Ossificatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ossificatie (ook wel osteogenese of beenvorming) is een proces waarbij het ontstaan van de beenderen bij zowel mens als dier (mét een skelet) wordt bedoeld. Er zijn twee soorten ossificatie. Endochondrale ossificatie of (intramembraneuze) ossificatie ook wel dermische ossificatie genoemd. Bij endochondrale ossificatie gebeurt de botvorming vanuit het kraakbeen. Dit vindt plaats na de geboorte. Bij (intramembraneuze) ossificatie ontstaat het bot vanuit het botweefsel. Dit vindt plaats voor de geboorte. Het voornaamste voorbeeld zijn de verschillende schedelbeenderen.


Eerste vorming menselijk skelet[bewerken]

Tot de achtste week bezit een embryo nog geen botten, maar bestaat het hele skelet uit vezelige membranen en kraakbeen. Vervolgens zet (intramembraneuze) ossificatie in, waarbij het skelet langzaam omgezet wordt in botweefsel. Hieruit begint door ossificatie (een wisselwerking tussen osteoblasten en osteoclasten) het proces tot de verdere vorming van de beenderen.

Postnataal[bewerken]

Gedurende de groei van een pasgeboren baby naar het volwassen lichaam scheidt de groeischijf in ieder bot telkens de metafysen van de epifysen. In de vrijgekomen ruimte vindt weer ossificatie plaats van het kraakbeen, waardoor botten langer worden. Rond het 18e tot 21e levensjaar stopt deze lengtegroei. Botten kunnen vervolgens wel in dikte blijven toenemen. Het gehele verdere leven vindt botresorptie en remodellering door ossificatie plaats. Hierbij worden er telkens oude lagen bot afgebroken om de juiste verhoudingen te behouden in verband met de constante aanmaak van nieuwe botlagen aan de tegenoverliggende zijde.

Schedel[bewerken]

De schedel van een skelet bestaat uit verschillende schedelbeenderen. Bij mensen is dit ook na de geboorte nog zichtbaar (zie fontanel). Deze beenderen hechten zich middels ossificatie aan elkaar.