Operatie Paukenschlag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Operatie Paukenschlag was Duitslands eerste aanslag op de Amerikaanse scheepvaart voor de Amerikaanse Oostkust. Operatie Paukenschlag begon eigenlijk met de aankomst van vijf U-boten voor de Amerikaanse kust in januari 1942. De strijd bleef voortduren tot juni 1942. Het jachtterrein werd verder verlegd naar de Caribische Zee.

Vóór december 1941[bewerken]

Vóór december 1941 voeren geregeld Amerikaanse oorlogsbodems mee met de konvooien voor Groot-Brittannië. Dit was in zekere zin een vorm van provocatie voor de Duitse U-boten in de Engelse blokkadewateren. Men mocht geen neutrale scheepsbodem aanvallen maar ze beschermden, samen met de Britten, de konvooien en leidden andere Britse torpedobootjagers en vliegtuigen, met hun radio- en sonarcommunicaties, naar de U-boten die op de loer lagen voor een torpedoaanval, zodat ze zelf aangevallen werden door Amerikaanse hulp. President Franklin Delano Roosevelt had aan Winston Churchill hulp beloofd in de vorm van oudere torpedojagers en korvetten, die onder neutrale Amerikaanse vlag naar Groot-Brittannië werden gebracht. Tegelijkertijd vergezelden ze een konvooi naar Engeland. U-boten stegen op en de commandanten wisten niet goed wat te doen: neutrale schepen aanvallen of hen laten passeren, zodat de vijandelijke konvooien ongehinderd konden aankomen in de Engelse havens.

Oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten[bewerken]

Schermutselingen bleven niet uit zodat menig Amerikaanse oorlogsbodem door de U-boten aangevallen werd, nog vóór ze in oorlog waren met de Verenigde Staten. In die omstandigheden kan het nauwelijks verwondering wekken dat Hitler, nadat tussen Japan en de Verenigde Staten op 7 december 1941 de oorlog uitgebroken was, eindelijk op 9 december alle beperkingen van de U-bootoperaties tegen Amerikaanse schepen ophief. Twee dagen daarna volgde de oorlogsverklaring. De oorlog met de Verenigde Staten was dus een gevolg van de feiten; de oorlogsverklaring was louter een formaliteit.

Aanvang Operatie Paukenschlag[bewerken]

Na de stilte in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan in de vorige wintermaanden, was het een verleidelijk vooruitzicht voor admiraal Dönitz en zijn U-bootcommandanten om Amerikaanse schepen in hun wateren aan te vallen. Ondanks hun pogingen om van de Britten te leren, hadden de Amerikanen geen ervaring met de maatregelen die ze tegen "wolfsbende"-aanvallen van U-boten moesten nemen. Zolang ze niet de tijd hadden hun verdediging te organiseren en hun koopvaardijschepen onder te brengen in konvooien, beloofde het westelijk deel van de Atlantische Oceaan een succesvol jachtterrein te worden voor de Duitsers. Admiraal Dönitz kwam dan ook met het voorstel onmiddellijk 12 U-boten te zenden, waaronder 6 grote IXB- en IXC-boten die op dat moment ingezet waren in de buurt van Gibraltar, maar die met hun grotere brandstofcapaciteit en torpedolaadvermogen beter ingezet konden worden bij lange-afstandoperaties.

Operatie Paukenschlag[bewerken]

Tussen 16 en 25 december 1941 vertrokken 6 onderzeeboten uit havens aan de Golf van Biskaje om aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ingezet te worden bij Operatie Paukenschlag. In verband met de grote afstand waren uitsluitend onderzeeboten van het type IX geschikt voor de operatie, waarvan de Kriegsmarine - destijds met een totale omvang van 91 U-boten - twintig exemplaren in dienst had. Hiervan waren op het moment dat de aanval werd voorbereid slechts zes beschikbaar: U- 66 onder commando van Robert-Richard Zapp, U-109 onder Heinrich Bleichrodt, U-123 onder Reinhard Hardegen, U-125 onder Ulrich Folkers, U-130 onder Ernst Kals en U-502 onder Jürgen von Rosenstiel. De U-502 moest vanwege een olielek op 22 december terugkeren. De zes boten hadden opdracht gekregen om tijdens de overtocht geen aanvallen uit te voeren met uitzondering van bijzondere doelen, zoals grote oorlogsschepen.

