Orang Blanda Itam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kees Pop uit het Indische leger geschilderd door Isaac Israëls, collectie Rijksmuseum Amsterdam

De Orang Blanda Itam (of Belanda Hitam) ook wel Zwarte Hollanders genaamd, waren West-Afrikaanse rekruten geworven in Elmina in dienst van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger die actief waren in Nederlands-Indië.

De Orang Belanda Hitam[bewerken]

Tussen 1831 en 1872 werden naar schatting 3000 West-Afrikaanse rekruten op deels vrijwillige en deels gedwongen basis naar Java overgebracht voor dienst in het Nederlandsch-Indisch Leger. Het Nederlands leger had in Indië tijdens de Java-oorlog duizenden Europese soldaten verloren en een nog veel groter aantal inheemse soldaten. Als gevolg van de Belgische onafhankelijkheid in 1830 was de eigen bevolking aanzienlijk kleiner geworden, dus konden de verliezen minder gemakkelijk worden aangevuld dan voorheen. Anderzijds wilde men het aantal inheemse soldaten in het Oost-Indisch Leger beperkt houden tot ruwweg de helft van de totale sterkte, om te voorkomen dat de troepen de kant van de inheemse bevolking zouden kiezen. Ook werd gehoopt dat de Afrikaanse soldaten beter bestand zouden zijn tegen het tropische klimaat en de tropische ziekten van Nederlands-Indië dan de Europese soldaten.

In het Maleis werden zij “Orang Belanda Hitam” ofwel “Zwarte Hollanders” genoemd en in het Javaans Londo Ireng , ook vanwege hun bijbelse- (Johannes, Mozes etc) of Hollandse roepnamen en hun meerwaardigheidsgevoel jegens de Javaanse en Ambonese militairen. Dit was het gevolg van het feit dat ze in het koloniale leger gelijkgesteld waren aan de Europeanen. De reden hiervan was mogelijk om alle schijn van slavernij te voorkomen. Zij werden aangeworven in de toenmalige Nederlandse bezittingen op de kust van Guinea, in St. George d’ Elmina in het huidige Ghana na grotendeels op de slavenmarkt in Kumasi gekocht te zijn door een vertegenwoordiger van het KNIL. Nadat deze bezittingen op 6 april 1872 aan Engeland waren overgedragen als gevolg van het Sumatra Traktaat van 1871 werd dit werfdepot opgeheven en liep het aantal West–Afrikanen in het Indische leger geleidelijk af.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Expeditie naar de westkust van Guinea (1869-1870) voor een Nederlandse expeditie naar dit gebied

Eerste werving en deelname aan expedities[bewerken]

In 1836 arriveerde een groep van 88 Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië. Inmiddels had de Nederlandse regering besloten de werving via de Ashanti-koning te laten lopen. Om die reden werd in het najaar van 1836 generaal-majoor J. Verveer met een missie naar de koning van Ashanti belast. Nadat hij op 1 november 1836 in Elmina was gearriveerd, vertrok hij met een gevolg van ongeveer 900 personen (voor het merendeel dragers die de proviand en de vele geschenken droegen) naar de hoofdstad van het Ashanti-rijk, Comassie (Kumasi). Na langdurige onderhandelingen sloot Verveer een overeenkomst met koning Kwaku Dua. In Kumasi werd een succursaal depot voor de werving ingericht dat werd bestierd door J. Huydecoper, een Nederlandse regeringsfunctionaris uit Elmina van gemengd Nederlands-Afrikaanse afkomst. Ook gaf Kwaku Dua twee prinsjes, Kwasi Boachi en Kwame Poku aan Verveer mee om in Nederland een opleiding te krijgen. Arthur Japin schreef over hen de roman De zwarte met het witte hart (1997). Omdat de Britten de slavernij al hadden afgeschaft, moest enigszins omzichtig te werk worden gegaan. De Ashanti-koning leverde slaven en krijgsgevangenen uit de omliggende regio's die echter een voorschot kregen waarmee ze zichzelf formeel vrij kochten. Dit voorschot dienden ze dan in militaire dienst van de Nederlanders terug te betalen. Desondanks leidden Britse bezwaren in 1842 tot stopzetting van de redelijk succesvolle werving. In 1855 werd de werving, vanwege de positieve ervaringen met de Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië, hervat. Dit keer werd strikt gelet op het vrijwillige karakter van de werving. Succesvol werd zij, mede om die reden, echter nooit meer. Pas in 1860 reisde het eerste detachement van 70 rekruten naar Java af. Er zouden nog enkele honderden rekruten volgen.

