Ottomaanse Rijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Devlet-i Âliyye-i Osmaniyye
 Sultanaat van Rûm
 Liga van Lezhë
1299–1922 Turkije 
Mandaatgebied Palestina 
Brits Mandaat Mesopotamië 
Frans Mandaat Syrië 
Vlag vanaf 1844 Osmanli-nisani.svg
(Details) (Details)
Motto
دولت ابد مدت
Devlet-i Ebed-müddet
("Eeuwige Rijk")
Kaart
1683
1683
Algemene gegevens
Hoofdstad Söğüt (1299-1326)
Bursa (1326-1365)
Edirne (1365-1453)
Istanboel (1453-1922)
Oppervlakte ± 5.500.000 km² (1595)
Bevolking ± 35.350.000 (1856)
Talen Turks/Osmaans, Arabisch, Koerdisch, Grieks, Albanees, Slavisch, Aramees, Armeens, Hebreeuws, Perzisch; officieel: Osmaans
Religie(s) Islam, erkende minderheidsreligies: Grieks-Orthodoxe Kerk, Armeens-apostolische Kerk, Syrisch-Orthodoxe Kerk, Jodendom
Volkslied Meerdere, onder andere De mars voor Sultan Abdulmecid II
Munteenheid Akçe, Lira, Kuruş, Sultani
Regering
Regeringsvorm Grootsultanaat (≈ keizerrijk)
Dynastie Osman
Staatshoofd sultan

Het Ottomaanse of Osmaanse Rijk (Turks: Osmanlı İmparatorluğu, Osmaans (Oudturks): دولتْ علیّه عثمانیّه, Devlet-i Âliyye-i Osmaniyye) was een islamitisch rijk dat gesticht werd door Osman I, de stamvader van de Ottomaanse dynastie en naamgever van dit rijk. Het kan beschouwd worden als de opvolger van het Seltsjoekse sultanaat van Rûm en een exponent van de Turks-Perzische cultuur. Het Ottomaanse Rijk was een wereldrijk tussen de 14e en de 20e eeuw n.Chr.. Bij de grootste uitbreiding ervan besloeg het een enorm gebied in het huidige Turkije, de Balkan, het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

Geschiedenis[bewerken]

Pre-Ottomaanse periode[bewerken]

Turkse vorstendommen in Anatolië rond het ontstaan van de Ottomaanse dynastie (1300)
Rise and Fall of the Ottoman Empire 1300-1923int.gif
Gebiedsontwikkeling 1300-nu
Battle of Mohács, Turkish miniature.jpg
Ottomaans miniatuur van de Slag bij Mohács (1526)

De komst van de Turken uit Centraal-Azië naar het Midden-Oosten voltrok zich in twee grote migratiegolven. Tijdens de eerste golf aan het einde van tiende eeuw stak een groot deel van de Turkse Oghuz-nomaden de Oxus-rivier over en trok verder tot Khorasan (in het huidige Iran) en Azerbeidzjan. Onderweg naar het westen, bekeerde een groot deel van deze Oghuz stammen zich tot de islam.[1] Vanuit het grensgebied tussen Turkmenistan en Iran in Khorasan bouwden deze Turkse nomaden in de elfde eeuw het grote Seltsjoekenrijk op. De Seltsjoeken brachten een nieuwe politieke stabiliteit in de verdeelde middeleeuwse moslimwereld en beheersten een uitgestrekt gebied van de Hindu Kush berg tot in Anatolië. De Seltsjoeken raakten in conflict met het Byzantijnse Rijk. Met de Slag bij Manzikert begon in 1071 een reeks Byzantijns-Seltsjoekse oorlogen, die ertoe leidden dat rond 1290 het Byzantijnse Rijk als belangrijke macht in Anatolië had afgedaan. Dit opende de weg voor de Turkse volkeren om zich in Anatolië te vestigen. Het rijk van de Seltsjoeken viel in de 12e eeuw uiteen en werd opgedeeld in vele kleinere staten. Daarom kregen de kruisvaarders vrij spel in de regio.

Miniatuur van Osman Gazi

Opkomst (1302–1453)[bewerken]

Met de neergang van het sultanaat van Rûm (rond 1300) werd Anatolië een brij van kleine onafhankelijke staten, de zogenaamde Ghazi-emiraten of Beyliks. Het Byzantijnse Rijk was inmiddels ernstig verzwakt en had het grootste gedeelte van Anatolië verloren aan tien verschillende Ghazi-prinsdommen. Een prinsdom in het noordwesten van Anatolië werd vanaf ca. 1280 geleid door Osman I, zoon van Ertuğrul. Osman Beg was met zijn onmiddellijke voorouders naar Anatolië gekomen tijdens de tweede grote Turkse migratiegolf in de vroege 13de eeuw, onder druk van de veroveringstochten van de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan. Oorspronkelijk behoorden de Osmanen ook tot de Oğuzen. Hun nieuwe thuisland in Anatolië was deels riskant vanwege de nabijheid van het machtscentrum van het Byzantijnse Rijk, maar deels ook aantrekkelijk wegens de ligging op de belangrijkste handelsroute en het bezit van een aantal marktplaatsen. Osman Beg verplaatste zijn hoofdstad van Söğüt naar Bursa en vormde de vroege politieke ontwikkeling van het land.

