Openbaar groen
Tot openbaar groen rekent men openbare tuinen, parken en openbare groenstroken, soms ook onbebouwde stadsranden, speelplaatsen en water. Doorgaans zijn gemeenten verantwoordelijk voor het beheer en beleid aangaande het openbare groen.
Inhoud |
Geschiedenis [bewerken]
Openbaar groen is een fenomeen dat in de loop van de 19e eeuw is opgekomen. Het meeste op recreatie gerichte groen was destijds niet openbaar maar in bezit van de adel of gegoede burgerij. Veel groen was er overigens niet in de destijds snel groeiende steden. Gedurende de laatste decennia van de 19e eeuw nam de aandacht voor groen toe als een middel om de stad leefbaarder te maken. Zo werden er singels en parken aangelegd, soms op oude vestingwallen. Veel Nederlandse stadsparken dateren uit deze periode zoals het in 1865 opengestelde Amsterdamse Vondelpark, het omstreeks 1880 aangelegde Groningse Noorderplantsoen en Nijmeegse Kronenburgerpark en het in 1898 geopende Utrechtse Wilhelminapark.
Verandering beheer [bewerken]
Van oudsher is stedelijk groenbeheer gericht op het bevorderen van het gebruik en de aantrekkelijkheid van openbaar groen. De meeste stadsparken zijn aangelegd in de Engelse landschapsstijl en vrijwel alle parken bieden speelgelegenheid en kunst.
De laatste decennia spelen ook overwegingen een rol op het gebied van natuur, milieu, ecologie en gezondheid. Door de grotere nadruk op natuur is het beheer op veel plaatsen geëxtensiveerd, zijn speciale voorzieningen voor dieren getroffen, zoals nestkasten en ecoducten, en worden soms grote grazers ingezet. Daarnaast streeft men naar een vermindering van de hoeveelheid chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en de aanleg van meer natuurlijke speelplekken. Bij het beheer van groen is er meer aandacht voor de rol die bijvoorbeeld bomen spelen bij het waterbeheer en de temperatuur in de stad.
Voordelen en nadelen [bewerken]
Openbaar groen wordt om verschillende redenen gewaardeerd. Het stimuleert beweging en doordat het bepaalde geuren, kleuren, klanken, vormen en associaties biedt, kan het de geestelijke gezondheid bevorderen. Ook verbetert groen het leefklimaat door bijvoorbeeld de productie van zuurstof, het wegvangen van stof en het tegengaan van te hoge temperaturen.
Soms gaat openbaar groen gepaard met onveiligheid of overlast. Enkele kruiden (zoals grassen) en bomen (zoals berken) geven allergische reacties. Lindebomen zijn berucht omdat de daarop veelvuldig verblijvende luizen een kleverige stof (honingdauw) afscheiden die enige vervuiling oplevert. Bepaalde dieren veroorzaken huidirritaties (zoals de eikenprocessierups) dan wel herrie of vervuiling (spreeuwen). Struiken worden geregeld als onveilig gezien. Deze nadelen zijn soms door goed beheer te voorkomen, door bijvoorbeeld geen berken en lindes in woonwijken te planten, en door gras op tijd te maaien.
Organisatie [bewerken]
Gedurende het grootste deel van de 20e eeuw waren gemeentelijke plantsoenendiensten in Nederland verantwoordelijk voor het leeuwendeel van het beheer van het openbare groen. Een bekend voorbeeld is de Gemeentelijke Plantsoenendienst Den Haag. Ook waterschappen dragen een deel van de verantwoordelijkheid. Later is het gemeentelijke beheer vaak ondergebracht bij andere diensten zoals de milieudienst, de dienst stadsbeheer of de sociale werkplaats. Het uitvoerend werk is ook geregeld in handen gekomen van particuliere hoveniers.
Zie ook [bewerken]
Literatuur en Links [bewerken]
- Gezondheidsraad (2004), Natuur en gezondheid. Invloed van natuur op sociaal, psychisch en lichamelijk welbevinden, Den Haag.
- Raad voor het Landelijk Gebied (2005), Recht op groen, Den Haag.
- Rooijen, M. van (1984), De groene stad. Een historische studie over de groenvoorziening in de Nederlandse stad, Den Haag.
- Vereniging voor openbaar groen
- Databank Gemeentelijk Groenbeheer
- Ecologisch groenbeheer