Operette

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Affiche voor een Franse uitvoering van Der Zigeunerbaron van Johann Strauss jr.

Een operette (letterlijk 'kleine opera') is een vorm van muziektheater die erg lijkt op opera, hoewel de onderwerpen vaak minder serieus zijn. De muzikale nummers (aria's, duetten, ensembles, koorwerken) worden veelal door gesproken dialogen aan elkaar verbonden, al dan niet ondersteund door melodrama.

Geschiedenis[bewerken]

Operette ontwikkelde zich rond het midden van de 19e eeuw, als antwoord op de steeds langer en serieuzer wordende Franse opéra comique. De toevoeging "comique" was omstreeks dezelfde tijd een rekbaar begrip geworden in de opera; Carmen (1875) is een voorbeeld van een opéra comique met een tragisch plot.

Jacques Offenbach wordt algemeen gezien als grondlegger van het genre en zijn Orphée aux enfers (1858) (Orpheus in de onderwereld) als eerste operette. Offenbach bediende zich vooral van parodie en satire. Hij werd in Frankrijk opgevolgd door Charles Lecocq, Edmond Audran en Robert Planquette, die zich meer toelegden op romantische geschiedenissen.

Franz von Suppé "vertaalde" de Franse operette naar de Weense traditie, maar het was Johann Strauss jr. (1825-1899) die de belangrijkste operettecomponist werd van de zogenaamde Gouden Periode. Zijn eerste werk in het genre was Indigo und die vierzig Räuber (1871). Zijn derde operette werd de meest gespeelde operette over de hele wereld: Die Fledermaus (1874). Andere componisten uit deze periode waren Karl Millöcker, Karl Zeller en Richard Heuberger. De Weense traditie werd voortgezet door Franz Lehár, Oscar Straus, Leo Fall en later Robert Stolz. Emmerich Kálmán werd de componist bij uitstek van de Hongaarse operette. Met Die lustige Witwe (1905) luidde Franz Lehár de Zilveren Periode in. Waar in de Gouden Periode de dans een belangrijk onderdeel was van iedere operette (cancan bij Offenbach, wals bij Strauss), daar werd de dans in de Zilveren Periode een integraal onderdeel van de handeling.

De Weense operette past met name in het tijdsbeeld van de 2e helft van de 19e eeuw, waarin de “bürgerliche Geselschafft” met de bijbehorende Victoriaanse moraal de toon aangeeft. Geheel in lijn met de romantiek voeren elementen als ‘eenvoud’, ‘gevoel en intuïtie’, en ‘de natuur’ de boventoon. Elementen als standsverschil, overspel, en de gemaniëreerde etiquette van de nouveau riche worden daarbij, doorgaans op luchthartige wijze, aan de kaak gesteld. De wortels zijn te herleiden naar het Intermezzo, als voorloper van de Opera buffa. Sinds 1642 was het in Italië de gewoonte, om tijdens de decorwisselingen van een Opera seria een gezongen klucht uit te voeren[1], een "spel der vergissingen", met twee duo's, en alle verwikkelingen die daar bij horen.

In Berlijn ontstond de zogenaamde 'revue-operette' door componisten als Paul Lincke, Paul Abraham, Ralph Benatzky, Fred Raymond en Walter Kollo. De wals werd vervangen door de mars.

Kurt Weill ontwikkelde vanuit de operette met Die Dreigroschenoper zijn geheel eigen stijl.

De Engelse operette kan in twee namen worden samengevat: Gilbert en Sullivan. Buiten Engeland wist alleen The Mikado zich in het ijzeren repertoire te nestelen.

Uit de operette als genre ontwikkelde zich min of meer naadloos het genre musical. De musical ontwikkelde zich vooral vanuit de Berlijnse 'revue-operette' en de Engelse 'musical comedy'. Jerome Kerns "Show Boat" (1927) wordt gezien als de eerste musical, lijkt in structuur en compositie nog sterk op een operette, maar is het eerste werk waarin muziek, tekst en dans volledig in dienst staan van de handeling.
Toch is de operette ook op Broadway naast de musical als genre blijven bestaan. Als sprekend voorbeeld van "een Weense operette op Broadway" wordt genoemd: Rose-Marie (1924, Rudolf Friml), beter bekend als "the Indian Lovecall".