Osman Gazi (1299-1324)[bewerken]

De oprichting van de Ottomaanse staat was onderwerp van een van de grote debatten in de moderne geschiedschrijving.[2] De historici zoals Paul Wittek hadden moeite om te verklaren hoe een klein vorstendom in de periferie van het Byzantijnse en Seltsjoekse gebied kon uitgroeien tot de een van de machtigste staten van de vroegmoderne tijd. De demografische push van de Turkse nomaden naar westelijk Anatolië, op vlucht voor de Mongoolse invallen was een belangrijke factor in de Ottomaanse staatsvorming. Volgens de Ottomaanse kronieken vormde in dit grensgebied in Söğüt rond Osman Gazi een groep van Turkse nomadische krijgers, de alps, die onder zijn leiding deelnamen aan de veroveringen, in ruil voor land in ‘apanage’ (yurtluk). De alps waren ervaren krijgers en aanvoerders die de migrerende Turkmeense nomadische krijgers (garibs = 'have-nots') in de grensregio organiseerden voor gaza-expedities. De Gaza-ideologie betekende voor de vroeg-Osmanen ‘uitbreiden van de Islam en bescherming van zijn poorten’. Het was geen ‘heilige oorlog’ in de zin van jihad, maar een strikt gereguleerde veroveringsideologie. Osman Gazi groeide uit tot de primus inter pares. Met de overwinning op een keizerlijke Byzantijnse leger in 1302 in de Slag bij Bapheus slaagde hij erin om een onafhankelijke politieke entiteit te creëren.[3] De Byzantijnse hof-kroniekschrijver Pachymeres, een tijdgenoot van Osman Beg, vermeldde Osman voor het eerst na zijn Bapheus-overwinning. Hij schreef dat Osman's roem zich verspreidde tot aan Kastamonu.[4] Deze overwinning bezorgde Osmans onderneming een politieke status van vorstendom of beglik.[5] Hiermee kreeg Osman een enorme reputatie als Gazi-krijger en groeide uit tot een charismatische leider die almaar meer volgelingen aantrok.Osman Gazi bracht meerdere groepen van Turkmeense nomadische krijgers en ex-Byzantijnse gouverneurs zoals o.a. Köse Mihal (baardeloze Michael) onder zijn vaandel samen. Volgens Pachymeres alarmeerde de militaire successen van Osman de Byzantijnse regering, die prinses Maria als vrouw presenteerden aan de Mongoolse Ilkhanid Ölceytü Khan zodat de Ilkhaniden Osman zouden afstraffen.[6] De Byzantijnen dachten waarschijnlijk dat de Turkse grensheren onder toezicht van de Ilkhanids stonden. Maar de Mongoolse Ilkhanids hadden de controle over de westelijke grenzen al lang verloren.

Zonder een visie, alle strategische voordelen ten spijt, zouden de vroege Osmanen niet veel verder kunnen geraken. Deze visie of masterplan werd continu bijgesteld en opnieuw omschreven gedurende de volgende periode. Osman en zijn volgelingen handelden duidelijk met tactische en strategische zin die hen uiteindelijk de controle over alle steden in Bithynië opleverde. In die zin tonen Osman's veroveringen een rationaliteit aan.[7]

Naast veroveringen vormde Osman een reeks van allianties met de naburige Byzantijnse gouverneurs om zijn invloedssfeer uit te breiden. Hij bundelde afzonderlijke elementen en bouwde nieuwe netwerken op via cliëntelisme en huwelijksstrategieën. Hij huwde zijn zoon Orhan met Nilüfer Hatun, de dochter van de Byzantijnse gouverneur van Yarhisar.[8] Deze liaison was een onderdeel van zijn politieke strategie om allianties en banden op te bouwen. Hij bouwde ook belangrijke relaties tussen de Osmaanse dynastie en Soefi derwisjen en Şeyhs. De Soefis vingen de harten en geesten van de Turkse nomaden als van christenen op, ondersteunden de Osmaanse aanspraken op soevereiniteit en ontwikkelden structuren voor co-existentie tussen diverse religieuze gemeenschappen.[9] Osman trouwde met de dochter van Sheik Edebali, een van de meest invloedrijke van religieuze leiders in Bythinia, die Osman's spirituele gids en adviesgever werd. Immers in Centraal-Aziatische Turkse traditie waren de heilige mannen het middel door wie de goddelijk keuze en gunst aan de heerser overgedragen werd. Volgens de oude Turkse tradities werd de soevereiniteit via goddelijke keuze verleend aan een dynastie om de politieke macht uit te oefenen. Dit idee werd verder versterkt door de islamitische traditie die ophield dat God uitkiest aan wie hij een beurt in soevereiniteit verleent; d.i. Dawla (in het Arabisch) of Devlet (in het Turks), een woord dat oorspronkelijk 'draaien' of 'revolutie' betekende, die later de betekenis van dynastie en dan de staat verwierf.[10]

