Ottomaans Egypte
| Geschiedenis van Egypte |
|---|
| Prehistorisch Egypte |
| Oude Egypte |
| Grieks Egypte |
| Romeins Egypte |
| Vroeg-islamitisch Egypte |
| Ottomaans Egypte |
| Moderne geschiedenis |
| Portaal Portaal |
De periode van Ottomaans Egypte is in de geschiedenis van Egypte de periode na Egypte onder Arabieren, Fatimiden, Ajjoebiden, Mamlukken (640 – 1517), duurde formeel tot 1914, maar machtspolitiek tot 1882 toen Egypte onder Britse overheersing kwam.
Inhoud |
Eerste fase [bewerken]
In 1517 veroveren de Ottomaanse Turken het Mamlukse rijk bestaande uit Egypte en Syrië[2]. Tot 1914 bleef Egypte deel van het Ottomaanse Rijk, maar vanaf 1801 werd die band steeds losser en symbolischer.
Nadat de Portugezen in 1488 de zeeroute om Kaap de Goede Hoop naar Azië hadden gevonden, en de Spanjaarden in 1492 begonnen waren de Cariben en de Amerika’s te veroveren, verloor de Europese handelsroute naar Azië door Egypte en Syrië[2] aan betekenis, wat tot verarming van Egypte en Syrië leidde. Na 1517 trokken vele geleerden en ambachtslieden uit Caïro weg naar de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel die nu Istanboel genoemd werd. Caïro verloor zijn vooraanstaande positie aan het expanderende en florerende Istanboel[3], maar bleef toch een belangrijk economisch en cultureel centrum[4], met transithandel[4] van koffie en textiel uit India naar Anatolië, Noord-Afrika en de Balkan, en ook wel handel met de rest van Europa[5], vooral Frankrijk, bijvoorbeeld in specerijen, textiel, rijst, tarwe, suiker, en eind 17e eeuw enige tijd koffie. Handel met zwart Afrika in goud, ivoor, laken, specerijen en slaven bleef onverminderd bloeien. Het systeem van ‘belasting verpachten’ (tax farming) waarbij de Ottomaanse regering het recht om belasting te innen verpachtte aan Mamlukken en oelema (moslimgeleerden) leidde echter tot uitbuiting van boeren, ambachtslieden en kooplui. Boeren die hun belastingen niet konden opbrengen verlieten hun dorpen en werden nomaden. Ook de rivaliteit tussen Mamlukken onderling, en tussen hen en de Ottomaanse gouverneurs, verarmde het land. Eind 18e eeuw was Egypte armer, en geïsoleerder van Europa en de landen oostwaarts, dan drie eeuwen eerder. De bevolking, ooit tien miljoen, telde tegen 1798 vier miljoen zielen.
Er waren echter ook tekenen van terugkerende Egyptische zelfstandigheid en zelfbewustheid. Twee Mamlukse krijgsheren, Ali Bey Al-Kabir (1760-’72) en Muhammad Abu al-Dhabab (’72-’75) wisten tijdelijk de macht over Egypte te ontrukken aan de Ottomanen en lieten een centraal bestuur over Egypte, los van Constantinopel, vrij goed functioneren. Sommige etnische Egyptenaren werkten zich op tot grootgrondbezitter; de al-Azhar-universiteit beleefde een renaissance; intussen bleven de oelema recht spreken en openbare orde handhaven.
Franse bezetting (1798-1801) [bewerken]
In april 1798 vaart generaal Napoleon Bonaparte de haven van Toulon uit met een vloot van 13 slagschepen, 6 fregatten en 40.000 troepen, om Egypte te veroveren. 1 juli landt hij bij Alexandrië. De met hun zwaard zwaaiende Mamlukken op hun paarden delven het onderspit tegen de modern bewapende Fransen, die op 21 juli Caïro innemen. Napoleon stelt een regeringsraad in, bestaande uit oelema en afstammelingen van de profeet Mohammed. Na twee maanden is er rebellie van koopmansgildes en soefi-broederschappen tegen de Franse bezetters. De Fransen openen vanaf de citadel van Caïro het vuur op moskeeën.
In juli 1799 proberen de Ottomanen tevergeefs met een leger te landen bij Abu Qir. In maart 1801 weet een gezamenlijke Brits-Ottomaanse legermacht de Fransen te verslaan en verjagen. Vervolgens vertrekken ook de Britten, en blijft een Ottomaans bezettingsleger achter om de orde te herstellen.
Egypte als semi-autonome Ottomaanse provincie (1801-1882) [bewerken]
Mehmet Ali (1801-’48) [bewerken]
Van 1801 tot 1805 strijden Mamlukse facties om de macht in Egypte, en verzwakken daarmee elkaar en zichzelf. Een ondercommandant in het Ottomaanse bezettingsleger, vermoedelijk van Albanese afkomst, Mohammed ‘Ali, beter bekend onder zijn Turkse naam Mehmet Ali, weet intussen de steun te winnen van de oelema en de gildes, en krijgt van de sultan in Istanboel gedaan dat die hem in 1805 benoemt tot nieuwe wāli (= gouverneur) over Egypte. Tot zijn dood zou zijn grootste zorg zijn: die macht te behouden. In dat kader zou Mehmet in 1811 ongeveer 470 Mamlukken vermoord hebben tijdens een banket in de citadel van Caïro[bron?].