Expeditie naar Atjeh[bewerken]

Inlandse en Afrikaanse troepen

Onder de niet-Europese contingenten van de tweede Expeditie naar Atjeh in 1873 waren 2 compagnieën met West-Afrikanen ingedeeld als de derde en vierde Rechter Halve 2e Bataljon Infanterie onder commando van luitenant-kolonel Van der Heijden. Naar verhouding was hun aantal gering, slechts zo’n 230 man op de totale troepenmacht van 13.000 man totaal. Deze soldaten hadden echter bij de staf een uitstekende naam en waren bovendien goed bestand tegen de lokale omstandigheden. Zij kregen een hogere soldij en deelden de Europese manege. Beiden Afrikaanse compagnieën dienden onder majoor Phaff. De Atjehers waren ondertussen begonnen met strafexpedities tegen de dorpen die hadden gecollaboreerd met de Nederlanders. De Afrikaanse militairen werden ingezet ter bescherming van de plaatsen Marassa en Lampasej, en op 26 Juli 1874 bij de plaats Soerian, van waaruit de transporten over de Atjeh-rivier en over de weg van de kust naar Koeta Radja beveiligd moesten worden. Gedurende de verovering van Soerian op de Atjehers dd. 26 juli 1874 zouden de West-Afrikaners hun visite kaartje afgeven bij de Atjehers. De Afrikaanse fuselier T. Tak werd benoemd tot Ridder der Militaire Willems-Orde 4e klasse, de bronzen medaille voor Moed en Trouw werd uitgereikt aan de Afrikaanse Sergeant J.Noudjedij en aan de Afrikaanse soldaten J. Hat, W. Muil en W. Bamberg, terwijl W. Zwol en T. Zaal een eervolle vermelding kregen. Hun aantal was inmiddels door verloop en gebrek aan nieuwe aanwas gezakt van 230 naar 116 man waardoor de derde en vierde Compagnie Rechter Halve tweede Bataljon Infanterie aangevuld moest worden met Europeanen.

Op 8 november 1875 keerde kolonel Pel terug in Atjeh, als Generaal-majoor en opperbevelhebber. Op 9 november nam hij het bevel van kolonel Wiggers van Kerchem weer over, die vervolgens op 10 november Atjeh verliet. Gedurende de Atjeh-oorlog onder leiding van generaal-majoor Pel was het aantal West-Afrikanen inmiddels geslonken tot ca. 176 man. Met toestemming van het Indisch bestuur maakten twee officieren van het Brits-Indische leger, Kapitein A.P. Palmer en Kapitein W.S.A. Lockhart, als militair waarnemer een deel van de operaties mee. Palmer schreef later in zijn rapportage dat de Afrikaanse soldaten verreweg de beste waren van het Indische leger. Hij had geen hoge dunk van de slecht geoefende Europese en Javaanse fuseliers, maar nam te velde waar dat de Atjehers een heilig ontzag hadden voor de West-Afrikanen. Om de West-Afrikaanse compagnieën aan te vullen zouden nog pogingen worden gedaan en naar andere wegen worden gezocht om aan West-Afrikaanse militairen te komen maar dit liep stuk op Engelse bezwaren die meenden dat dit al te makkelijk tot verkapte slavernij zou leiden.

De Indo-Afrikaanse gemeenschap[bewerken]

Korporaals van Weenen en J. de Leeuw

Vele West-Afrikaanse militairen bleven echter na hun diensttijd in Indië en trouwden er met inheemse vrouwen. Hierdoor was op Java een hechte Indo-Afrikaanse gemeenschap ontstaan die tot aan de Tweede Wereldoorlog intact bleef en in bepaalde kampongs samenleefde. De grootse Indo-Afrikaanse gemeenschap leefde in Semarang, gevolgd door de garnizoensplaats Poerworedjo op Centraal-Java waar de Afrikaanse stamvaders in 1859 van Koning Willem III een stuk grond toebedeeld kregen. In andere garnizoenssteden als Batavia, Salatiga, Soerabaja en Djokja woonden ook Indo-Afrikaanse families. Traditioneel deden veel mannelijke leden van deze gemeenschap dienst in het Indische leger, het militaire beroep ging er over van vader op zoon. Dit verklaart ook de latere aanwezigheid van West-Afrikanen bij de Nederlandse troepen in Atjeh. Zo staan bv. in de verlieslijst van 1896 de volgende twee verliezen vermeld: Afrikaans fuselier W. Denk stamboeknummer 35700, overleed aan zijn verwondingen opgelopen op 11 augustus 1896 tijdens de excursie naar Lepong en Lohong, en Afrikaans Sergeant J. Boon stamboeknummer 18401, overleden naar aanleiding van zijn verwondingen opgelopen op 24 augustus 1896 tijdens de excursie in de XXII Moekims. Pieter Hermans wist het eind 1837 zelfs tot 2e luitenant te brengen, werd tweemaal eervol vermeld en kreeg de bronzen medaille voor Moed en Trouw. Een klein deel van de Afrikaanse soldaten keerde na hun diensttijd terug naar Elmina, waar ze zich vestigden op een heuvel achter het fort Saint George. De naam van de heuvel, Java Hill, herinnert nog aan hen. Uit Indië namen ze batikstoffen mee, die zo populair werden dat in Ghana en overige delen van West-Afrika een markt ontstond voor imitatie-batik die vanaf 1876 werd geleverd door Vlisco.
Na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië vertrokken de meesten naar Nederland. Hier vinden nog steeds reünies plaats van nakomelingen van deze militairen. In Nederland houden ze onderling contact via de stichting Indo-Afrikaans Kontakt. De laatste jaren is deze groep steeds meer in de belangstelling gekomen. Zo werd op 13 mei 2005 in het Tropenmuseum de tentoonstelling Zwart in dienst van Oranje geopend. In juni van dat jaar verscheen het standaardwerk van Ineke van Kessel over de Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië, gevolgd door 'Zwarte huid, Oranje hart. Afrikaanse KNIL-nazaten in de diaspora' (2010) van Griselda Molemans en fotograaf Armando Ello.

