Orde van de Zwarte Adelaar (Pruisen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kruis en ster van de Hoge Orde van de Zwarte Adelaar.Particuliere collectie Groningen

De Hoge Orde van de Zwarte Adelaar was de eerste en hoogste ridderorde van het koninkrijk Pruisen.

In 1918 werden alle ridderorden in het Duitse Rijk en dus ook in Pruisen, afgeschaft. De verbannen keizer en koning van Pruisen, Wilhelm II, verleende in zijn Nederlandse ballingschap desondanks nog onderscheidingen in deze orde.

Ook het huidige hoofd van het keizerlijke en koninklijke huis van de Hohenzollern, Georg Friedrich Ferdinand van Pruisen liet zich in de Almanach de Gotha van het jaar 2000 als "grootmeester in de Orde van de Zwarte Adelaar" opnemen.

De orde werd in 1701, een dag voor zijn kroning, door keurvorst Frederik van Brandenburg, daarna Frederik I, koning van Pruisen, ingesteld. De Orde van de Kousenband, de Orde van de Heilige Lodewijk en de Orde van Sint Andreas zouden model hebben gestaan.

De orde kende, zoals in die tijd gebruikelijk was, één rang: ridder, en beoogde een gemeenschap van dertig ridders te zijn. De ridders droegen een kruis, ofwel aan een zware gouden keten met schakels die afwisselend een zwarte adelaar en een medaillon met de ordespreuk "Suum Cuique" voorstelden ofwel aan een lint over de linkerschouder, en een zilveren ster. Bij bijzondere gelegenheden droegen de ridders een hoed met pluimen en een rode, blauwgevoerde mantel. De juwelen van de orde werden ook wel met diamanten versierd.

Frederik Willem III met lint en ster van de orde

Het lint van de orde was oranje ter ere van 's konings moeder, Louise Henriëtte van Nassau, een dochter van Frederik Hendrik van Oranje. De wapenspreuk "Suum Cuique", in het Duits "Jedem das Seine" en in het Nederlands wel met "Iedere het zijne" vertaald, wordt wel als het motto van de, zeker voor die tijd, verdraagzame Pruisische staat gezien.

Frederiks opvolgers waren minder pronkzuchtig en de Ordekleding en de keten van de orde geraakten in onbruik. Pas onder Wilhelm II werden deze weer gebruikt.

De orde werd vooral aan vorsten en prinsen verleend. Ook ministers en generaals werden wel met deze orde onderscheiden. Het lidmaatschap van de orde van de Zwarte Adelaar verleende adeldom en de keten werd om het wapenschild van de ridders gehangen.

De Pruisische prinsen droegen de keten pas na hun belijdenis in de protestantse kerk. De "heren van Brinckhorst", antiquairs in Bronckhorst, boden in 2008 een keten "in der Prinzengröße" aan[1]. Deze kleine keten moet voor een jonge prins zijn vervaardigd.


Te midden van de vele adellijke generaals, staatshoofden en bestuurders valt de benoeming van de burgerlijke kunstschilder Adolph Menzel (1815-1905) op. De in 1898 benoemde Berlijnse schilder was een dwerg en hij verrukte keizer Wilhelm door, te midden van de andere Ridders, in de blauwe mantel van de Orde aan het hof te verschijnen.

Dames werden al door Frederik de Grote, die de tsarina van Rusland in de orde opnam, in de orde opgenomen. De afgezette keizer Wilhelm II verleende de Orde van de Zwarte Adelaar na zijn tweede huwelijk nog aan zijn nieuwe "keizerin" Wilhelmine en binnen de Familie Hohenzollern wordt de Orde als een huisorde nog steeds verleend en gedragen.

Vanwege hun sterke familiebanden met Pruisen waren de stadhouders Willem IV en Willem V en ook koning Willem I ridders in deze orde. Zij werden ook vaak met de ster van deze orde afgebeeld.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Op de beurs van Naarden. De provenance was ongewis.