Ottomaanse Rijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Devlet-i Âliyye-i Osmaniyye
 Sultanaat van Rûm
 Liga van Lezhë
1299 – 1922 Turkije 
Mandaatgebied Palestina 
Brits Mandaat Mesopotamië 
Frans Mandaat Syrië 
Vlag vanaf 1844 Osmanli-nisani.svg
(Details) (Details)
Motto
دولت ابد مدت
Devlet-i Ebed-müddet
("Eeuwige Rijk")
Kaart
1683
1683
Algemene gegevens
Hoofdstad Söğüt (1299-1326)
Bursa (1326-1365)
Edirne (1365-1453)
Istanboel (1453-1922)
Oppervlakte ± 5.500.000 km² (1595)
Bevolking ± 35.350.000 (1856)
Talen Turks/Osmaans, Arabisch, Koerdisch, Grieks, Albanees, Slavisch, Aramees, Armeens, Hebreeuws, Perzisch; officieel: Osmaans
Religie(s) Islam, erkende minderheidsreligies: Grieks-Orthodoxe Kerk, Armeens-apostolische Kerk, Syrisch-Orthodoxe Kerk, Jodendom
Volkslied Meerdere, onder andere De mars voor Sultan Abdulmecid II
Munteenheid Akçe, Lira, Kuruş, Sultani
Regering
Regeringsvorm Grootsultanaat (≈ keizerrijk)
Dynastie Osman
Staatshoofd sultan

Het Ottomaanse of Osmaanse Rijk (Turks: Osmanlı İmparatorluğu, Osmaans (Oudturks): دولتْ علیّه عثمانیّه, Devlet-i Âliyye-i Osmaniyye) was een islamitisch rijk dat gesticht werd door Osman I, de stamvader van de Ottomaanse dynastie en naamgever van dit rijk. Het kan beschouwd worden als de opvolger van het Seltsjoekse sultanaat van Rûm en een exponent van de Turks-Perzische cultuur. Het Ottomaanse Rijk was een wereldrijk tussen de 14e en de 20e eeuw n.Chr., en bij de grootste uitbreiding ervan besloeg het een enorm gebied in Noord-Afrika, Azië en Europa.

Geschiedenis[bewerken]

Pre-Ottomaanse periode[bewerken]

Turkse vorstendommen in Anatolië rond het ontstaan van de Ottomaanse dynastie (1300)
Rise and Fall of the Ottoman Empire 1300-1923int.gif
Gebiedsontwikkeling 1300-nu
Battle of Mohács, Turkish miniature.jpg
Ottomaans miniatuur van de Slag bij Mohács (1526)

De komst van de Turken uit Centraal-Azië naar het Midden-Oosten voltrok zich in twee grote migratiegolven. Tijdens de eerste golf aan het einde van tiende eeuw stak een groot deel van de Turkse Oghuz-nomaden de Oxus-rivier over en trok verder tot Khorasan (in het huidige Iran) en Azerbeidzjan. Onderweg naar het westen, bekeerde een groot deel van deze Oghuz stammen zich tot de islam.[1] Vanuit het grensgebied tussen Turkmenistan en Iran in Khorasan bouwden deze Turkse nomaden in de elfde eeuw het grote Seltsjoekenrijk op. De Seltsjoeken brachten een nieuwe politieke stabiliteit in de verdeelde middeleeuwse moslimwereld en beheersten een uitgestrekt gebied van de Hindu Kush berg tot in Anatolië. De Seltsjoeken raakten in conflict met het Byzantijnse Rijk. Met de Slag bij Manzikert begon in 1071 een reeks Byzantijns-Seltsjoekse oorlogen, die ertoe leidden dat rond 1290 het Byzantijnse Rijk als belangrijke macht in Anatolië had afgedaan. Dit opende de weg voor de Turkse volkeren om zich in Anatolië te vestigen. Het rijk van de Seltsjoeken viel in de 12e eeuw uiteen en werd opgedeeld in vele kleinere staten. Daarom kregen de kruisvaarders vrij spel in de regio.

Opkomst (1302–1453)[bewerken]

Met de neergang van het sultanaat van Rûm (rond 1300) werd Anatolië een brij van kleine onafhankelijke staten, de zogenaamde Ghazi-emiraten of Beyliks. Het Byzantijnse Rijk was inmiddels ernstig verzwakt en had het grootste gedeelte van Anatolië verloren aan tien verschillende Ghazi-prinsdommen. Een prinsdom in het noordwesten van Anatolië werd vanaf ca. 1280 geleid door Osman I, zoon van Ertuğrul. Osman Beg was met zijn onmiddellijke voorouders naar Anatolië gekomen tijdens de tweede grote Turkse migratiegolf in de vroege 13de eeuw, onder druk van de veroveringstochten van de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan. Oorspronkelijk behoorden de Osmanen ook tot de Oğuzen. Hun nieuwe thuisland in Anatolië was deels riskant vanwege de nabijheid van het machtscentrum van het Byzantijnse Rijk, maar deels ook aantrekkelijk wegens de ligging op de belangrijkste handelsroute en het bezit van een aantal marktplaatsen. Osman Beg verplaatste zijn hoofdstad van Söğüt naar Bursa en vormde de vroege politieke ontwikkeling van het land.

De oprichting van de Ottomaanse staat was onderwerp van een van de grote debatten in de moderne geschiedschrijving.[2] De historici zoals Paul Wittek hadden moeite om te verklaren hoe een klein vorstendom in de periferie van het Byzantijnse en Seltsjoekse gebied kon uitgroeien tot de een van de machtigste staten van de vroegmoderne tijd. De demografische push van de Turkse nomaden naar westelijk Anatolië, op vlucht voor de Mongoolse invallen was een belangrijke factor in de Ottomaanse staatsvorming. Volgens de Ottomaanse kronieken vormde in dit grensgebied in Söğüt rond Osman Gazi een groep van Turkse nomadische krijgers, de alps, die onder zijn leiding deelnamen aan de veroveringen, in ruil voor land in ‘apanage’ (yurtluk). De alps waren ervaren krijgers en aanvoerders die de migrerende Turkmeense nomadische krijgers (garibs) in de grensregio organiseerden voor gaza-expedities. De Gaza-ideologie betekende voor de vroeg-Osmanen ‘uitbreiden van de Islam en bescherming van zijn poorten’. Het was geen ‘heilige oorlog’ in de zin van jihad, maar een strikt gereguleerde veroveringsideologie. Osman Gazi groeide uit tot de primus inter pares met de overwinning op het Byzantijnse leger in 1302 in de Slag bij Bafeus. Hij bracht meerdere groepen van Turkmeense nomadische krijgers en ex-Byzantijnse gouverneurs zoals o.a. Köse Mihal (baardeloze Michael) onder zijn vaandel samen. Deze overwinning bezorgde Osmans onderneming een politieke status van vorstendom of beglik.[3] De vroeg-Ottomaanse staat weerspiegelde de Perzische en de Centraal-Aziatische concepten van bestuur. Zo werd in een vroeg-Ottomaans folkloristisch epos aan Osman Gazi het volgende geadviseerd:

Aanhalingsteken openen

“Wees rechtvaardig, haal niet de verwensingen van de armen over je hoofd, behandel je onderdanen goed en hou je gouverneurs en rechters in het oog. Handel rechtvaardig zodat je je macht kan behouden en de instemming van je onderdanen kan winnen”.[4]

Aanhalingsteken sluiten

Osman's zoon Orhan I (1324-1362) volgde hem op zonder problemen van legitimiteit. Orhan Gazi nam drie grote Byzantijnse steden in: Bursa (1326), Iznik (1331) en Izmit (1337). In 1336 liet Orhan Gazi zilveren munten slaan en verklaarde zich onafhankelijk. In de jaren 1340 nam Orhan Gazi de controle over de lange kustlijn en de kleine vloot van het rivaliserende Turkse prinsdom van Karasi. Hij bereikte zo de strategisch belangrijke schiereiland aan de overkant van de Bosporus in Gallipoli in, wat de oversteek naar de Balkan (Rumeli) vergemakkelijkte. Orhan Gazi vormde met de Byzantijnse troonpretendent Kantekouzenos een alliantie en huwde met zijn dochter prinses Theodora. Hij hielp Kantekouzenos op de Byzantijnse troon en verleende hem later ook militaire steun tegen de invasie van de Servische koning Stefan Dusan. In 1352 versloeg Orhans zoon Süleyman Paşa als bondgenoot van de Byzantijnen het Servische leger in Thracië. Hetzelfde jaar vormde Orhan Gazi ook een alliantie met Genua, dat verwikkeld was in een oorlog met Venetië over de controle van de handelsroute in de Zwarte Zee. Vanaf 1354 verwierven de Osmanen een permanente aanwezigheid in de Balkan en in 1361 werd daar Edirne veroverd, dat de nieuwe hoofdstad werd. De vestiging van de Ottomaanse bases in Zuidoost-Europa was een van de belangrijkste realisaties van Orhans bestuur.

In deze periode breidden de Ottomaanse territoria zich uit over het oostelijke gebied van de Middellandse Zee en de Balkan. De belangrijke stad Thessaloniki werd in 1387 veroverd op de Republiek Venetië en de overwinning in de Slag op het Merelveld in 1389 maakte een eind aan de Servische macht in de regio waarmee de weg vrij kwam voor verdere uitbreiding in Europa. Sultan Murat I kwam hierbij echter wel om het leven. Gedurende het bestuur van Murat I (1362-1389) werden de fundamenten van de centrale staat aangelegd. Naarmate het Ottomaanse Rijk zich verder ontwikkelde, veranderde ook het concept van de staat. De bestuurlijke en justitiële taken werden uitgevoerd door de oelema (religieuze geleerden) die vanuit de centra van de moslimwereld kwamen. Murat rekruteerde zijn bestuurders uit de voormalig Seltsjoekse centra in Anatolië, Iran en Egypte. De eerste viziers waren bureaucraten van de oelema die de klassieke Nabij-Oosterse concepten van staatsbestuur vestigden in dit nieuwe en snel groeiende rijk van de Osmanen.

Miniatuur Slag bij Nicopolis, 1396. Bayezid I komt aan de kasteel van Nicopolis, belegerd door de kruisvaarders.

Sultan Bayezid I (1389-1402) volgde zijn vader op het slagveld op. In Anatolië onderwierp Bayezid de Turkse vorstendommen en bracht ze onder direct bestuur van de gecentraliseerde staat via zijn bureaucraten van de kapıkulu (dienstplichtige dienaren van de dynastie). Hij bracht een verpletterende nederlaag toe aan het geallieerde leger van West-Europese kruisvaarders bij de Slag bij Nicopolis in 1396 – beschouwd als de laatste grote kruistocht van de Middeleeuwen. Deze overwinning beveiligde de Ottomaanse aanwezigheid in de Balkan, leidde tot een grote shock in Europa en bezorgde Bayezid grote faam in de moslimwereld. Hij kreeg van de kalief in Caïro de titel van Sultan al-Rum (Sultan van het Romeins land). De rollen van de kapıkulu en de oelema werden verder ontwikkeld en groeiden uit tot de belangrijkste instrumenten van de Ottomaanse staat. In 1400 regeerde Bayezid via deze bureaucratische klasse al over een rijk dat zich van de Donau tot de Eufraat uitstrekte. De Ottomaanse steden Edirne en Bursa waren uitgegroeid tot rijke centra van de internationale handel. Via Antalya kwam de handelsroute uit Indië en Arabië, in Amasya en Tokat passeerde de Iraanse zijderoute, verder zorgden de zout- en metaalmijnen in de Balkan en de aluinhandel met West-Europa voor grote inkomsten.

De bestuurlijke hervormingen van Bayezid I kregen echter ook kritiek en interne oppositie van de Turkse gazi-beys in de nieuwe grensgebieden in de Balkan. De snelle expansie in Anatolië bracht Bayezid in conflict met Timoer Lenk en met de Mammelukken in Egypte. Timur, de Turkse vorst van Transoxanië viel Anatolië binnen en bracht in 1402 een bijna fatale klap toe aan het prille Ottomaanse sultanaat in de Slag bij Ankara. Hij verdeelde de kernlanden van het Ottomaanse Rijk onder Bayezid's zonen, wat een burgeroorlog, Ottomaanse Interregnum veroorzaakte die tot 1413 zou duren.[5]

In 1413 wist Mehmet I de orde te herstellen en wist hij de Ottomaanse landen weer te herenigen. Daarin kreeg hij de belangrijke steun van het bureaucratische apparaat van sultan Bayezid I. De invloedrijke Turkse aristocratie en de "gazi-beys" in de grensgebieden die hun privileges niet wilden verliezen, waren gekant tegen de gecentraliseerde regering van de Osmanen. De lokale christelijke vorsten in de Balkan bevonden zich ook in een gelijkaardige positie. Al deze groepen steunden de troonpretendenten en speelden een belangrijke rol in de langdurige burgeroorlog. Uiteindelijk behaalde Çelebi Mehmet I het overwicht over zijn rivalen via de Janitsarenkorps, de infanteriesoldaten in dienst van de dynastie. Maar even belangrijk was dat hij de instemming van de oelema en de gazi's wist te winnen.[6] De privileges van de Turkse aristocratie zouden pas na de verovering van Istanbul ondermijnd worden door het centralistische beleid van sultan Mehmet II (1451-81).