Westerse invloeden [bewerken]
Van hoge belastingheffingen bij de boeren financierde Mehmet Ali een sterk leger. Zijn regering voerde staatsplanning van de landbouwsector in: verstrekking van zaaigoed, gereedschap, mest, irrigatie, het plannen van de agrarische productie, en het bepalen van de prijzen die boeren moesten ontvangen voor hun producten. Later liet hij Franse ingenieurs kanalen, dammen, stuwen, sluizen en nieuwe irrigatiesystemen aanleggen. De agrarische sector bloeide op.
Mehmet voerde meer Westerse vernieuwingen in: rivierhavens, pakhuizen, katoenontkorrelmachines, suikerraffinaderijen, etc. Ook probeerde hij industrieën naar Westers voorbeeld van de grond te krijgen, maar dit sloeg nauwelijks aan. Wel kwamen technische scholen van de grond, en opleidingen voor geneeskunde, talen, administratie, en kunstonderwijs.
Losser making van Turkije [bewerken]
Mehmet’s leger werd het sterkste van het Midden-Oosten. In 1811-1818 heroverde hij voor de Ottomanen Mekka en Medina. In 1821 bracht hij een deel van Soedan onder zijn controle, in het noorden werd de provincie Nubië met Khartoem als provinciehoofdstad ingericht, en in het midden Kordofan met hoofdstad El Obeid[6]. Hiervandaan werden slavenraids uitgevoerd naar Zuid-Soedan.
In 1825 steunde zijn zoon Ibrahim tevergeefs de Ottomanen in hun strijd tegen de Griekse onafhankelijkheidsoorlog. In 1831-’33 verovert Ibrahim, met enige steun van Frankrijk, heel Syrië (oftewel de Levant) en een deel van Anatolië van, nota bene, zijn eigen Ottomaanse sultan. Het Turkse Rijk dreigde te vallen en sloot ter overleving een verdrag met Rusland (1833).
Groot-Brittannië zag nu, dat zowel Rusland zijn invloed in de oostelijke Middellandse Zee vergrootte via Turkije, als Frankrijk via Egypte, en vreesde daar nadelen van. Eerst sluiten de Britten daarom in 1838 een handelsverdrag met de Ottomanen. Vervolgens eisen de Britten met alle Europese machten behalve Frankrijk in 1839 dat Egypte zich terugtrekt uit Syrië. Mehmet en Ibrahim weigeren. Daarop bombarderen de Britten Akko en dreigen met invasie van Syrië. Na onderhandelen wordt het Verdrag van Londen van 1840 overeengekomen, waarin Mehmet Ali belooft zijn troepen uit Syrië terug te trekken, in ruil voor erkenning door het Ottomaanse Rijk en de Europese machten van Egypte als bevoorrechte autonome provincie van het Ottomaanse Rijk onder bestuur van Mehmet en z’n nakomelingen.
Abbas Hilmi I en Said (1848-’63) [bewerken]
Spoorlijn, Suezkanaal [bewerken]
In 1848 sterft Mehmet Ali. Kleinzoon Abbas Hilmi I volgt hem op als gouverneur. Nadat de Britten in 1836 een postkoetsverbinding tussen Caïro en Suez (150 km) hadden ingesteld, gaf in 1851 Abbas Hilmi de Britten toestemming een spoorlijn aan te leggen tussen Alexandrië en Caïro (200 km). Daarmee ontstond een handelsroute tussen Engeland en zijn koloniën in India die nog maar zes weken vergde, half zo lang als de zeeroute via Kaap de Goede Hoop.
Abbas Hilmi wordt in 1854 opgevolgd door zijn oom Said. De Fransman Ferdinand de Lesseps, jeugdvriend van Said, kreeg dat jaar[7] toestemming van hem om het Suezkanaal te graven. De Suezkanaal Maatschappij financierde de aanleg met uitgifte van aandelen, die wereldwijd werden verkocht.
Verarming islamitische Egyptenaren [bewerken]
De handelsovereenkomst tussen Engeland en het Ottomaanse Rijk uit 1838, die sinds 1840 ook gold voor Egypte, hield in dat Britse fabrieksproducten met verlaagde invoerheffingen naar deze landen mochten worden geëxporteerd. Deze regeling ondermijnde de lokale Egyptische ambachten en handelsgildes en frustreerde de ontwikkeling van eigen Egyptische industrie.
