Oranje (land)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Comté d'Orange
Principauté d'Orange
8e eeuw – 1711 Koninkrijk Frankrijk (1589-1792) 
Armoirie Principauté d'Orange.png
Kaart
Oranje in 1601
Oranje in 1601
Algemene gegevens
Hoofdstad Oranje
Oppervlakte ± 300 km²
Talen Frans
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Baux, Chalon, Nassau
Staatshoofd Graaf, prins

Oranje (Frans: Orange) was een graafschap en later vorstendom in het zuiden van Frankrijk dat tot 1711 zelfstandig was. Het grensde in het westen via de Rhône aan Frankrijk en werd aan alle andere zijden omsloten door het Comtat Venaissin.

Geschiedenis [bewerken]

De eerste graaf van Oranje was volgens de overlevering Willem met de Hoorn, een hoveling van Karel de Grote, die de stad Oranje in 793 op de Saracenen zou hebben veroverd. Als deel van het oude Koninkrijk Bourgondië behoorde het graafschap sinds 1032 tot het Heilige Roomse Rijk. Het gravenhuis splitste zich in 1150 in twee linies, waarvan er een in 1163 door keizer Frederik Barbarossa in de rijksvorstenstand werd verheven. Het gebied van deze laatste tak kwam na de dood van Raimbaud III via diens zuster Tiburge III toe aan haar echtgenoot Bertrand I van Baux. Het gebied van de grafelijke tak werd aanvankelijk afgestaan aan de Johannieterorde, maar Bertrand III herenigde geheel Oranje in 1308.

Na de dood van Raimond V van Baux erfde diens dochter Maria het prinsdom. Via haar gemaal Jan III van Chalon kwam het aan het Huis Chalon en met het sterven van de laatste telg van dit geslacht, Philibert, aan diens neef Renatus van Nassau (René van Chalon), de zoon van zijn zuster Claudia en Hendrik III van Nassau-Breda. Onder René werd Oranje als twistappel tussen keizer Karel V van het Heilige Roomse Rijk en Frans I van Frankrijk verschillende malen door Frankrijk bezet. Omdat ook hij kinderloos was, benoemde hij zijn neef Willem van Nassau tot opvolger. Dit was tegen het testament van Maria van Baux, die het vorstendom Oranje in het huis Chalon bracht. Het vorstendom zou bij gebrek aan mannelijke erfgenamen naar de erfgenamen van haar dochter Alix van Chalon moeten gaan. Alix' dochter Margarita huwde in 1449 met Rudolf van Baden-Hochberg (1427-1487). Hun enig overlevende kleindochter Johanna van Neuchâtel (overl. 1543) van zoon Filips (1452-1503) huwde in 1504 met Lodewijk I van Longueville (1480-1516). Hun nakomelingen waren pretendenten van Oranje totdat deze familie in mannelijke lijn in 1694 uitstierf. Deze familie protesteerde tegen de erfrechtelijke gang van zaken na 1544 en haalden hun gelijk voor de rechtbank. Gezien de belangrijke positie van Willem de Zwijger als leider van de opstand tegen Spanje, besloten de Franse koningen dat de beslissingen van de rechtbank niet doorgezet zouden worden en lieten het vorstendom aan de Nassau's.

Deze Willem de Zwijger, later stadhouder in verschillende Nederlandse gewesten, werd in 1544 prins van Oranje - en stichtte de dynastie Oranje-Nassau - maar kon pas sinds 1559 werkelijk macht over het prinsdom uitoefenen. Ook onder zijn heerschappij werd Oranje meermaals bezet. Het viel na zijn dood toe aan achtereenvolgens zijn zoons Filips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. Erfgenaam van de laatstgenoemde was Willem II, op wie in 1650 Willem III volgde. Na het uitbreken van de Hollandse Oorlog (1672) bezette Lodewijk XIV het prinsdom. Willem kreeg het bij de Vrede van Nijmegen (1678) terug, maar het werd in 1685 bij de herroeping van het Edict van Nantes wederom ingenomen. De Vrede van Rijswijk (1697) herstelde hem definitief in de prinselijke waardigheid.

Na zijn dood in 1702 brak er een opvolgingsconflict uit tussen Johan Willem Friso van Nassau-Dietz en Frederik I van Pruisen. De eerstgenoemde was - als kleinzoon van Frederik Hendriks dochter Albertine Agnes - bij testament als opvolger aangewezen. Frederik I maakte als zoon van Frederik Hendriks oudste dochter Louise Henriëtte op grond van Frederik Hendriks testament echter eveneens aanspraak op het prinsdom. Ondertussen verklaarde Lodewijk XIV Oranje aan de Franse troon vervallen. Het parlement te Parijs wees het prinsdom toe aan Lodewijks pretendent Frans Lodewijk van Conti, die de Franse soevereiniteit erkende. De Vrede van Utrecht (1713) bekrachtigde deze gang van zaken en wees wapen en titel van Oranje bovendien toe aan Pruisen.

Ook Johan Willem Friso bleef, om aan zijn claim vast te houden, de titel prins van Oranje echter voeren. Zijn zoon Willem IV kreeg hier in 1732 door een verdrag met Pruisen weer formeel het recht toe. Sinds zijn kleinzoon Willem VI in 1815 als Willem I koning der Nederlanden werd, is de titel prins van Oranje steeds toegekend aan de oudste levende zoon van de koning. Vóór de grondwetswijziging van 1983 kwam de titel alleen toe aan directe erfgenamen in de mannelijke lijn. De laatste drager van de titel Prins van Oranje uit het Huis van Oranje-Nassau was de in 1884 overleden kroonprins Alexander, een zoon van koning Willem III en koningin Sophie. Toen kroonprins Willem-Alexander in 1980 door de troonsbestijging van zijn moeder Prins van Oranje werd, was de titel dus bijna een eeuw niet gebruikt. De eerste Prinses van Oranje is sinds de troonopvolging van Koning Willem-Alexander kroonprinses Catherina-Amalia, de huidige Pruisische prins Georg Friedrich.

Regerende prinsen van Oranje 1171-1711 [bewerken]

Oranje in 1547 te midden van het graafschap Venaissin
Oranje rond 1630

Huis Baux


Huis Chalon

Huis Nassau (Nassau-Dietz daarna vorstendom Nassau-Oranje)

Zie ook [bewerken]