Hoe zwak nog de centrale regering was, bleek toen de jonge sultan Murad II (1421-1451) de troon besteeg. Tot 1430 heeft hij meerdere opstanden van troonpretendenten weerstaan, waarbij de steun van de gazi-beys cruciaal was voor succes. Ook de Turkse staatjes in Anatolië erkenden zijn gezag niet. Nadat de interne restauratie was voltooid, richtte Murad II zich op de Turkse staatjes. Hij onderwierp deze en verplichtte hen om de afgenomen territoria terug te geven. Na deze chaotische periode voerde Murad een verzoenend beleid met de Turkse vorsten in Anatolië, de Balkan-staten en met de Byzantijnen. Hij wilde de status quo handhaven. Murad was een sultan die graag dronk, zich had omringd met muzikanten, dichters en kunstenaars en die geboeid door het mystieke soefisme. Militair capabele viziers als Şihabeddin Paşa zorgden er echter voor dat Murads regering cruciale militaire successen kende.[7] Bertrandon de la Broquière, de Bourgondische spion merkte op:

Aanhalingsteken openen

Ze vertelden me dat hij (sultan Murad II) de oorlog haat en ik denk dat het waar is. Want indien hij gebruik wilde maken van de immense rijkdom waarover hij beschikt, zou hij gemakkelijk vele plaatsen in Europa kunnen veroveren.[8]

Aanhalingsteken sluiten
Portret van sultan Mehmet II (1451-81), "de Veroveraar" (Fatih)
Sultan Süleyman I (1520-66), ook bekend als Süleyman "de Prachtlievende" of "de Wetgever"

Murad richtte zich op de Balkan en heroverde in 1430 Thessaloniki op Venetië. Om de Hongaarse controle op Servië te verzwakken en de Venetiaanse claims in Albanië te counteren, wilde hij het gebied ten zuiden van de Donau controleren. Murad was vooral bezorgd door het commerciële overwicht van de Venetianen in de Middellandse Zeegebied. Hij zag deze economische wanverhouding als een nadeel en voerde een expansiebeleid om de Venetiaanse commerciële hegemonie af te zwakken, zodat de Osmanen de controle over de Levantijnse handelsroutes konden overnemen. Hij stimuleerde verder de traditionele bondgenootschap met Genua, de aartsrivaal van Venetië. De controle over Servië breidde Murad uit door zijn huwelijk met de dochter van despoot Đurađ Branković, die zijn vazal werd. De grootste dreiging op de Balkan kwam echter van de Hongaren, die in de periode 1441-1442 enige militaire successen hadden geboekt. Murad wist de Hongaarse dreiging af te weren en hij sloot in 1444 een vredesverdrag met hen in Edirne. Hetzelfde jaar sloot hij ook een vredesverdrag af met de Karamanli's, een rivaliserend Turks vorstendom in Anatolië. Oorlogsmoe en in de overtuiging dat hij de vrede aan de oostelijke en westelijke grenzen van het rijk had verzekerd, deed sultan Murad II in 1444 troonsafstand ten gunste van zijn twaalfjarige-zoon Mehmet II. Hij trok zich terug naar Manisa in Anatolië.

De Byzantijnen en de paus lieten deze kans niet onbenut en brachten een groot kruisvaardersleger uit West-Europa op de been. De Hongaren verbraken het vredesakkoord en voegden zich bij de West-Europese en Byzantijnse alliantie. Ook de lokale dynastieën in de Balkan namen de wapens op tegen de Osmanen. De jonge sultan Mehmet II kon de situatie niet aan. Bovendien raakte hij verstrikt in een conflict tussen de grootvizier Çandarlı Halil Paşa en zijn mentor, lala Zağanos Paşa. De inwoners van hoofdstad Edirne werden geëvacueerd toen het kruisvaarders-leger de stad tot zeer dichtbij naderde. De grootvizier Halil Paşa riep sultan Murad II terug uit Anatolië. Ondanks de blokkade van de Bosporus door de Venetianen, stak Murad met het leger de Bosporus over, onder dekking van een spervuur van de Genuese vloot. Op 10 november 1444 trof hij de kruisvaarders in de Slag bij Varna, die eindigde met de dood van de Pools-Hongaarse koning Wladislaus van Varna en de nederlaag van de kruisvaarders.[9] Samen met een tweede overwinning in de tweede Slag van Kosovo in 1448 vormde dit de basis voor het Ottomaanse machtsoverwicht op de Balkan in de volgende vier eeuwen. Ze brachten de verovering van Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse rijk, ook dichterbij.

Het Beleg van Wenen in 1529
Ottomaanse vloot in de Indische Oceaan in de 16e eeuw
Een 15e-eeuwse Janitsaar. Tekening door Bellini

Het Osmaanse Rijk als wereldmacht, 1453–1683[bewerken]

Met de verovering van Constantinopel in 1453 en de val van het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk, kwam het Osmaanse Rijk in een nieuwe fase. In de 16e eeuw groeide het uit tot een wereldmacht. Het Osmaanse territorium strekte van de Middellandse Zee tot de Adriatische Zee en van de Kaspische Zee tot de poorten van Wenen. Dit hoogtepunt werd door latere Osmaanse historici beschouwd als een 'gouden tijdperk' waarin de staat sterk was en werd bestuurd door competente sultans en bureaucraten en waarin het intellectuele en artistieke leven bloeide.

Gedurende de regering van sultan Mehmet II (1451-1481) werd de Ottomaanse staat omgevormd tot een gecentraliseerd rijk. De Osmanen gebruikten niet de term "rijk" maar noemden het de Sublieme Staat, Devlet-i Aliyye. De centralisatie bereikte zijn hoogtepunt tijdens het bestuur van sultan Süleyman I (1520-1566).

Na zijn troonsbestijging in 1451 richtte sultan Mehmet II zich op de verovering van Constantinopel. Hij wilde snel handelen voordat de Europese inspanningen om de orthodoxe en katholieke kerken te verenigen zouden slagen. Twee jaar later veroverde hij het centrum van het Oost-Romeinse rijk en riep het "Nieuwe Rome" uit tot de Osmaanse hoofdstad. Deze verovering leverde Mehmet niet alleen de religieuze titel van Ebu'l Feth (vader van de verovering) op, maar het versterkte zijn positie tegenover zijn politieke tegenstanders en maakte het mogelijk om alle macht in zijn persoon als vorst samen te brengen. Hij ondermijnde de invloed van de Turkse aristocratie, in het bijzonder door de executie van grootvizier Çandarlı Halil Paşa. Deze had hem eerder proberen af te zetten via een opstand van de Janitsaren. Daarmee maakte Mehmet een einde aan de machtsdeling van de aristocratische families in het bestuur.[10]

Tegelijk voerde Mehmet een reeks van wettelijke, bestuurlijke en militaire hervormingen door om een gecentraliseerde staatsstructuur te vormen. Hij slaagde erin om de absolute macht van de sultan te consolideren door het instellen van een centraal bestuur, waarin de bureaucraten en militairen gerekruteerd via het devşirme-systeem de belangrijkste instrumenten van de staat werden. De Osmaanse staat ontstond uit een vermenging van de nomadisch-Turkse politieke tradities en instellingen, het Perzisch bestuurlijke erfgoed, de islamitische sharia-wetgeving aangevuld met de vorstelijke wetten (kanuns) en tenslotte enkele Oost-Romeinse praktijken.[11]

Het evenwicht tussen de dynastieke en islamitische wetten kon enkel bewaard worden door een sterke, centrale autoriteit, in de persoon van de sultan. Omdat de kanun opgesteld was door menselijke rede en dus veranderbaar was, had deze een grotere relevantie voor de Osmaanse staat dan de goddelijke wetgeving. Samen drukten ze de Osmaanse politieke idee van universele rechtvaardigheid uit. In de woorden van Tursun Beg, de vijftiende-eeuwse Osmaanse historicus:

Aanhalingsteken openen

Bij de wetten gebaseerd op rede, voor de goede orde van de wereld [nizam-ı âlem], zoals bijvoorbeeld Dzjengis Khan dat deed, worden de gebeurtenissen verbonden met causaliteit, en dat wordt de sultanspolitiek en imperiale wetgeving [siyâset-i sultani ve yasağ-ı padişahi] genoemd, die in ons [Turkse] gebruik örf wordt genoemd. Om dit te handhaven is een vorst [padişah] nodig. Een profeet is niet altijd nodig (…), maar een vorst is wel altijd nodig, omdat hij het gezag bezit om wetten in te stellen en uit te voeren voor het publieke belang. Want indien zijn autoriteit wegvalt, kan er geen recht worden afgedwongen en de mensen kunnen niet samenleven; ze zouden elkaar en deze orde vernietigen.[12]

Aanhalingsteken sluiten

Door de veroveringen werden nieuwe culturen geïncorporeerd. Zo nam Mehmet niet alleen de Turks-Arabische titel van Khan van de Twee Continenten en de Twee Zeeën aan, maar voegde hij er Kayser-i Rûm (keizer van Rome) aan toe. Toen hij op 21-jarige leeftijd Istanbul veroverde, sprak Mehmet vloeiend Turks, Perzisch, Arabisch, Hebreeuws, Grieks en Latijn. Mehmet tolereerde de co-existentie van drie religies in Istanbul, in schril contrast met de gelijktijdige inquisitie in Spanje. De patriarch behield zijn autonomie over de Grieks-orthodoxe gemeenschap van Istanbul. De andere christelijke en joodse gemeenschappen werden erkend als autonome gemeenschappen.

Vaak nodigde sultan Mehmed bekende geleerden en filosofen uit en liet hen discussies voeren. Zo voerde hij gesprekken met de de Griekse monnik Gennadios over christendom.[13] Sultan Mehmed schreef gedichten onder het pseudoniem 'Avni' (de helper) en liet een dichtbundel na in de klassiek Ottomaanse literaire stijl. Hij bouwde universiteiten (madrassa's) en stimuleerde de ontwikkeling van onderzoek in wiskunde, astronomie, geneeskunde en theologie. Hij liet zich portretteren door de Italiaanse schilder Gentile Bellini in Istanbul. Leonardo da Vinci verzocht sultan Bayezid II (zoon van Mehmed II) om onder zijn patronage te komen en een brug over de Gouden Hoorn te bouwen.[14] Verder bewaarde Mehmed ook een reeks Griekse manuscripten in zijn bibliotheek. Vanwege zijn interesse in de Italiaanse architectuur nodigde hij de ingenieur en architect van Boulogne, Aristotile Fiorevante uit.[15] Door de kooplieden, de geleerden zoals Ali Kusçu en de kunstenaars uit de provincies van het rijk en van het islamitische cultuursteden als Herat, Bagdad en Samarkand ontwikkelde Istanbul zich tot een ware metropool.[16]

In een reeks expedities verenigde sultan Mehmet II de voormalige Oost-Romeinse territoria in de Balkan onder het Ottomaanse bestuur. In 1461 nam hij het Byzantijnse Keizerrijk Trebizonde in en elimineerde zo alle Byzantijnse dynastieën die de Romeinse troon konden opeisen. Hij annexeerde het Turkse vorstendom Karaman en versloeg zijn rivaal Uzun Hasan in 1474. Zo bracht hij Anatolië onder het Ottomaanse centrale bestuur. Deze uitbreiding tot aan de grenzen van het sultanaat van de Mamelukken van Egypte bracht de twee machtigste moslimstaten op rand van oorlog. In dezelfde periode ondermijnde Mehmet het commerciële overwicht van de Venetië in de Middellandse Zeegebied, veroverde hun belangrijkste handelskolonies in de regio en dwong de machtige stad tot een vredesverdrag. Aan de Zwarte Zee annexeerde hij alle handelskolonies van Genua en het Kanaat van de Krim (1459-75).

Daarna richtte Mehmet zich op de hereniging van het Romeinse Rijk, wat sinds de afzetting van de laatste keizer in Rome door de Germanen in 476 niet meer gebeurd was. De Byzantijnse geleerde Georgios van Trebizonde schreef in 1464 aan Mehmet:

Aanhalingsteken openen

Laat niemand twijfelen dat jij rechtmatig de Keizer van de Romeinen bent. De hoofdstad van het Romeinse rijk is Constantinopel. Wie dan ook de legale bezitter is van de zetel van het rijk is bijgevolg ook de legitieme Keizer van de Romeinen".[17]

Aanhalingsteken sluiten

In 1480 viel zijn beste bevelhebber Gedik Ahmed Paşa Italië binnen en veroverde Otranto. Italië was verdeeld door de rivaliserende stadstaten en Mehmets plannen om Rome te veroveren en het Romeinse rijk te verenigen leken te slagen, maar een opstand in Albanië zorgde dat hij zijn aandacht moest verleggen. Tijdens deze expeditie werd sultan Mehmet vergiftigd en stierf hij onderweg in 1481.