Daarnaast hield de overeenkomst in, dat Britten, gevestigd in Ottomaanse gebied, ontheven waren van de lokale wetten en belastingen, tenzij hun eigen regering akkoord was gegaan met die wetten of belastingen. Deze regeling heet in het Engels de Capitulations of the Ottoman Empire. Later sloot de Turkse sultan zulke Capitulations ook met andere Westerse landen. Een gevolg hiervan was, dat Europese ondernemers, ingenieurs en leraren in Egypte kanalen, waterleiding en modern onderwijs kwamen helpen realiseren. Deze ondernemers huurden echter vaak Egyptische minderheden zoals Armeniërs en Joden in als lokale vertegenwoordigers, en boden hen een Europese nationaliteit aan, waardoor zij meeprofiteerden van de legale en fiscale voordelen van de Westerlingen. Daarnaast kwamen dankzij de Capitulations ook armere Europeanen ongestoord een bestaan in Egypte opbouwen als aandelenspeculant, zwendelaar of handelaar in onzedelijke artikelen. Deze twee bijeffecten werkten discriminerend en concurrentievervalsend voor de autochtone islamitische Egyptenaren, en daarmee vaak nadelig voor hun levensomstandigheden.
Ismail en Tawfiq (1863-1882) [bewerken]
Expansie en financieel wanbeleid [bewerken]
Nadat Said al geld was gaan lenen van Europese bankiers leende zijn opvolger, neef (oomzegger) Ismail Pasha, vanaf 1863 grote bedragen in het buitenland, en hij liet de staatsschuld astronomisch stijgen. Zijn uitgavenpatroon was bedenkelijk. Bruggen, spoorlijnen, havens, telegraaflijnen waren verstandige investeringen; het Egyptisch Museum, de Opera van Caïro, het gigantische feest in 1869 met alle Europese royalty en andere upper-class ter viering van de opening van het Suezkanaal, gaven Egypte een autonomer en in Europese ogen ‘beschaafder’ imago. Maar Ismail besteedde ook geld aan leger en marine en veroveringen in Afrika, aan paleizen en jachten, z'n kameraden en z’n echtgenotes, aan omkopen van journalisten en Turkse politici, en het ‘kopen’ van zijn nieuwe titel kedive (= prins) in 1866. In 1871 wordt Zuid-Soedan veroverd en de provincie Equatoria gesticht. In 1874 wordt Darfur ingelijfd. In 1875 verkoopt Ismail zijn aandelen in het Suezkanaal aan Groot-Brittannië om zijn schulden te kunnen aflossen.[8]
Europees ingrijpen [bewerken]
In 1876 oordeelde een Britse onderzoekscommissie desondanks dat Egypte op weg was naar een bankroet. Kedive Ismail stemde in met een schuldsaneringscommissie bestaande uit Britten, Fransen, Italianen en Oostenrijkers. In 1877 droeg Ismail de controle over het hele Egyptische financiële beleid over aan een comité van Britten en Fransen, de zogenaamde dual control. Toen ook dat niet hielp nam hij in 1878 een Brit en een Fransman op in zijn regering. De ontluikende middenklasse van goed opgeleide Egyptenaren was deze groeiende Brits/Franse inmenging in hun landsbestuur een doorn in het oog. In 1879 organiseerde ze straatprotest. Ismail bond in, ontsloeg de Britse en de Franse minister weer en schrapte bezuinigingen die de Europeanen hadden geëist. De Europese machten hadden er geen vertrouwen meer in dat het nog goed zou komen met de 93 miljoen Egyptische ponden staatsschuld, en gaven in 1879 de Turkse sultan de opdracht, Ismail af te zetten en diens zoon Tawfiq als kedive aan te stellen.
Urabi-revolutie (1881-’82) [bewerken]
Na de Europese ‘regieaanwijzing’ aan Istanboel in 1879 was het duidelijk dat de nieuw aangetreden kedive Tawfiq nog slechts een pion was in het spel van de grote Europese machten. Tawfiq probeerde dus weer netjes de Britten en Fransen te gehoorzamen die zeer stringente bezuinigingen eisten. De bezuinigingen raakten de gewone Egyptenaren, en de autochtoon-Egyptische officieren en dienstplichtigen in het leger, hard. In 1881 dwongen officieren onder leiding van kolonel Ahmed Urabi Tawfiq stapsgewijs tot terug in dienst nemen van honderden ontslagen officieren, tot vergroting van het leger, en tot een democratischer grondwet, die inderdaad in november 1881 werd afgekondigd. Soedan werd intussen vanaf 1881 grotendeels overgenomen door Mahdi-opstandelingen onder leiding van Mohammed Ahmad ibn Abd Allah (zie Mahdi-opstand). Na november 1881 volgden verkiezingen en de opening van de eerste Egyptische volksvertegenwoordiging met wetgevende bevoegdheden.
- De hierop volgende periode in de geschiedenis van Egypte is die van Egypte onder Britse overheersing (1882-1952).
| Bronnen en voetnoten
Dit artikel is, tenzij anders aangegeven, op 14 juli 2011 herschreven op basis van het hieronder genoemde boek van Goldschmidt, pagina’s 11 t/m 44. Goldschmidt Jr. (geboren 1938) is emeritus hoogleraar in de Geschiedenis van het Midden-Oosten aan de Pennsylvania State University, waar hij van 1965 tot 2000 doceerde. Literatuur:
Voetnoten:
|