Jan Kooi, Ridder der Militaire Willems-Orde 4e Klasse[bewerken]

Schilderij van Jan Kooi, geschilderd in 1882 te Harderwijk door Johan Coenraad Leich (Collectie Bronbeek)

Een mooi voorbeeld is het verhaal van de West-Afrikaanse korporaal Jan Kooi. Per Koninklijk Besluit van 2 maart 1878 no. 29 werd Jan Kooi benoemd tot RMWO4 voor “Atjeh 1877”. Kooi was hiermee de eerste West-Afrikaanse militair die ooit een RMWO4 kreeg. Kooi kreeg in zijn loopbaan verder nog een Eervolle Vermelding, de Kraton Medaille en het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven. Zo zou ook de Afrikaanse fuselier J. de Leeuw (zie afbeelding) per KB 15 okt 1878 no. 61 in 1877 benoemd worden tot RMWO4 voor “Atjeh 1877”. In Bronbeek hangt een olieverfportret, gemaakt in februari 1883 door J.C. Leich, van Jan Kooi, toen 33 jaar oud en geboren in St. George d’Elmina aan de Afrikaanse Westkust. Zijn werkelijke naam zal waarschijnlijk "onuitspreekbaar" zijn geweest; veel West-Afrikaanse militairen hadden daaraan hun Nederlandse roepnamen te danken .

Na zijn diensttijd zou hij via het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk terugkeren naar zijn geboorteplaats St. George d’Elmina dat ondertussen was overhandigd aan de Britten. Tijdens zijn verblijf in Harderwijk zijn twee schilderijen van hem gemaakt, een formeel portret door Leich en een impressionistisch portret door Isaac Israëls. Volgens een artikel in het Overveluwsch Weekblad sprak hij perfect Nederlands en sprak hij met weemoed over zijn vaderland. Hij was een moedig militair. Zo redde hij het leven van een zekere Kapitein Baum in Atjeh op 31 januari 1878 door twee Atjehers te doden, waarbij hij zelf gewond raakte. Voorts vernagelde hij tien vijandelijke kanonnen in Atjeh en korte tijd later redde hij op 25 juli 1878 het leven van Luitenant Van Bijlevelt door een met klewang en lans uitgeruste Atjeher op het kritieke moment uit te schakelen. Hiervoor ontving hij een beloning van 100 gulden. Voorts wist hij op 26 april 1879 samen met twee andere Afrikaanse militairen (Blik en Jaap) een aanval op een konvooi af te slaan.

Ridders der Militaire Willems-Orde[bewerken]

  • Sergeant Herman, later bevorderd tot 2e luitenant - Westkust Sumatra 3 mei 1836- 6 augustus 1837.
  • Fuselier Niezer, Westkust Sumatra 3 mei 1836- 6 augustus 1837.
  • Fuselier Willem Mathijs, Westkust Sumatra 3 mei 1836- 6 augustus 1837.
  • Fuselier Enketje Kobend, Westkust Sumatra 3 mei 1836- 6 augustus 1837.
  • Jan Kooi.
  • Fuselier T.Tak, Atjeh.
  • Korporaal de Leeuw, Atjeh.
Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  • Mededelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis Deel 12, 1989 blz. 5.
  • Gids Bronbeek, blz. 66.
  • Neerlands Heldenfeiten in Oost-Indië - Deel III, A.J.A. Gerlach, blz 14 van de Bijage.
  • Atjeh 1896, A. Kruisheer.
  • De Atjeh-Oorlog, van ’t Veer blz 94.
  • J. Verhoog, 'De werving van Westafrikanen voor het Nederlands-Indische leger, 1831-1872', in Mededelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf, deel 12 (1989) 5-26.
  • W.M.J. van Kessel Zwarte Hollanders; Afrikaanse soldaten in Nederlands-Indië (2005; KIT Publishers; ISBN 9068324985)
  • G. Molemans & A. Ello Zwarte huid, Oranje hart. Afrikaanse KNIL-nazaten in de diaspora (2010; uitgeverij d'jonge Hond)
  • Stichting Indo-Afrikaans Kontakt