Na het plotse overlijden van sultan Mehmet II ontstond een opstand van de Janitsaren en een opvolgingsstrijd tussen zijn zonen Cem (Djem) en Bayezid II. Cem werd beschouwd als de opvolger en voortzetter van het beleid van zijn vader. Maar er was grote ontevredenheid over sultan Mehmet's centralistische beleid. Mehmet's inspanningen om de centrale staat te verankeren en de financiering van de vele militaire expedities leidden tot ongenoegen onder de vele segmenten van de samenleving. Vooral de bevolking leed onder de nieuwe belastingen en de derwisjen van de mystieke orden waren ontevreden omdat hun inkomstenbronnen waren afgenomen. Daar kwam nog een verborgen oppositie bij binnen de elite, bestaande uit aristocraten die hun status hadden verloren en die aangespoord werden door bureaucraten die op meer macht hoopten. Al deze elementen hadden zich geschaard achter Bayezid II en ze vonden bondgenoten onder de Janitsaren.

De grootvizier Karamani Mehmet Paşa schoof Cem naar voren als de nieuwe sultan, maar de Janitsaren grepen in en zetten de grootvizier af en haalden Bayezid II naar Istanbul om de troon te bestijgen. Cem kwam in opstand tegen zijn broer maar werd definitief verslagen met de cruciale steun van Gedik Ahmet Paşa. Cem zocht onverstandig zijn toevlucht bij de hospitaalridders van Rodos, waar hij gevangen werd gezet tegen betaling van 45.000 goudstukken per jaar. Tot zijn dood in 1495 werd Cem door de paus gebruikt als lokaas voor een nieuwe kruistocht en de paus dreigde Bayezid om Cem vrij te laten indien hij campagnes zou ondernemen in Europa.

De verovering van Rodos in 1522

De veroveringen van sultan Mehmet II brachten het rijk in conflict met opkomende christelijke en islamitische mogendheden: Hongarije, Spanje en het Heilige Roomse Rijk in het noorden en westen, Perzië in het oosten, en de Mammelukken in Egypte. Sultan Selim I wist de laatste twee in een bliksemveldtocht van slechts enkele jaren te veroveren. In 1514 werd sjah Ismail I in de Slag bij Chaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in Oost-Anatolië en het noorden van Mesopotamië bevestigde. Daarbij sloot Selim I een alliantie met de Koerdische stammen in de regio. In 1516 veroverde sultan Selim I Syrië en Palestina, in 1517 het Mammelukkenrijk in Egypte. Omdat de heilige steden Mekka en Medina afhankelijk waren van Egyptische voedselvoorzieningen, kwam de sjarif van Mekka vrijwillig onder Osmaanse bestuur. Maar door de verovering van het Mamelukkenrijk werd de samenstelling en het karakter van de Osmaanse staat sterk veranderd. Tot 1517 was het een regionale macht aan de grenzen van de moslimwereld, hoewel met een aanzienlijk prestige. Na de verovering van Egypte, Syrië en in 1533 Irak bestuurde de Osmaanse regering niet alleen een groot aantal niet-islamitische inwoners, maar controleerde het de kernlanden van de moslimwereld. Dit gaf de Osmanen een sterkere positie tegenover zowel het Habsburgse rijk als de Safawiden in Perzië en versterkte hun legitimatie binnen de moslimwereld. De Osmaanse sultans waren voortaan ook de Beschermers van de heilige steden (Mekka, Medina en Jeruzalem) en van de bedevaart naar deze plaatsen. Ook werd het kalifaat door de emir van Mekka aan Yavuz Sultan Selim gegeven. Yavuz Sultan Selim noemde zich echter 'dienaar van de heilige steden van Mekka en Medina' in plaats van de gebruikelijke titel te gebruiken.

Tijdens de regering van sultan Süleyman I (1520-1560) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding en beheerste het de Middellandse Zee. Ook het Osmaanse wettelijke en bestuurlijke systeem kwam dan tot volle ontplooiing. Süleyman was de tiende en langstregerende sultan van de Osmaanse dynastie. In het Westen is hij bekend als Süleyman de Prachtlievende. Hij was een van de machtigste vorsten in Europa van de 16e eeuw. Hij leidde persoonlijk de Osmaanse legers en veroverde belangrijke christelijke bolwerken zoals Belgrado, Rodos, bracht een einde aan het koninkrijk Hongarije in de Slag bij Mohács in 1526 en belegerde Wenen in 1529. De Slag bij Mohács kan als een hoogtepunt van de Osmaanse veroveringen in Europa worden gezien. In het oosten versloeg hij in 1534 de Safawiden in Mesopotamië en veroverde Bagdad. Grote delen van Noord-Afrika, zoals Algiers (1516), Tunis (1534) en Tripoli (1551) kwamen onder Osmaanse controle. De Krim werd veroverd, waardoor de Zwarte Zee een Ottomaanse binnenzee werd. De Ottomaanse vloot onder leiding van admiraal Hayreddin 'Barbarossa' Pasha domineerde de zeeën van de Middellandse Zee tot de Rode Zee en de Perzische Golf.

Sultan Süleyman voerde verder wetswijzigingen in met betrekking tot maatschappij, onderwijs, belastingsysteem en strafrecht. Hij was daarnaast een begaafd goudsmid en dichter die schreef onder het pseudoniem Muhibbi, wat 'minnaar' betekent. Süleyman trad ook op als beschermheer van de cultuur en stimuleerde de bloei van de artistieke, literaire en architecturale ontwikkeling van het Osmaanse cultuurleven. Hij sprak zes talen: Osmaans Turks, Arabisch, Servisch, Chagatai (een dialect van de Turkse taal, gerelateerd aan Oeigoers), Perzisch en Urdu. Süleyman trouwde met een haremmeisje, Hürrem Sultan, in het Westen bekend als Roxelana.

Aanhalingsteken openen De mensen kijken op naar de staat als iets prestigieus,
Maar er is geen groter geluk dan een adem vol gezondheid.
Wat ze regering noemen is maar een strijd om de wereld,
Er is geen groter geluk en fortuin dan de eenheid van de wereld.
Als je vrede wilt, O Muhibbi, bevrijd je dan van alles,
Er is geen rustgevender toevluchtsoord dan de gemoedsrust van de eenzaamheid.
— Gedicht van Süleyman, alias Muhibbi
Aanhalingsteken sluiten
Wereldkaart van Piri Reis, Ottomaans zeevaarder, navigator en cartograaf (16e eeuw)
17e-eeuwse miniatuur met astronomen die met telescopen de hemellichamen bestuderen

Vanaf de jaren 1590 was de macht van de sultans ingeperkt door een verankerde bureaucratie, die over eigen machtsbronnen beschikte.[18] De macht verschoof naar onder meer de grootvizier en bevelhebbers van de Janitsaren en de centrale bureaucratie. Een bekend incident was de gewelddadige afzetting van de jonge sultan Osman II in 1622. Na een mislukte expeditie in Polen in 1621 was Osman II overtuigd dat de Janitsaren en de staatsmannen niet langer bekwaam waren en wilde een hervorming van het leger en bureaucratie doorvoeren. In zijn voornemens hield hij echter weinig rekening met de interne machtsverhoudingen. Met zijn plannen joeg de jonge sultan niet alleen de Janitsaren, maar ook het establishment tegen zich in het harnas. Ze vreesden hun posities en privileges te verliezen en spoorden de Janitsaren aan tot een paleiscoup. Toen Osman II niet toegaf aan druk van de Janitsaren om van zijn hervormingen af te zien, bestormden ze het Topkapi-paleis, zetten hem af en sloten hem op. Twee dagen later sprak de oelama een fatwa uit tegen Osman II en werd hij gewurgd.[19]

Het Osmaanse Rijk en Europa[bewerken]

Zilveren, gegoten en nabewerkte halve maan geuzenpenning met de leuze 'Liever Turks dan paaps' (1570)
Ottoman Sultan selim III 1789.jpg
Selim III ontvangt de staatslieden tijdens een audiëntie aan de Poort van Gelukzaligheid, Topkapı Paleis.
Jean-Baptiste van Mour 006.jpg
Ahmet III ontvangt franse ambassadeurs in 1724
John frederick lewis-reception1873.jpg
Oriëntalistische schilderij van een Turks huis in 1873 (John Frederick Lewis)
İstanbul 4228.jpg
De Ortaköy-moskee is een voorbeeld van Ottomaanse Barokke architectuur

De overheersing van de Balkan en een deel van de rest van Oost-Europa vormt een belangrijk hoofdstuk in de Europese geschiedenis. Rond 1345 staken zij bij de Dardanellen over naar Europa. Langzaam maar zeker rukten de Ottomanen verder in Europa op. Onder sultan Murat I veroverden zij gebieden in Bulgarije en Servië, waarmee ze een zeer sterke aanwezigheid in Europa kregen. Sofia werd in 1385 veroverd, Thessaloniki in 1387, later werd ook Albanië veroverd. In de 15e eeuw gingen de veroveringen door, meer gebieden in onder andere Servië werden veroverd en in 1453 viel de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel, dat de nieuwe hoofdstad van het Ottomaanse Rijk werd. Sultan Mehmet II maakte uitdrukkelijk aanspraak op de titel van Kayser-i Rum caesar en zocht Rome als de ultieme bekroning op zijn carrière. Hij wilde het Romeinse rijk verenigen. Zo had het rijk in Italië in 1480 voor korte tijd een basis in Otranto.

Het Osmaanse Rijk was vanaf de vijftiende eeuw een onderdeel van de Middellandse Zeewereld en ook van Europa. Relaties met Europa begonnen eerst met de Italiaanse staten als Genua en Venetië en die volgden later met de andere Europeanen. Naast vele oorlogen waren er ook technologische, culturele en intellectuele uitwisselingen. In die zin hadden de Ottomanen een belangrijke rol in de Italiaanse, Engelse en andere Europese Renaissances.[20] De Renaissance diplomatie ontwikkelde hoofdzakelijk uit de ervaringen van de Italiaanse staten met de Osmanen in de 14e, 15e en 16e eeuw. Om een commerciële aanwezigheid in de snel uitbreidende rijk zich te garanderen, vormden de Italianen in het Ottomaanse Rijk residerende ambassades die regelmatig verslag uitbrachten. Verder werden de ideeën van de 'Renaissance' en 'Europa' niet alleen gevormd op basis van een oppositie tegen andere culturen of door verovering van verre territoria of overheersing van verschillende volkeren. Maar ook in relatie met het Ottomaanse Rijk dat de Europese staten niet konden controleren. De inwoners van de Europese staten keken met angst, bewondering en afgunst naar de Osmanen. De 16e-eeuwse Vlaming Ogier Ghiselin de Busbecq maakte als ambassadeur van de Habsburgse koning Ferdinand van Oostenrijk, de broer van Karel V, meerdere reizen naar het Ottomaanse Rijk. In Istanbul was hij zo onder de indruk van de meritocratische karakter en de sociale mobiliteit in het Ottomaanse Rijk:

Aanhalingsteken openen

Iedereen bezet de post die hem op grond van zijn kwaliteiten is toegewezen. Afkomst, rijkdom, populariteit of invloed speelt geen enkele rol in het benoemingsbeleid. Waar het de sultan om gaat, is verdienste, karakter, natuurlijke vaardigheid en aanleg van de kandidaat voor de betreffende post. Zij die oneerlijk zijn, lui en vadsig komen nooit in aanmerking voor een hoge regeringspost. Dat is de reden van hun succes en de dagelijkse uitbreiding van hun rijk. Dit zijn niet onze ideeën; onze methode is totaal verschillend. Bij ons is geen ruimte voor verdienste, alles hangt af van geboorte; het prestige van geboorte is de enige weg die kan leiden naar een hoge regeringspost.[21]

Aanhalingsteken sluiten

De 16de eeuw was dan getekend door de strijd om politieke hegemonie tussen de Osmaanse sultan Süleyman I en zijn tijdgenoot, de Habsburgse koning Karel V. Over één stelling waren de Osmanen en de Habsburgers het in die jaren roerend eens: er kon maar één wereldrijk zijn. De Osmanen hadden de twee rivalen in de moslimwereld, de Safaviden in Perzië geneutraliseerd en het Mammeluk sultanaat van Egypte en Syrië veroverd. Het beleg van Wenen in 1529, en later in 1683, waren de hoogtepunten in de ‘Slag om Europa’ tussen de Osmanen en de Habsburgers. Na Wenen was Rome het volgende doelwit. Dat zou de val van de paus hebben betekend.[22]

In 1529 werd Wenen voor het eerst belegerd door de Osmanen; door de winterkou en een pestepidemie moest dit beleg worden opgebroken. In 1558 hadden de Osmanen de Balearen veroverd en geplunderd, en deden zelfs aanvallen op de Spaanse kust. De Balkan was al eerder grotendeels veroverd en kon nu worden gezien als springplank naar Italië. Het beleg van Malta (1565), dat verdedigd werd door de Hospitaalridders, moest na zware strijd door de Ottomanen worden opgebroken. Lange tijd werden de Ottomanen in Europa gezien als bedreiging voor het voortbestaan van het christendom, zodat er diverse militaire coalities tegen werden gesmeed. Spanje, dat in die tijd dankzij de zilver- en goudimport uit Amerika veel te besteden had, speelde hierbij een hoofdrol, zowel uit religieuze als geopolitieke motieven. De rivaliteit ter zee bereikte in 1571 een hoogtepunt in de Slag bij Lepanto, aan de Griekse oostkust. Het was een grote overwinning voor de 'Heilige Liga', maar die viel uiteen zodra de acute dreiging was afgewend; onderlinge rivaliteit tussen de christelijke mogendheden kreeg weer de overhand. De Ottomanen kregen daardoor nog de kans zich van 'Lepanto' te herstellen.