De vijf overgebleven commandanten voeren vol goede moed door en bereikten midden januari het gebied dat ze voor hun aanvallen aangewezen hadden; tussen de Baai van de St.-Laurens en Kaap Hatteras. Hun optimisme was er niet minder om, want de Amerikanen hadden zelfs minder afweermaatregelen genomen dan werd verwacht.

De schepen voeren met hun normale vredestijd-verlichting. Steden langs de kust waren hel verlicht, en lichtboeien en vuurtorens deden normaal hun werk. Koopvaardijschepen zonden lustig uit op de 600-m-band, terwijl de marconisten onophoudelijk over van alles en nog wat praatten, ook over hun posities. De strijdkrachten maakten per radio gegevens bekend over patrouillevaarten van kustwacht en torpedobootjagers, vluchten van luchtverkenners en reddingswerkzaamheden die aan de gang waren, wat allemaal door de U-bootcommandanten werd opgevangen en gebruikt.

Het resultaat was huiveringwekkend. Overdag lagen de U-boten stil op de bodem, dicht in de buurt van de scheepvaartroutes. 's Nachts naderden ze onder water varend de kust, doken midden in de scheepvaartroutes en gingen tekeer tegen de niets vermoedende koopvaardijschepen. De U-boten konden ongehinderd hun aanvalsposities kiezen en torpederen, zonder dat ze ooit gehinderd werden door aanvallende vliegtuigen of torpedojagers. De Amerikanen hadden nog geen notie hoe ze dit moesten aanpakken en gingen in de leer bij de Britten. De Duitsers daarentegen gingen slim te werk en verspilden zo min mogelijk brandstof voor de terugweg naar hun bases in de Golf van Biskaje.

Wederom "gouden tijd"[bewerken]

Voordat de vijf U-boten dat operatiegebied verlieten wegens gebrek aan torpedo's, hadden ze meer schepen tot zinken gebracht dan zelfs in de "gouden tijd" in het noorden van de Atlantische Oceaan; de rapporten vermeldden 8 schepen van 53.000 ton door de U-123 van Reinhard Hardegen, 5 schepen van 50.000 ton door Richard Zapp met de U-66, en 4 schepen van 31.000 ton door Ernst Kals met de U-130. In zijn oorlogsdagboek betreurde Hardegen het feit dat er niet méér U-boten in de buurt waren. "Waren er maar tien, of zelfs twintig boten geweest," schreef hij, "Dan zouden ze allemaal, dat weet ik zeker, net zoveel succes gehad hebben."

Resultaat[bewerken]

Tegen eind januari 1942 waren 62 schepen met een totaal van 327.000 ton tot zinken gebracht. De meeste slachtoffers waren gevallen in de Amerikaanse wateren, in de tweede helft van januari. Toen het nieuws van de successen, en dat van de mogelijkheid om nog meer succes te boeken, de U-bootbases bereikte, vertrokken meer U-boten met geestdriftige bemanningen naar het veelbelovende jachtterrein. Tot eigen verbazing bleek een middelbare U-boot de Atlantische Oceaan over te kunnen steken en dan nog voldoende brandstof over te hebben voor enkele weken actieve dienst. Ontdekt werd dat bij een constante snelheid, als ze niet opgejaagd werden en dus niet met hoge snelheid hoefden te varen, meer brandstof kon worden bespaard dan ooit voor mogelijk was gehouden. Natuurlijk gaf admiraal Dönitz bevel om alle U-boten die beschikbaar kwamen, uit te rusten in de havens van West-Frankrijk en zo snel mogelijk naar de Amerikaanse kustwateren te varen. De felheid van de aanvallen van Operatie Paukenschlag duurde tot juni 1942. Hiermee werd ook de uitbreiding naar zuidelijke Amerikaanse gebieden bewerkstelligd. Men verlegde het jachtterrein naar de Caribische Zee.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Mason,David, Tweede Wereldoorlog - Duikbootoorlog - Standaard Tweede Wereldoorlog in woord en beeld - Standaard uitgeverij - Antwerpen/Utrecht