicht ook een nieuwere versie.