Doordat de Ottomanen het hele oostelijke Middellandse Zeegebied beheersten, hadden zij aanvankelijk een monopolie op de doorvoerhandel tussen Europa en Azië. De Venetiaanse handelaren die via de Levant handel dreven met India en China, konden daardoor hoge prijzen opgelegd worden op handelswaar zoals peper. De specerijen werden letterlijk peperduur. Dit leidde tot het zoeken naar alternatieve routes over zee naar de Indische specerijengebieden. Eerst werd de route rond Kaap de Goede Hoop (1488) ontdekt. Het zoeken naar een alternatieve, westwaartse route naar Oost-Azië leidde tot de ontdekking van Amerika (1492), wat onvermoede kansen voor Europese expansie bood. De Europese kolonisatie van andere delen van de wereld droeg bij aan het verval van het Ottomaanse Rijk. De handel verschoof daardoor van Venetië en Genua eerst naar Lissabon en later naar Amsterdam en Londen. Het Ottomaanse Rijk verloor daarmee de controle op de handel tussen Europa en Oost-Azië, hoewel het nog wel de Venetiaanse kolonies Cyprus (1571) en Kreta (1669) veroverde. Het einde van de 16de eeuw betekende geenszins het einde van de Osmaanse expansie, maar eerder een ontwikkelde integratie van het Osmaanse rijk in het Europese statensysteem, dat zelf een intense politieke en ideologische transformatie was ondergaan.[23]

In 1683 sloegen de Ottomanen opnieuw een beleg van Wenen. Na twee maanden wanhopige strijd werd de stad op het nippertje ontzet door een coalitie onder leiding van de Poolse koning Jan III Sobieski. Het beleg van Wenen keerde de Ottomaanse opmars in Europa. De euforie was zo groot dat de samenwerking in 1684 werd geformaliseerd in een Heilige Liga, die tot aan de Vrede van Karlowitz in 1699 in de Grote Turkse Oorlog successen boekte in het terugdringen van het Ottomaanse Rijk. In die periode zagen de Russen hun kans schoon en begonnen de Russisch-Turkse Oorlog (1686-1700), die echter maar zeer gedeeltelijk succes had en voortijdig werd afgesloten met de Vrede van Constantinopel in 1700.

Kenmerken van het bestuur in het Ottomaanse Rijk[bewerken]

De Osmaanse staat bouwde in de organisatie van zijn burgerlijke, militaire en juridische instellingen voort op de eerdere Turkse en islamitische politieke cultuur, met name op de bestuurlijke ervaring en kennis die was geaccumuleerd door de staten van de Seltsjoeken, de Ilkhaniden en de Mammelukken.[24] De materiële en culturele dynamiek van de Anatolisch-Turkse samenleving in de late 13de eeuw waren voldoende ontwikkeld om de groei van de Osmaanse staat te voeden. De demografische push van de Turken naar westelijk Anatolië, op de vlucht voor de Mongoolse invallen, was een belangrijke factor in de Osmaanse staatsvorming. De Mongoolse invasies hadden niet enkel de nomaden, maar ook de stedelijke Turkse bevolkingsgroepen uit Centraal-Azië ontworteld, die zich in Anatolische steden en dorpen kwamen vestigen. De Osmanen konden dus al van bij het begin steunen op een verstedelijkte Turkse bevolking. Hoewel verschillende prinsdommen controle over al deze groepen wilden krijgen, was het emiraat van Osman het meest bevoordeeld door zijn strategische ligging.[25]

De sociale fundamenten van de Osmaanse bestuurlijke praktijken lagen in de stedelijke gildes; de akhi-organisaties in Anatolië in de dertiende en de veertiende eeuw. Deze akhis waren van oorsprong Turkse sociale en economische organisaties die waren samengevloeid met de vroeg islamitische futuwwa beweging. Futuwwa refereerde naar een canon van ethische principes voor de Soefi’s om spirituele perfectie te bereiken. De term akhi betekent in het Turkse ‘gul, edelmoedig’, en in het Arabische ‘broeder'. De akhis brachten de ambachten en de handelaars in de steden samen in gildecorporaties en een op Soefisme geïnspireerde ethische gedragscode. Ze ontleenden niet alleen hun structuur aan de Soefi-ordes, maar ook hun waarden en ethische codes, zoals integriteit, solidariteit, generositeit, moed en loyaliteit.[26] Ibn Batuta, de veertiende-eeuwse reiziger, observeerde en beschreef deze Turkse organisaties in Anatolië. Volgens Ibn Batuta waren ze samengesteld uit ‘ongetrouwde jongemannen, gedreven door de idealen van gastvrijheid en gulheid. In de afwezigheid van een politiek bestuur stonden zij in voor de handhaving van wet en orde, beschermden de zwakkeren tegen de machtigen, stelden opvang voor reizigers ter beschikking en stonden in voor andere charitatieve bezigheden.’[27] Binnen dit sociale weefsel waren de vroege Osmanen uiteraard sterk gelieerd met deze akhis in de steden. Want de akhi-organisatie, die als doel de instandhouding van de sociale en economische activiteiten had, droeg bij tot de verankering van een politieke autoriteit die dat op grotere schaal kon waarborgen.

Osman en zijn wapenbroeders waren aanvankelijk ervaren krijgers en aanvoerders die meerdere groepen van Turkse nomadische krijgers samen brachten onder hun vaandel voor veroveringen. Ook de christelijke (Byzantijnse) krijgers voegden zich in de rangen van de vroege Osmanen zonder zich te hebben bekeerd. De plaats die de Byzantijnse krijgers hadden als wapenbroeders van Osman duidt aan dat de Osmanen niet uitsluitend gedreven waren door religieus gemotiveerde oorlogvoering. Ze waren eerst en vooral de wapenbroeders en volgelingen van Osman, de Osmanlı. Voor de krijgers betekende dat roem, prestige en rijkdom. Ze gaven meer om kameraadschap, moed, eer en rechtvaardig en charismatisch leiderschap dan de religieuze identiteit van hun wapenbroeders.[28]

De veroveringen waren niet gericht op proselitisme, maar op het uitbreiden van hun invloed en het neutraliseren van hun islamitische en christelijke tegenstanders. Zo was het Osmaanse beleid van istimalet, gericht op het winnen van instemming van de bevolking in de pas veroverde gebieden. Met dit beleid van istimâlet hielden de Osmanen de wetten en tradities, de status en privileges in stand die bestonden in de periode voor de verovering. Bovendien werden de bestaande militaire groepen en clerici opgenomen in de Osmaanse bestuurlijke systeem.[29] Daarmee stonden de Osmanen een grote religieuze en culturele verscheidenheid toe; de christenen en joden kregen een plaats in de samenleving en werden niet vervolgd voor hun religie. Zo handhaafden de Grieks orthodoxe patriarch en de handelskolonie van Genua in Galata hun status en privileges na de verovering van Istanbul.[30] Zoals tijdens eerdere Arabische kalifaten kregen christenen en joden een speciale status van dhimmi binnen het rijk. De enige economische "last" daarbij voor de niet-moslims onder Osmaanse bestuur was de betaling van een individuele belasting, de "djizya".[31] Door deze djizya-taks te betalen was de niet-moslimse bevolking vrijgesteld van militaire dienstplicht en ze kregen een zekere mate van autonomie in het regelen van eigen onderwijs, religieuze zaken, huisvesting en sociale zorg. Vele christelijke boeren in de Balkan, die gebukt gingen onder zware belastingen, koesterden ressentimenten tegen hun feodale heren en waren blij om onder Osmaans bestuur te komen. De Osmanen slaagden erin de instemming te winnen van de boerenbevolking in de veroverde gebieden via het systeem van de familieboerderij ("çift hane"), waarin de lasten veel lichter waren.[32]

De 15de-eeuwse Osmaanse historicus Ashik Pashazade vertelt dat Osman Beg er zorg voor droeg goede relaties met de christelijke buren te onderhouden. Wanneer zijn broer Gündüz Alp erop aandrong om de naburige christelijke dorpen te veroveren, verwierp Osman Beg dit voorstel: ‘als we de omringende plaatsen vernielen, dan kan onze stad Karacahisar zich niet ontwikkelen.’[33] Iets verder in deze kroniek antwoordt Osman, wanneer hem gevraagd wordt waarom hij zoveel respect en aandacht geeft aan de ‘ongelovigen’ van de stad Bilecik: ‘Omdat ze onze buren zijn. Wanneer we hier aankwamen, bevonden we ons in een moeilijke toestand en zij waren aardig tegen ons. Nu moeten we hen ook respecteren en ervoor zorgen dat ze zich goed voelen.’[34]

Tolerantie was dus al sinds de oprichtingsjaren een belangrijke legitimerende notie voor de Osmanen. De bescherming door de Osmanen van de vervolgde en onderdrukte joden in Europa was in dit opzicht opmerkelijk. Toen Orhan Gazi in 1326 Bursa veroverde, vond hij daar een joodse gemeenschap, onderdrukt door het Byzantijnse bestuur. De joden verwelkomden de Osmanen als redders en Orhan Gazi gaf hen toestemming om er een synagoge te bouwen.[35] In 1394 verleende sultan Yildirim Bayezid I asiel aan de Franse joden, die vervolgd werden door koning Karel VI. In 1465 verzond de hoofdrabbijn van Istanbul, Isaac Sarfati brieven aan de joodse gemeenschappen in Europa en ‘nodigde zijn geloofsgenoten uit om de kwellingen die ze ondergingen onder het Christendom te ontvluchten en om in Istanbul veiligheid en voorspoed op te zoeken.’[36] Het meest opmerkelijke verhaal is de evacuatie van de verdreven joden uit Spanje in 1492 door de Osmaanse vloot op bevel van sultan Bayezid II.[37]

Behalve pragmatische overwegingen was de Osmaanse inclusieve houding gebaseerd op twee culturele elementen. Volgens het verzoenende islamitische principe is de keuze van het geloof een persoonlijke voorkeur en kan er geen sprake zijn van dwang. Verder werden christenen en joden beschouwd als ‘volkeren van het Boek’ (ehli kitap), met wie de moslims gemeenschappelijke religieuze tradities delen. De 16de-eeuwse Osmaanse historicus en intellectueel Mustafa Ali adviseerde dat een staat zorg moest dragen voor twee ‘schatkisten’. Het ene zijn de financiën – zilver en goud – en het andere is zijn bevolking. De tweede was voor Ali belangrijker, wiens instemming en loyaliteit gewonnen moet worden via rechtvaardigheid. Want als de bevolking verwaarloosd is, zal de financiële aspect onvermijdelijk overgaan naar een andere staat.[38]

De tweede element die aan de basis van de Osmaanse tolerantie lag, was de symbiose van de nomadische steppe en islamitische tradities. De Centraal-Aziatische Turken omarmden de Islam via de mystieke interpretatie verkondigd door de Perzische soefi's uit Khorasan.[39] Geleidelijk ontwikkelden de nomadische Turken hun eigen mystieke interpretatie van de Islam, waarin oude steppetradities zoals het Boeddhisme, het sjamanisme, het Manicheïsme en het idee van ‘messianisme’ nog voortleefden.[40] Deze mystieke Turkse traditie was een syncretische interpretatie van de Islam die niet gekenmerkt werd door geschreven en hoogontwikkelde theologische en canonieke principes. Ze was aanvankelijk aangepast aan het nomadische leven onder de zware natuurlijke omstandigheden van de steppe. Het Turkse soefisme was inclusief en non-conformistisch en stond open voor de tradities uit de regio’s waar de Turken aankwamen. De Turkse soefi-derwisjen, die het Osmaanse leger begeleidden, integreerden tradities en rituelen van de lokale bevolking in Anatolië en de Balkan. Het inclusieve karakter van de Turkse soefis vergemakkelijkte dus niet alleen de bekering van de niet-islamitische bevolking, maar ook een snelle Osmaanse expansie.[41]