Operette in Nederland[bewerken]

Ook in Nederland was er - in bescheiden mate - sprake van operette van eigen bodem, die vooral in de eerste helft van de 19e eeuw ook veelvuldig werden opgevoerd. De Koningin van Montmarte van Vada Ennem werd hiervan de populairste.

Operette-uitvoeringen waren er in Nederland echter veelvuldig. Al in 1862 was Offenbachs Orphée aus enfers in Amsterdam te zien en spoedig stonden ook de Weense operettes hier op het repertoire, zij het meestal uitgevoerd door buitenlandse gezelschappen. Het eerste echt Nederlandse gezelschap was Operettegezelschap Kreeft en Buderman, gevolgd door het Hollandsch Operettegezelschap van Nap de la Mar. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bestonden er al zo'n veertig gezelschappen, die echter geen van alle een lang leven beschoren waren, met uitzondering van Die Haghezangers (1918-1931) en De Operettezangers (1932-1949) van Carré-directeur Wunnink met Johannes Heesters in de hoofdrol.

In 1926 werd de Fritz Hirsch Operette opgericht, die zich vooral bediende van Duitse en Oostenrijkse zangers, waaronder ook Richard Tauber. In 1945 werd de Fritz Hirsch Operette opgevolgd door de Hoofdstad Operette, die - eerst onder leiding van Meyer Hamel, later onder zijn vrouw Netty en zijn zoon Philip - 55 jaar lang de operette in de Nederlandse theaters hield. Bij dit gezelschap werd lange tijd het gezicht bepaald door Nederlands talent als onder anderen Jan Handerson, Mizzi van der Lans, Marga de Boer, Germaine Compier, Jacco van Renesse, Anita Heins en Antoni Wink.

Hoewel de Hoofdstad Operette met een bezettingsgraad van meer dan 90% [2] volle zalen trok, zette PvdA staatssecretaris Van der Ploeg in 2001 de subsidie stop omdat het gezelschap te weinig vernieuwend zou zijn en een eenzijdig publiek zou trekken. Daarmee viel voor de Hoofdstad Operette het doek.

Gedurende het seizoen 2006/2007 bracht een nieuw gezelschap - het Nederlands Operette Theater - Offenbachs La Vie parisienne met gemoderniseerde middelen en elementen uit de musical op het toneel. Het Nederlands Fonds Podiumkunsten oordeelde: "De voorstelling ‘La Vie parisienne’ van NOT betrof een weinig gelukkige hybride vorm van operette en musical, waarbij vooral de afstemming van de geluidsversterking tussen musical- en operettezangers te wensen overliet."[3] Een subsidieaanvraag i.s.m. het commercieel onsuccesvolle [3] De Nieuwe Nederlandse Operette voor een nieuw op te richten gezelschap werd dan ook niet gehonoreerd, met als resultaat dat er geen structurele plek is ingeruimd voor professionele operette in de Nederlandse theaters.

Operette in Vlaanderen[bewerken]

Net na de oorlogsjaren hadden alle plaatselijke fanfares een apparte operettekring. De fanfare huurde professionele muzikanten van de opera in om in het dorp een operette voor het voetlicht te brengen. De dirigent van de fanfare hield van de uitdaging om het uitgebreid orkest te leiden. De slager kreeg de hoodrol toegemeten en de vrouw van één van de notabelen kroop in de huid van de diva. Op het moment dat de plaatselijke operettegezelschappen aan het uisterven waren, besloot in 1973 een groepje operetteliefhebbers een nieuw operettegezelschap op te richten en met als doel jaarlijks één operetteproductie, integraal in het Nederlands, op te voeren... de Heistse Operette Kring was geboren. Dit gezelschap groeide uit tot een succesverhaal en brengt nog ieder jaar een productie voor het voetlicht, waarmee men door gans Vlaanderen reist. In de loop van tijd werd de naam veranderd in Vlaams Muziek Theater (www.vmt.be). Dit gezelschap moet werken zonder veel subsidies, maar slaagt er toch in jaar na jaar een grootse productie neer te zetten.


Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Keller, Otto: Geschichte der Musik, (Leipzig, 1928 - 8e oplage) II p.15 ev
  2. Drama in Dreivierteltakt [1]
  3. a b NFPK+, Adviezen en besluiten vierjarige subsidieregeling 2009-2012, blz 22