Vanaf de 15de eeuw werd de Osmaanse soevereiniteit vooral gestoeld op rechtvaardigheid en rechtvaardig bestuur. Osmaanse bureaucraten omschreven rechtvaardigheid als bescherming van de bevolking tegen machtsmisbruik. Ze beklemtoonden dat de effectieve uitwerking van rechtvaardig bestuur uiteindelijk belangrijker en duurzamer is dan de legitimiteit erfelijke opvolgingsrecht. De kandidaat voor koningschap gekwalificeerd door zijn afstamming is niet noodzakelijk ook de beste vorst; ware koningschap en legitieme soevereiniteit worden bewezen met rechtvaardig handelen. Verwijzend naar de politieke sofisticatie van de Turks-Mongoolse bestuurlijke tradities, suggereerden de Osmaanse schrijvers dat een sultan en zijn wetten aanvaard worden zolang hij ook rechtvaardigheid en goed bestuur kan waarborgen. Het evenwicht tussen de dynastieke (kanun) en islamitische wetten (sharia) kon volgens deze politieke theorie enkel bewaard worden door een sterke, centrale autoriteit, in de persoon van de sultan. Omdat de kanun opgesteld was door menselijke ratio en dus veranderbaar was, had ze een grotere relevantie voor de Osmaanse staat dan de goddelijke wetgeving. Samen drukten ze de Osmaanse politieke theorie van universele rechtvaardigheid uit.[42] Rechtvaardigheid (adalet) en naleving van de wet (kanun) groeiden in de vroeg moderne periode uit tot sleutelbegrippen in de Osmaanse politieke theorie. Deze ideeën waren geen uniek Osmaanse concepten maar een onderdeel van de globale tendensen. Het succes van de Osmaanse staat had dus meer te danken aan een efficiënte uitwerking en promotie van hun ideologie van rechtvaardig bestuur.

De reden voor deze nadruk op rechtvaardig bestuur was het feit dat de Osmanen op een zwakke basis steunden voor hun legitimiteit. Noch religie, noch genealogie waren voldoende om de aanspraak van de Osmanen op soevereiniteit te rechtvaardigen. Zo was de kalief van Bagdad, die de Osmaanse aanspraak op soevereiniteit kon rechtvaardigen, op dat moment overleden. De Osmanen waren ook geen afstammelingen van een imperiale dynastie zoals die van Dzjengis Khan, die hun aanspraken op staatsmacht had kunnen legitimeren. Wat de Osmaanse dynastie miste qua imperiale afstamming, werd gecompenseerd via de actieve promotie van een politieke traditie gebaseerd op rechtvaardig bestuur en met het gazi-motief. De Osmaanse toewijding aan rechtvaardigheid werd daarom zo expliciet mogelijk benadrukt.

De sultan had absolute macht. Het rijk was islamitisch en werd wel gezien als voortzetting van eerdere, Arabische kalifaten, zodat ook de sultan wel werd beschouwd als kalief. De opvolging van sultans ging oorspronkelijk van vader op zoon, maar kon later ook van broer op broer of anders plaatsvinden. Dit veroorzaakte regelmatig dodelijke rivaliteit tussen potentiële opvolgers. De gebieden in, en ook vele rondom, het Ottomaanse Rijk betaalden schatting aan de sultan.

Het rijk was vanaf 1864 onderverdeeld in vilajets (provincies) en deze in het algemeen weer in sandjaks.

Instellingen en maatschappij in de 'klassieke' periode[bewerken]

Battle of Lepanto 1571.jpg
Salimiye's beauty and grandeur.jpg
De Selimiye-moskee van Sinan, het meesterwerk van de Ottomaanse architectuur
Levni 16 Young Woman, Sleeping Beauty.jpg
Ottomaanse miniatuur van Levni in de 18e eeuw
Mehterhane.jpg
Mehterân, een militair muziekgezelschap, begin 19e eeuw

De Ottomaanse centrale bureaucratie was een heersende klasse die de belangen wist te verzoenen van de verschillende groepen in de samenleving. Enerzijds waren er de islamitische voorschriften belichaamd door şeriat. Deze gaven de organisatiestructuren en de normen van het sociale leven aan. Het familierecht, de contract- en eigendomskwesties vielen daaronder. Het stedelijke leven was georganiseerd rond de vakifs, de ambachtsgilden en de mystieke soefi ordes of de tariqats.

Anderzijds waren er de ordonnanties van de sultan, de kanun. Het basisprincipe was dat de vorst verantwoordelijk was voor het welzijn van zijn onderdanen. Zo reguleerden de kanuns de relaties tussen de regerende klasse en de andere groepen in de samenleving. Publiek recht en strafrecht waren gebaseerd op deze vorstelijke ordonnanties. Zo bestond het juridische kader dat het gebruik van landbouwgrond reguleerde uit islamitische voorschriften en die van de staat. De sharia waarborgde het beschikkingsrecht van de boeren op de landbouwgrond en de kanun reguleerde de staatscontrole op de landbouwgronden. De instemming aan de regerende macht werd bemiddeld door o.a. de tariqats (soefi orden), gilden en medreses (hoge scholen).

Enerzijds was er de regerende elite, die geen belastingen betaalde en wel wapens mocht dragen. Anderzijds was er de massa van de bevolking, de reaya (letterlijk ‘beschermde kudde’): nomaden, handelaars, ambachtslieden en boeren, die produceerden en belastingen betaalden aan de centrale staat. De regerende elite, of de Osmanen, bestond uit alle dienaren van de sultan: askerîye, de militaire en administratieve klasse die ook een groot aantal bestuursfuncties had; ilmiye, de relatief autonome groep van religieuze geleerden die belast waren met onderwijs en met rechtspraak; mülkiye, de functionarissen van het bestuursapparaat; en kalemiye, de klerken en scribenten van het bestuursapparaat. De laatste twee groepen waren ook belast met het financiële bestuur van het rijk. De centrale bureaucratie die ontheven was van de productieactiviteiten, stond als vertegenwoordiger van de sultan in voor het inzamelen van de belastingen en stond in voor de reproductie van de sociale structuren.

De leden van de Ottomaanse bestuurselite waren etnisch niet uitsluitend Turken. Doordat de identiteit van de Ottomaanse elite cultureel bepaald was, stond zij open voor nieuwkomers (in vergelijking met de Europese adel) en vormde ze een sterk integrerende kracht, waarin verschillende etnische groepen bijeen waren. De elite oefende niet alleen de macht uit, ze hield ook een klassieke beschaving in stand die op twee dingen was gebaseerd. Enerzijds de kennis van de klassieke geschriften – ilim; anderzijds een wereldse gedragscode, levensstijl – adab. Kennis van beiden was belangrijk om sociaal op te klimmen. De sociale mobiliteit tussen reaya en askerî was ook afhankelijk van de mate waarin iemand zich kon aansluiten bij het patroon van het uitgebreide huishouden van de sultan en bij de traditie van de regerende elite.

Economie en samenleving[bewerken]

De Osmanen hadden een andere visie op welvaart. De Ottomaanse economie kan omschreven als een economie die streeft naar ‘overvloed’ en ‘welzijn’ via inperkende regulatie. Een aspect van deze regulering was de handhaving van de marktprijzen op een laag niveau. De Ottomaanse staat trad verder op als een centrale economische onderneming. Gedurende het grootste deel van haar bestaan was ze gebaseerd op een systeem van landbouwproductie die het ontstaan van privé-eigendom belemmerde. De staat was de overkoepelende structuur die samenleving en economie op elkaar afstemde: ze organiseerde de handel en de markten en ze controleerde de productie. De Ottomaanse staat wilde de rurale landbouweconomie, zijn bron van inkomsten, in stand houden.

Landbouw en stedelijke ambachten waren de belangrijkste economische activiteiten. In de meer vruchtbare en welvarende gebieden van het rijk waren de kleine boerderijen de regel. Officieel was het grootste deel van de landbouwgrond eigendom van de staat (mirî) en een kleiner deel had de juridische status van waqf. De opbrengsten van de meeste waqf-landerijen werden gebruikt voor het onderhouden van de sociale voorzieningen: moskeeën, ziekenhuizen, scholen, bibliotheken, bruggen en fonteinen.

De legitimiteit van de Ottomaanse autoriteit was afhankelijk van het voortbestaan van een onafhankelijke boerenstand die onbetwiste beschikkingsrechten had op landbouwgronden van de staat (miri). Dit betekent dat de boeren niet gebukt gingen onder een grootgrondbezitter die hen aan allerlei lasten en 'heerlijke rechten' onderwierp. Het juridisch kader gaf de staat het recht om weelderig vergaarde individuele fortuinen te confisqueren. Het doel was de onafhankelijke boerenstand te beschermen tegen uitbuiting en de opkomst van rivaliserende machtsgroepen te verhinderen. In tegenstelling tot het feodale Europa was er dus geen sprake van privé-eigendom of van lijfeigenschap van de boeren.

Ook de stedelijke ambachten waren georganiseerd in een gilde-systeem, waarin de ambachtelijke productie onder controle van de staat stond. De prijzen van levensmiddelen en grondstoffen werden door de centrale overheid gecontroleerd, met de bedoeling om een geïntegreerde economie te creëren die in de behoeften van de steden kon voorzien.

Na de uitbreidingen in de 16e eeuw, nam ook het belang van de lange afstandshandel en de controle op de handelswegen toe. De lange afstandshandel van het Ottomaanse Rijk was voornamelijk een handel in luxeartikelen, zoals de zijde-handel in Bursa met Florence en Venetië. Maar deze buitenlandse handel was qua waarde van minder belang aan de binnenlandse handel, waarbij de hoofdstad İstanbul met een bevolking van meer dan 500.000 in de 16e eeuw en 750.000 in de 17e eeuw een belangrijke economische rol speelde. Tarwe, rijst, suiker en kruiden kwamen van Egypte; vee, graan, voedingswaren, honing, dierenvellen uit Thessaloniki en Macedonië; olie, wijn en andere Middellandse producten uit Morea en Egeïsche eilanden.

Er was ook een verschil tussen het invoer- en het uitvoerbeleid van de Ottomaanse staat. Invoer werd gestimuleerd omdat die het aanbod op de binnenlandse markten deed toenemen. Uitvoer werd toegelaten, maar pas als de binnenlandse vraag was bezadigd. Indien op de binnenlandse markten tekorten de kop opstaken, verbood de staat de uitvoer van voedingsmiddelen en van grondstoffen om de bevoorrading van de stedelijke bevolking niet in het gedrang te brengen.

Zijden kleren, katoenen goederen en mohair waren de belangrijkste Ottomaanse exportproducten naar Europa, totdat de Europese industrieën in 18e en 19e eeuw deze producten zelf begonnen te produceren en de Osmanen van de wereldmarkt verdrongen. De Ottomaanse regering bemoeide zich niet met de export van luxegoederen, omdat die geproduceerd werden door een privé-sector met winstbejag als doel. Enkel in de handel van essentiële goederen greep ze in.

De Osmanen voerden geen beleid zoals mercantilisme om de eigen economie in zijn geheel af te schermen. Invoer van zilver en goud werd gestimuleerd om het aanbod op de markten te garanderen. Vanuit deze ingesteldheid beschouwden de Osmanen de capitulaties of de handelsvoorrechten aan buitenlanders dan ook als voordelig en verleende ze al te graag aan de Europese mercantilistische staten.

Daarentegen beschermde de 16e- en 17e-eeuwse mercantilistische politiek in Europa de opkomende bourgeoisie, tegen die van de concurrerende staten. De uitbreiding van de afzetmarkten voor de Europese producten, de beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten, de goedkope invoer van grondstoffen en de toenemende concurrentie tussen de bourgeoisie, leidden een nieuwe tijdperk in.

Het Ottomaanse Rijk en de Arabische wereld[bewerken]

Een groot deel van de Arabische wereld werd veroverd door de Ottomanen: zij hingen zoals hun voorgangers de Seltsjoeken de islam aan, en gebruikten het Arabisch alfabet voor het Turks. De twee heilige steden van de islam, Mekka en Medina, werden onderdeel van het rijk. De steden werden door plaatselijke hasjemitische sjarifs bestuurd, maar vielen binnen het Ottomaanse Rijk bestuurlijk onder Damascus. Het was dan ook de taak van de gouverneur van Damascus om de jaarlijkse bedevaart naar Mekka in goede banen te leiden (de stad zelf was daar veel te arm voor). De gouverneurs van Caïro droegen verantwoordelijkheid voor pelgrimstochten vanuit Afrika tot het moment waarop deze Mekka of Medina bereikten.

Het bereik van de macht van de Ottomanen op het Arabisch Schiereiland was echter nogal beperkt. Ze beheersten slechts de kusten waarbij hun controle naar het zuiden steeds verder afnam. Feitelijk kwam het neer op een reeks geïsoleerde Ottomaanse garnizoenen in steden, oases en forten, of stammen die nominaal de Ottomaanse suzereiniteit erkenden. In het zuiden werd Jemen praktisch onafhankelijk onder een imam, en in Oman, Hadramaut en aan de zuidoever van de Perzische Golf hadden de Ottomanen feitelijk niets te vertellen. Het centrale gebied van het schiereiland, de Nadjd, werd ook ongemoeid gelaten, hoewel de Ottomanen later wel stammen steunden die daar streden tegen het wahabitische Huis van Saoed.

Transformatie en hervorming (1699–1822)[bewerken]

De Russische tsaren, tot dan in de verdediging, begonnen vanaf de tijd van Peter de Grote offensieve oorlogen tegen de Osmanen om Rusland tot de (ijsvrije) Middellandse Zee te kunnen uitbreiden. Gedurende de achttiende eeuw wist het rijk zich nog goed staande te houden maar langzaam verloor het rijk toch het initiatief aan de opkomende Europese machten. In 1798 schokte Napoleon de islamitische wereld door in Egypte te landen. Om hem te verjagen deed de Ottomaanse regering een beroep op Engeland die deze opportuniteit niet liet liggen. Het wilde al enige tijd vaste grond in de Middellandse Zeegebied krijgen om zijn route naar Indië te beveiligen. En met het graven van het Suezkanaal werd Egypte ook steeds belangrijker voor de Britse belangen. Europese machten als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk en Rusland eisten en kregen meer en meer concessies: de zogenaamde capitulaties, die officieel dienden om de christenen te beschermen, maar feitelijk de buitenlandse invloed deden toenemen. Buitenlandse handelaren konden feitelijk buiten de wet opereren.

Er deed zich een afbrokkeling van het centrale bestuur ten gunste van de lokale notabelen (pasja's, beis, de Egyptische kedive, de Tunesische deys) die steeds meer macht naar zich toetrokken. Bovendien bleef het rijk in technologisch opzicht achter bij Europa, met alle economische en militaire gevolgen van dien. De Janitsaren, eens speerpunt van de macht van de sultan, kregen allerlei persoonlijke privileges en begonnen te delen in de rijkdom en macht. In de loop der tijd nam hierdoor hun efficiëntie meer en meer af, en ze werden het rijk tot last. Een omvangrijke en corrupte hofkliek, bestaande uit hoge ambtenaren, lokale bestuurders, hoge geestelijken, janitsaren en ministers werkte iedere poging tot vernieuwing (onder andere de zogenaamde Tanzimaat) tegen.

Moderniseringspogingen (1828–1908)[bewerken]

Turkse troepen bestormen Fort Shefketil tijdens de Krimoorlog
Opening van de eerste Ottomaanse parlement in 1877

De positie op het kruispunt tussen het Aziatische, Europese en Afrikaanse continent gaf de Ottomaanse staat een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis. Deze geopolitieke rol was na 1683 niet verdwenen, hoewel het niet lukte de Ottomaanse territoriale integriteit te bewaren. Het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk verstoorde uiteindelijk het machtsevenwicht in Europa. Rusland wilde een ijsvrije haven in de Middellandse Zee en aasde op de Bosporus. Het resultaat was de Krimoorlog (1853-1856) tussen Rusland en het Ottomaanse Rijk. De Fransen en de Britten waren beducht voor Russische expansie en beiden steunden het Ottomaanse rijk militair. Bovendien moesten de Ottomanen voor deze oorlog voor het eerst geld lenen bij Britse banken. Dat zou uiteindelijk een financiële catastrofe worden. De voorwaarden werden zo ongunstig opgesteld dat de Ottomaanse regering zelfs moest bijlenen om de rente en aflossingen te betalen. Het kapitaal stroomde het land uit naar de Europese banken. Na een financiële crisis in 1876 werden de financiën onder curatele geplaatst. Dit leidde tot vergaande bemoeienis van een Commissie voor de Aflossing van de Overheidsschuld, die namens de Europese schuldeisers opereerde.

Het Habsburgse Oostenrijk-Hongarije wilde op zijn beurt controle over de Balkan bemachtigen. Het land kampte zelf met ernstige problemen door interne etnische spanningen, vooral in de kwestie over Servië. Daarnaast speelde de machtsstrijd om Macedonië tussen de kleinere Balkan-staten af die elk zijn gebied wilde uitbreiden; in de zogenaamde Macedonische Kwestie. In 1878 werd het rijk onder Russische druk gedwongen Bosnië en Herzegovina, Roemenië, Servië, Bulgarije, Cyprus en andere gebieden op te geven. In deze periode kwam het Ottomaanse Rijk bekend te staan als de 'Zieke man van Europa'.

Tegelijk had de koloniale rivaliteit tussen Engeland en Frankrijk een hoogtepunt bereikt, die een neerslag vond in de zogenaamde Oosterse kwestie. Deze stond tot de Eerste Wereldoorlog hoog op de politieke agenda van bijna elke Europese hoofdstad. De kwestie kwam eigenlijk neer op een scramble for the East: hoe de verschillende nationalistische ambities in de Balkan en de kolonialistische ambities van de Europese grootmachten in het Midden-Oosten zodanig te bevredigen zonder het Ottomaanse Rijk te vernietigen; of hoe het rijk zodanig op te delen zonder het machtsevenwicht in Europa te verstoren. Engeland was begin de twintigste eeuw bezorgd om het strategische risico dat de Bosporus onder Russische invloedssfeer zou komen, wat de Britse belangen in de Middellandse Zee zou bedreigen. Duitsland, een koloniale laatkomer, wilde zoals de andere Europese koloniale mogendheden mondiale invloed hebben en overzeese gebieden controleren. Het onvermogen om de Oosterse kwestie op te lossen droeg in 1914 bij aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Eerste Wereldoorlog en opheffing (1908–1922)[bewerken]

Lithografie van viering van de herinvoering van de grondwettelijke bestuur in 1908.
Young Turk Revolution - Decleration - Armenian Greek Muslim Leaders.png
Verklaring van de Jonge Turken Revolutie in 1908 met de leiders van Griekse, Armeense en joodse millets
Young Turk Revolution - Flayer for the constitution.png
Flyer van de revolutie van 1908 met de slogan: "Lang leve het vaderland, lang leve de natie, lang leve vrijheid" in het Osmaans en Grieks; met een foto van Enver Pasha

In 1908 kwam een groep jonge officieren, de Jonge Turken aan de macht via een staatsgreep. Ze waren officieel georganiseerd onder de Comité voor Eenheid en Vooruitgang (Ittihad ve Terakki Cemiyeti) die dan ook als de enige partij de regering heeft gevormd. Een jaar later werd sultan Abdulhamid II afgezet en de grondwet van 1876 werd opnieuw ingevoerd. De Jong Turken waren idealistisch, stelden de principe van gelijkheid voor alle Ottomaanse burgers grondwettelijk vast om de inmenging van buitenlandse mogendheden tegen te gaan. Deze beweging genoot ook de brede steun van de joodse en christelijke gemeenschappen. De befaamde jonge officier Enver Pasha zou zich in deze periode opwerken tot de Minister van Oorlog en de machtigste man van het rijk worden.

Toen de dreiging van de Eerste Wereldoorlog naderde, stelde Enver Pasha in 1914 via geheime diplomatie aan de Duitse ambassadeur een Ottomaans-Duitse alliantie voor. Een alliantie met Engeland was uitgesloten gezien de tegengestelde belangen in de Middellandse Zee en ook met de Russen omdat de tsjaar een toegang tot de Middellandse Zee en de verovering van Istanbul nastreefde. In augustus werden twee Duitse onderzeeboten, de Breslau en Goeben toegelaten tot de Dardanellen om de achtervolgende Britse schepen te ontvluchten. Deze werden omgedoopt tot Midilli en Yavuz en toegevoegd aan de Ottomaanse vloot. In oktober vielen deze onderzeeërs de Russische vloot aan in Odessa en brachten Russische schepen tot zinken. Hierop verklaarden Rusland, Engeland en Frankrijk de oorlog. Op 11 november verklaarde sultan Mehmet V de oorlog aan Engeland, Frankrijk en Rusland en vormde een alliantie met de Centrale Mogendheden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Enkele dagen later werd in Topkapi ook de jihad uitgeroepen, wat vooral veel gehoor vond onder de moslims in India, Egypte en in Frans Noord-Afrika. Maar de cruciale steun van de sharif van Mekka, Hoessein ibn Ali bleef uit omdat hij vreesde voor een Britse vergelding. Met zijn steun vreesde sharif Husayn een blokkade en bombardement van de haven van Hijaz door de Britten die Egypte bezetten. Verder werd ook de enthousiasme van de moslims in India gesmoord door de Britten, die de lokale moslimgeleerden juridische opinies lieten formuleren dat het verplicht was om te gehoorzamen aan de Britse bestuur.[43] Het Ottomaanse Rijk, dat nog een agrarische samenleving was, werd door de overmoedige officieren en politici van de Comité voor Eenheid en Vooruitgang (CEV) zoals Enver Pasha, Talat Pasha en Cemal Pasha in een industriële oorlog geworpen.[44]

De relatie van de Ottomaanse generale staf met de Duitse militaire missie in Istanbul was niet gemakkelijk. De Duitse officieren keken neer op het Ottomaanse leger na de vernederende nederlaag van de Balkanoorlogen in 1912. Tegelijk verafschuwde de Ottomaanse staf het Duitse opperbevel. Nochtans was Enver Pasha in 1909-11 als militaire attaché in Berlijn gestationeerd en veel Ottomaanse officieren kregen een opleiding in Duitsland. De militaire samenwerking dateerde uit 1880, toen sultan Abdulhamid II aan de Duitse kanselier Otto von Bismarck verzocht om militaire experts en adviseurs te sturen voor de modernisering van het Ottomaanse leger. Keizer Wilhelm II, het enige Europese staatshoofd dat door Sultan Abdulhamid ontvangen werd, bezocht Istanbul in 1889 en in 1898 het Ottomaanse Syrië. Desondanks verliepen de relaties op het veld heel stroef. Maar het was een win-win-relatie voor beide partijen: de Ottomaanse militaire macht werd verbeterd en de Duitse staalindustrie had er een grote afzetmarkt bij.

Het meest prestigieuze resultaat van de Ottomaans-Duitse samenwerking was de aanleg van een spoorweglijn van Berlijn naar Bagdad vanaf 1903. De Bagdad-spoorweg verbinding liep niet alleen door vruchtbare streken, ze zou ook de snelste en goedkoopste route tussen Europa en Indië kunnen worden. Duitsland kreeg toegang tot de olievelden in het Ottomaanse Irak en kon via deze verbinding aardolietransporten over land organiseren door het Suez-kanaal te ontwijken. Het Ottomaanse Rijk wilde de controle over Arabië handhaven en zijn invloed uitbreiden van de Rode Zee tot de Khadivaat van Egypte, die de Britten bezet hadden sinds de Urabi opstand in 1882. Via de Bagdad spoorweg counterde Duitsland de Britse economische overheersing in de koloniale handel en het Ottomaanse Rijk perkte de ambities van Rusland in.[45]

Door de Bagdad-spoorweg voelden de Britten zich bedreigd en raakten in paniek. Een spoorlijn van Berlijn via Bagdad naar Koeweit zou de machtsverhoudingen in Europa danig op zijn kop zetten. De weg naar Rusland zou voor de Engelsen worden afgesneden. De Duitse en Ottomaanse invloedssfeer zou immense proporties aannemen. In de Arabische wereld ondersteunde Engeland actief anti-Ottomaanse sentimenten en kocht in Koeweit de sjeik om en kreeg het de exclusieve exploitatierechten op oliewinning. De ‘ Great Game’ - de bittere rivaliteit tussen Engeland en Rusland speelde ook een rol. Duitsland stond op het punt oorlogsschepen te bouwen die op diesel liepen. Daarvoor hadden ze gegarandeerde olievoorraden nodig. De Berlijn-Bagdad spoorweg was net voor het uitbreken van de oorlog bijna voltooid en was zo een van de factoren die leidden tot de Eerste Wereldoorlog.[46]

De Britten en de Fransen zetten in 1915 een expeditie op touw naar de Bosporus om een vaarroute naar hun Russische bondgenoten te forceren en het Ottomaanse Rijk uit te schakelen als bondgenoot van Duitsland. Maar de hieruit resulterende Slag om Gallipoli liep rampzalig voor hen af. Er werden aan beide zijden enorme verliezen geleden, maar het Ottomaanse leger wist stand te houden en de Britten en de Fransen moesten afdruipen zonder iets bereikt te hebben. De Jonge Turk Mustafa Kemal vestigde hierbij zijn militaire reputatie. De Britten wisten de steun te winnen van de Arabieren, die genoeg hadden van de Turkse overheersing. De Engelse officier T.E. Lawrence wierp zich op als leider van Arabische guerrillastrijders en identificeerde zich meer met de Arabische zaak dan goed was voor zijn carrière, waarmee hij de bijnaam 'Lawrence of Arabia' verdiende. Er waren om de Arabieren te paaien allerlei beloftes gedaan over zelfbestuur, die na de oorlog niet of nauwelijks werden nagekomen. In mei 1916, nog voor de Eerste Wereldoorlog was afgelopen, verdeelden Engeland en Frankrijk het Ottomaanse Midden-Oosten onder elkaar met de zogenaamde Sykes-Picotverdrag. De Italianen en de Russen gingen ermee akkoord. Ze kwamen overeen dat als het Ottomaanse Rijk als verliezer uit de bus kwam, de onafhankelijkheid van de Arabische staten door Frankrijk en Engeland niet erkend zou worden. In november 1917 stuurde de Britse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour ook nog een brief aan Lord Rothschild, een Joodse bankier die een voorstander was van het zionisme. Dit wordt ook de Balfour-verklaring genoemd. In die brief beloofde hij de steun van de Engelse regering bij "de stichting in Palestina van een eigen staat voor het joodse volk." Het vertrouwen van zowel de joden als de Arabieren in de Engelse regering verdween al snel na de oorlog toen de gedane beloftes niet ingelost werden. De dubbelzinnige houding van Engeland op de situatie in Palestina legde zo de kiem voor het Arabisch-Israëlisch conflict.

Sultanvahideddin.jpg
Sultan Mehmet VI, de laatste sultan van het Ottomaanse Rijk, enkele dagen voordat hij werd afgezet (1922).
Portrait Caliph Abdulmecid II.jpg
Abdulmecit II Khan, de laatste kalief van het Ottomaanse Rijk

Hoewel de Arabische inbreng gering was, betekende de Eerste Wereldoorlog het einde van de aanwezigheid van de Ottomanen in het Midden-Oosten. Dit leidde na de oorlog tot de vorming van de staten Irak, Libanon, Palestina, Syrië en Transjordanië. Deze vielen echter in Franse en Britse invloedssferen. Ook Rusland verklaarde de oorlog aan het Ottomaanse Rijk en in het oosten van Anatolië kwam het tot gevechten. Het Russische propaganda moedigde de Armeniërs in Oost-Anatolië aan om een eigen staat op te richten en gewapende Armeense groepen begonnen aanslagen te plegen achter de frontlinies op moslimburgers, ambtenaren en overheidsgebouwen.[47] Met de doorstoot van de Russen aan de front, besloot de regering in 1915 om de Armeniërs vanuit Anatolië te verplaatsen naar het Ottomaanse Syrië en Irak, weg van de Ottomaans-Russische frontlinie. De situatie werd nog moeilijker toen in mei een Russisch-Armeens leger de stad Van innam. Nadat het de inwoners had uitgemoord, riep het daar een Armeens staat uit. Daarop beval de regering het leger om de Armeniërs in de provincie Van te verplaatsen om zo de voedingsbodem voor de rebellie tegen te gaan. Toen de Armeense 'relocatie' plaatsvond, kwamen naar schatting 600.000 Armeniërs[48] om het leven. Tot op de dag van vandaag wordt door Turkije ontkend dat het hier om genocide ging. Het wijst erop dat de vele doden het gevolg waren van wederzijdse wraakacties met de lokale moslims en anderen die de konvooien wilden bestelen. Bewijs van een systematisch en voorop geplande poging tot uitroeiing van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk is er nog steeds niet. De Ottomaanse militaire tribunaal heeft na de feiten tientallen Ottomaanse officieren berecht voor hun nalatigheid in degelijke bescherming van de konvooien en sommigen werden terechtgesteld omdat ze de moorden lieten begaan. De Armeense kwestie wordt nog steeds betwist omdat er, volgens historici[49], geen eenduidige bewijsmaterialen gevonden zijn. De massale deportatie van Armeniërs zou in deze visie tot doel hebben gehad te voorkomen dat dezen de kant zouden kiezen van de Russische vijand.[50] Dit was namelijk al voorgekomen vanaf 1890, toen Armeense gewapende groepen grote groepen moslims (veelal Koerden en Turken) vermoordden om zo een meerderheid te vormen in de oostelijke provincies van het Ottomaanse Rijk, die tevens de grens vormden met Rusland.[51]

Aan het einde van de Eerste wereldoorlog behoorde het Ottomaanse rijk tot de verliezers van de oorlog, samen met Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije. Bij het vredesverdrag van Sèvres werd bepaald dat het Ottomaanse rijk opgedeeld zou worden. Zo verloor het Ottomaanse rijk al haar Arabische provincies, waar later landen zoals Syrië, Irak, Libanon, Israël, Palestina, Jemen en Saoedi-Arabië uit ontstonden. Het eiland Cyprus kwam volledig in Britse handen. Ook Anatolië werd opgedeeld. Zo werd Istanbul en omgeving door de Britten bezet, in het noordoosten werd de republiek Armenië gesticht, het westen (Izmir en omgeving) werd door Griekenland bezet, het zuiden kwam onder Franse en Italiaanse invloed te staan. In het zuidoosten werd er voor de Koerden een onafhankelijke staat beloofd door de geallieerde landen. Voor het Ottomaanse rijk bleef alleen Centraal-Anatolië en een deel van de Zwarte Zee kust over.[52]

In 1919 organiseerde de Ottomaanse officier Mustafa Kemal Atatürk een opstand tegen de bezetting, wat bekend werd als de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Het lukte Atatürk's troepen om geheel Anatolië te heroveren, waarna een nieuw vredesverdrag werd gesloten, de vrede van Lausanne. In 1922 werd de laatste sultan, Mehmet VI Vahideddin, van de troon gestoten en werd het Ottomaans sultanaat definitief afgeschaft, waarna de huidige staat, de Republiek Turkije, werd gesticht door Atatürk.[52]

Interetnische en religieuze conflicten[bewerken]

Turkse en Azerbeidzjaanse moslims vormden aan het eind van de 19e eeuw nog bijna de helft van de inwoners van Armenië. Tegenwoordig is dit minder dan 0,1% van de bevolking. Vergelijkbare zuiveringen vonden aan beide zijden plaats in de nadagen van het Ottomaanse Rijk.
De Ottomaanse millets (ofwel erkende bevolkingsgroepen)

De groei van het Russische Rijk ging in de 19e eeuw ten kostte van grote delen van de Europese provincies van het Ottomaanse Rijk. Islamitische minderheden als Tataren, Nogai en Basjkieren vluchtten in grote getalen uit de Wolgaregio richting de Krim en Moldavië. Vanaf 1860 nam Rusland echter grote delen van de Noordelijke Kaukasus en de Oekrainë in. De lokale islamitische bevolking werd opnieuw voor de keuze gesteld; of Russische en christelijke heerschappij erkennen, of vluchten richting het Ottomaanse Rijk. Miljoenen moslims, waaronder Krimtataren, Circassiërs, Tsjerkessen, Kabarden, Tsjetsjenen, Abchazen, Georgiërs/Lazen, Mescheten, Roma en (islamitische) Grieken, vertrokken richting Noord-Anatolië en Rumelië (de Ottomaanse gebieden in de Balkan). Tegelijkertijd met de komst van de duizenden vluchtelingen in de steden aan de noordkust van Anatolië vertrokken veel christelijke Pontische Grieken en Pontische Joden juist in omgekeerde richting naar steden als Odessa en Sebastopol, weliswaar uit eigen overweging. Het verlies van Oost-Roemelië aan het eind van de 19e eeuw en West-Roemelië tijdens de eerste Balkanoorlog (1912-13) bracht nog twee golven migranten richting Anatolië. Een kleine minderheid van islamitische volkeren bleef achter in Servië, Bosnië, Griekenland, Bulgarije, de Krim en de Kaukasus. Volgens Justin McCarthy zijn tussen 1821 en 1922 meer dan vijf miljoen moslims uit Oost-Europa verdreven. Bijna zes miljoen moslims verloren hun leven, de meesten werden vermoord, anderen kwamen om tijdens de gedwongen deportaties door ziekte en ondervoeding.[53][54] [bron?]

Vanuit een etnisch heterogene bevolking werden in de voormalige Ottomaanse provincies landen met een vrij homogene bevolking gecreëerd, zo wisselden ook Bulgarije en Griekenland hun bevolkingen uit na hun afscheidden van het Ottomaanse Rijk. Hun etnische en religieuze homogeniteit bereikten ze daarna via de verdrijving (en in sommige gevallen door slachting) van de islamitische bevolking.[55] Engeland en Frankrijk, de toenmalige koloniale grootmachten, maar ook Rusland en Duitsland waren betrokken bij het ondersteunen van de etnische afscheidingsbewegingen.[56]

Van de etnisch-religieuze spanningen in de 19e eeuw waren niet enkel de islamitische minderheden van de Europese provincies van het rijk slachtoffer. Diverse rellen en pogroms vonden aan het eind van de 19e eeuw plaats, meestal gericht tegen Syrische en Armeense christenen in het zuiden en zuidoosten van het huidige Turkije, waarbij tienduizenden slachtoffers vielen. Om te voorkomen dat het hele rijk, inclusief Anatolië, zou vervallen in een burgeroorlog werden in de 19e eeuw diverse hervormingen doorgevoerd die minderheden meer rechten gaven en gelijkstelden aan islamitische burgers. Voor sommigen waren die concessies niet voldoende. Met name onder de Armeniërs waren er groepen, die naar onafhankelijkheid streefden. Dashnak, een nationalistische partij, die zetelde in Georgië, pleegde aanslagen in het oosten van Anatolië. Tijdens de eerste wereldoorlog vond de Ottomaanse legerleiding de dreiging van het Armeense separatisme zo groot, dat het de algehele deportatie van de Armeense bevolking beval naar de Syrische woestijn. Ziekte, ondervoeding, uitdroging en slachtpartijen tijdens de deportaties eisten waarschijnlijk zo'n 800.000 slachtoffers. Door diverse landen wordt dit erkend als de Armeense Genocide. Enkele Turkse officieren werden na de oorlog terechtgesteld in Trabzon, waar de belangrijkste rechtszaken omtrent de oorlogsmisdaden plaatsvonden. De gouverneur van Ordu en Trabzon erkenden dat in 1915 Armeense mannen op een schip overboord waren gezet in de Zwarte Zee.

Na de oorlog bezette het Griekse leger het westen van Anatolië. Dit ging, voornamelijk op de terugtocht, gepaard met het platbranden van honderden dorpen en moskeeën. Voor het Griekse leger uit was een groot deel van de christelijke bevolking richting de kust gevlucht. Izmir, toen als Smyrna de 2e grootste Griekse stad na Constantinopel, werd ook platgebrand. Of dit een laatste actie van het Griekse leger was, of dat het een represaille was van het Turkse leger dat de Grieken had ingehaald is nooit duidelijk geworden. De brand begon in de Armeense wijk en legde meer dan de helft van de stad in as. Ook de meeste Turken werden uit Griekenland verdreven, in de omgekeerde richting naar de regio Izmir. De nieuwe Turkse Republiek was een natie van immigranten uit Bulgarije, Griekenland, Joegoslavië, Armenië, Georgië, Rusland, Oekraïne, en elders. Dat vormde het karakter van de prille Turkse Republiek.[57]

Literatuur (onder andere)[bewerken]

  • Roger Crowley Empires of the sea: the final battle for the Mediterranean, 1521-1580, uitg. Faber and Faber, Londen (2008) ISBN 0-571-23230-2 en ISBN 978-0-571-23230-7
  • M.Sükrü Hanioglu A brief history of the late Ottoman empire, uitg. Princeton University Press, Princeton (2008) ISBN 978-0-691-13452-9
  • Suraiya Faroqhi The Ottoman Empire and the world around it, uitg. Tauris, Londen (2004, 2006)
  • Stephen Turnbull The Ottoman Empire 1326-1699, uitg. Osprey, Oxford (2003) ISBN 1-84176-569-4
  • Selçuk Aksin Somel Historical dictionary of the Ottoman Empire, uitg. Scarecrow Press, Lanham MD (2003) ISBN 0-8108-4332-3
  • Colin Imber The Ottoman Empire, 1300-1650: the structure of power, uitg. Palgrave Macmillan, Basingstoke (2002) ISBN 0-333-61386-4 en ISBN 0-333-61387-2
  • Daniel Goffman The Ottoman Empire and early modern Europe, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (2002) ISBN 0-521-45280-5 en ISBN 0-521-45908-7
  • Joos Vermeulen Sultans, slaven en renegaten: de verborgen geschiedenis van het Ottomaanse rijk, uitg. Acco, Leuven (2001) ISBN 90-334-4598-0
  • Justin McCarthy The Ottoman peoples and the end of empire, uitg. Arnold, Londen ISBN 0-340-70656-2 en ISBN 0-340-70657-0
  • Kemal H. Karpat Ottoman past and today's Turkey, uitg. Brill, Leiden (2000) ISBN 90-04-11562-5
  • Donald Quataert The Ottoman Empire, 1700-1922, uitg. Cambridge University Press, Cambdrige (2000) ISBN 0-521-63328-1 en ISBN 0-521-63360-5
  • A.L. Macfie The end of the Ottoman Empire, 1908-1923, uitg. Longman, Londen (1998) ISBN 0-582-28762-6 en ISBN 0-582-28763-4
  • Jason Goodwin Lords of the horizons: a history of the Ottoman Empire, uitg. Chatto & Windus, Londen (1998) ISBN 0-7011-3669-3
  • Justin McCarthy The Ottoman Turks: an introductory history to 1923, uitg. Longman, Londen (1997) ISBN 0-582-25656-9 ISBN 0-582-25655-0
  • Andrew Wheatcroft The Ottomans: dissolving images (1993, 1995)
  • Cemal Kafadar Between two worlds: the construction of the Ottoman State, uitg. University of California Press, Berkeley (1995) ISBN 0-520-08807-7 en ISBN 0-520-20600-2
  • Halil Inalcik An economic and social history of the Ottoman Empire, 1300-1914, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (1994) ISBN 0-521-34315-1
  • Alan Palmer The decline and fall of the Ottoman Empire (1992, 1993)
  • Re¸sat Kasaba The Ottoman empire and the world economy: the nineteenth century, uitg. State University of New York Press, Albany NY (1988)

ISBN 0-88706-804-9 en ISBN 0-88706-805-7

  • Ernst Werner Die Geburt einer Grossmacht, die Osmanen (1300-1481): ein Beitrag zur Genesis des türkischen Feudalismus, uitg. Böhlaus Nachfolger, Weimar (1966, 1985)
  • József Matuz Das Osmanische Reich: Grundlinien seiner Geschichte, uitg. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt (1985) ISBN 3-534-05845-3
  • Gernot Heiss & Grete Klingenstein Das Osmanische Reich und Europa, 1683 bis 1789: Konflikt, Entspannung, und Austausch, uitg. Oldenbourg, München (1983) ISBN 3-486-51911-5
  • Stanford Shaw History of the Ottoman empire and modern Turkey, 2 delen, Cambridge University Press, Cambridge (1976, 1977)
  • Kemal H. Karpat The Ottoman state and its place in world history, uitg. Brill, Leiden (1974) ISBN 90-04-03945-7
  • Halil Inalcik The Ottoman Empire: the classical age, 1300-1600, uitg. Weidenfeld and Nicolson, Londen (1973) ISBN 0-297-99490-5
  • Bernard Lewis Istanbul and the civilization of the Ottoman empire, uitg. University of Oklahoma Press, Norman OK (1963) ISBN 0-8061-1060-0
  • William Miller The Ottoman empire 1801-1913, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (1913)
  • Joseph von Hammer-Purgstall Geschichte des Osmanischen Reiches, 10 delen, uitg. Hartleben, Pest (1827-1835)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Peter B. Golden, An Introduction to the History of the Turkic Peoples: Ethnogenesis and State Formation in Medieval and Early Modern Eurasia and the Middle East (Wiesbaden, 1992); Talat Tekin, Orhon Yazitlari: Kül Tigin, Bilge Kağan, Tunyukuk (Istanbul, 1995); Ergun Çağatay and Doğan Kuban ed., The Turkic Speaking Peoples. 2,000 Years of Art and Culture from Inner Asia to the Balkans (Prestel, 2006),68-81, 83-103; Carter Vaugn Findley, The Turks in World History (Oxford, 2005), 21-55.
  2. Paul Wittek, The Rise of the Ottoman Empire (London, 1938); Fuad Köprülü, Les origines de l’empire ottoman (Paris, 1935).
  3. Halil Inalcik, "The Question of the Emergence of the Ottoman State" in: International Journal of Turkish Studies, II (1980) 71-79
  4. Halil Inalcik, The Ottoman Civilization Vol. I (Adana, 2009).
  5. Dimitris Kastritsis, The Sons of Bayezid. Empire Building and Representation in the Ottoman Civil War of 1402-1413 (Leiden, 2007).
  6. I. H. Uzunçarşılı, “Mehmed I”, Islam Ansiklopedisi, vol. 7, 496-506
  7. Halil Inalcik, “Murad II”, Islam Ansiklopedisi, vol. 8, 598-615
  8. Bertrondon de la Broquière, Voyage d’Oultremer (1893), 180. De la Broquière werd in 1432 als spion verzonden door de hertog van Bourgondië, Filips de Goede, naar het Osmaanse rijk om verslag te brengen over de militaire situatie als voorbereiding op een kruistocht, die er nooit kwam.
  9. Kenneth Meyer Setton, The Papacy and the Levant, 1204-1571: The fifteenth century (1978), 82-106.
  10. Franz Babinger, Mehmed the Conqueror and His Time (New Jersey, 1978), 102; Halil Inalcik, Fatih devri üzerinde Tetkikler ve Vesikalar (Ankara, 1954), 102-115.
  11. Halil Inalcik, The Ottoman Empire: The Classical Age, 1300-1600 (London, 1973), 70-73.
  12. Tursun Beg, Tarih-i Ebu’l Feth [Geschiedenis van de Veroveraar], ed. Mertol Tulum (Istanbul, 1977), 12-13.
  13. Julian Raby, 'A Sultan of Paradox. Mehmed the Conqueror as a Patron of the Arts', in: Oxford Art Journal, Vol. 5, No. 1, Patronage (1982), 6.
  14. Franz Babinger, 'Vier Bauvorschläge Lionardo da Vinci’s an Sultan Bajezid II (1502/3)', Nachrichten der Akademie der Wissenschaften in Göttingen, Philologisch-Historische Klasse, 1 (1952) 20.
  15. Julian Raby, 'A Sultan of Paradox: Mehmed the Conqueror as a Patron of the Arts', (1982), 3-8.
  16. Cigdem Kafesçioglu, Constantinopolis/Istanbul: Cultural Encounter, Imperial Vision and the Construction of the Ottoman Capital (Pennsylvania, 2009).
  17. Geciteerd in Franz Babinger, Mehmed the Conqueror and His Time, vertaald door Ralph Manheim (Princeton, 1978), 249
  18. Rifa'at Ali Abou-El-Haj, Formation of the Modern State: The Ottoman Empire, Sixteenth to Eighteenth Centuries (New York, 2005), 11-20.
  19. Jane Hatheway, Mutiny and Rebellion in the Ottoman Empire (University of Wisconsin Press, 2004).
  20. Daniel Goffman, "The Ottoman Empire", in J.F. Martin, The Renaissance World (New York, 2009), p. 360.
  21. Ghiselin de Busbecq, Vier brieven over het gezantschap naar Turkije (Amsterdam, 1994).
  22. Virginia Aksan, The early modern Ottomans : remapping the Empire (Cambridge, 2007); Christine Isom-Verhaaren, Allies with the Infidel: The Ottoman and French Alliance in the Sixteenth Century (New York, 2011).
  23. Palmira Brummett, 'Ottoman expansion in Europe, 1453-1606', in: Cambridge History of Turkey, vol. 2: The Ottoman Empire as a World Power, ed. Suraiya Faroqhi (Cambridge, 2013), 73.
  24. Fuad Köprülü, The Origins of the Ottoman Empire, ed. Gary Leiser (New York, 1992; oorspronkelijk 1935), 11-21, 87-88
  25. Köprülü, The Origins of the Ottoman Empire, 111-116.
  26. Friedrich Giese, ‘Das Problem der Entsehung des Osmanischen Reiches’, Zeitschrift für Semitistik und verwandte Gebiete, 2 (1924): 246-271
  27. Ibn Battuta, Rihla Ibn Battuta, ed. Karam al-Bustani (Beirut, 1964), 285-287
  28. Golden, An Introduction to the History of the Turkic Peoples, 5-6, 356-66.
  29. Inalcik, ‘The Status of the Greek Orthodox Patriarch under the Ottomans’ Turcica 21-23 (1991) 409
  30. Inalcik, “The Policy of Mehmed II toward the Greek population of Istanbul and the Byzantine buildings of the city”, Dumbarton Oaks Papers, 23-25 (1969-1970): 231-249
  31. Halil Inalcik, “Djizya”, Encyclopaedia of Islam, second edition, Brill Online, 2013
  32. Halil Inalcık, “The Çift-Hane System and Peasant Taxation”, ibid, From Empire to Republic. Essays on Ottoman and Turkish Social History (Istanbul, 1995), 61-72.
  33. Âşık Paşazâde, Tevârîh-i Âl-i Osmân, 282
  34. Ibidem, 284.
  35. Moise Franco, Essai sur l’histoire des Israelites des l’Empire Ottoman depuis les origines jusqu’a nos jours (Paris, 1897), 27.
  36. Naim Güleryüz, The History of the Turkish Jews (Istanbul, 1991), 7.
  37. Abraham Galanté, Histoire des Juifs d'Istanbul, depuis la prise de cette ville en 1453 par Fatih Mehmet II jusqu’a nos jours, vol. 1 (Istanbul, 1941), 7-11.
  38. Cornell H. Fleischer, Bureaucrat and Intellectual in the Ottoman Empire: the Historian Mustafa Ali, 1541-1600 (Princeton, 1986), 282.
  39. Fuad Köprülü, Türk Edebiyatında Ilk Mutasavvıflar (Ankara, 2009), 46-47, 52.
  40. Emel Esin, İslamiyetten Önceki Türk Kültür Tarihi ve İslâma Giriş (Istanbul, 1978), 163-84; Jean-Paul Roux, La Religion des Turcs et des Mongols (Paris, 1984), 59-98; Irene Mélikoff, ‘Les origins centre-asiatique du soûfisme anatolien’, Turcica XX (1988) 7-18.
  41. Ömer Lûtfi Barkan, ‘Istilâ devirlerinin Kolonizatör Türk dervişleri ve Zaviyeler’, Vakıflar Dergisi II (1942) 274-386.
  42. Voor de bespreking van de Osmaanse politieke theorie: Halil Inalcik, The Ottoman Empire, 65-69; ibid., ‘The Ottoman Succession’, 44-61; ibid., ‘Decision making in the Ottoman State’, in: Essays in Ottoman History (Istanbul, 1998), 113-21; ibid., ‘State, Sovereignty and Law during the Reign of Süleymân’, in: Süleyman the Second and His Time, Cemal Kafadar and Halil Inalcik ed. (Istanbul, 1993), 55-92; Gottfried Hagen, ‘Legitimacy and World Order’, in: Legitimizing the Order. The Ottoman Rhetoric of State Power, ed. Hakan Karateke and Maurus Reinkowski (Leiden, 2005), 55-83;
  43. Rudolph Peters, Islam and Colonialism. The Doctrine of Jihad in History (Den Haag, 1979).
  44. Finkel, The story of Ottoman Empire (2005), 527-30.
  45. Sean McMeekin, 'The Berlin-Baghdad Express: The Ottoman Empire and Germany's bid for world power. 2010
  46. Kathie Somerwil-Ayrton, The train that disappeared into History: the Berlin-Baghdad Railway and how it led to the Great War (Aspekt, 2007)
  47. Caroline Finkel, The Story of the Ottoman Empire, 1300-1923 (London, 2005), p. 533.
  48. Prof. Dr. Erik-Jan Zürcher: De Armeense kwestie, Turkije Instituut, 2009
  49. Onder hen bevinden zich Prof. Dr. Bernard Lewis, Prof. Dr. Guenter Lewy, Prof. Dr. Heath Lowry en Prof. Dr. Paul Dumont
  50. Documentaire Andere Tijden, VPRO
  51. Hovhannes Katchaznouni: The Armenian Revolutionary Federation (Dashnagtzoutiun) Has Nothing to Do Anymore, ARF, 1923
  52. a b Erik-Jan Zürcher, Een geschiedenis van het moderne Turkije, Nijmegen (SUN uitgeverij) 1995, ISBN 90-6168-438-2, (pagina 166 en verder)
  53. Justin McCarthy, Death and Exile: The Ethnic Cleansing of Ottoman Muslims, 1821-1922 (London, 1996).
  54. Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (London,2001).
  55. Justin McCarthy, The Armenian Rebellion at Van (Utah, 2006).
  56. Guenter Lewy, The Armenian Massacres in Ottoman Turkey: A Disputed Genocide (Utah, 2007).
  57. Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (London, 1961).