Al in de jaren 1320 bereikte Osman's politieke onderneming een complexe militaire en bestuurlijke structuur die munten sloeg, kende ambten toe aan trouwe bevelhebbers en schonk waqf-intellingen. Osman maakte gebruik van voormalige Seltsjoekse scribenten die in het Perzisch schreven en in 1350 en vertaalden ze Perzische en Arabische kanselarij-woordenschat naar het Turks. De veertiende-eeuwse Seldjoekse en Ilkhanidische kronieken beschrijven de grens-prinsdommen, zoals deze van Osman, in nauwe contact met en beïnvloed door de Seltsjoekse en Mongoolse Ilkhanid bestuurlijke praktijk en kennis.[11] De vroeg-Osmaanse staat weerspiegelde dan al de Perzisch-islamitische en de Centraal-Aziatische concepten van bestuur. Zo werd in een vroeg-Osmaans folkloristisch epos aan Osman Gazi het volgende geadviseerd:

Aanhalingsteken openen

“Wees rechtvaardig, haal niet de verwensingen van de armen over je hoofd, behandel je onderdanen goed en hou je gouverneurs en rechters in het oog. Handel rechtvaardig zodat je je macht kan behouden en de instemming van je onderdanen kan winnen”.[12]

Aanhalingsteken sluiten

Orhan Gazi (1324-1362)[bewerken]

Osman's zoon Orhan I (1324-1362) volgde hem op zonder problemen van legitimiteit. De belangrijkste prestatie van Osman's kleine beylik was dat het zijn dood had overleefd zonder een verlies van de integriteit van haar territoria. In de opvolging van Osman, volgden de Osmanen niet de Turks-Mongoolse praktijk, zoals de andere prinsdommen dat wel deden. Dit zou anders hebben geleid tot de verdeling van de territoria onder de zonen van Osman, die elk zijn eigen aangewezen domein zou krijgen. De Osmanen verlieten dus al heel vroeg de Turks-Mongoolse praktijk van het verdelen van het rijk onder de verschillende erfgenamen, als de eerdere Turkse staten gehad. In ieder geval werd Orhan Gazi's opvolging niet betwist en de Osmaanse prinsdom niet verdeeld. Dit toont aan dat de Osmanen overgingen tot een kruisbestuiving van de Centraal-Aziatische steppetraditie en Perzisch-islamitische erfenis en ontwikkelden zo hun eigen visie op een gecentraliseerde staat met ondeelbare soevereiniteit en territoria. Een apanage werd gezien als een prinselijke leengoed. Wanneer één van de kroonprinsen de hoofdstad bereikte om zijn vader op te volgen, werden de anderen onteigend of geëlimineerd. Hoewel in de volgende generaties veel successie-oorlogen tussen de kroonprinsen hebben plaatsgevonden, hebben de Osmanen staatsmacht nooit gedeeld met andere erfgenamen, die anders de politieke eenheid mogelijks zou hebben verbrokkeld. Het Osmaanse praktijk van opvolging culmineerde uiteindelijk in de wetgeving op fratricide door sultan Mehmed II (1451-1481). Dit om alle neigingen tot fragmentatie te voorkomen en om de centrale staatsmacht te consolideren. Dit is ook de reden dat geen andere dynastie uit het Huis van Osman ooit is kunnen voortkomen. Bijgevolg regeerde de Osmaanse dynastie onafgebroken gedurende meer dan zes eeuwen. De Osmanen, die duidelijk aandachtige geschiedenis-studenten waren, hebben heel waarschijnlijk lessen getrokken uit de snelle versnippering van het Groot-Seltsjoekenrijk.[13]

Portret van Orhan I, 19de eeuw, schilderij door Konstantin Kapıdağlı

De Osmaanse staatsvorming verliep trager dan de snelle opkomst van de Anatolische Turkse staten rondom hen of dan de snelle opkomst van het Seltsjoekenrijk. Aan het begin van de veertiende eeuw waren andere Anatolische Turkse staten zoals die van Menteşe, Germiyan of Karaman machtiger dan de Osmanen. Maar hun gedecentraliseerde manier van uitbreiding en ontwikkeling schiep veel problemen. Ze faalden om de ambities van hun eigen commandanten te controleren. De aanvoerders van deze staten schiepen onafhankelijke politieke formaties voor zichzelf. Een aantal commandanten van het Huis van Germiyan veroverden de Egeïsche kust en riepen hier hun onafhankelijkheid uit, in plaats van trouw te blijven aan de Germiyaniden. Op deze manier kwamen immers de staten van Karasi, Saruhan, Menteşe en Aydın tot stand.[14]

De Osmanen trokken lessen uit deze versnippering en concurrentie in de naburige beyliks. Zij voorkwamen deze gedecentraliseerde manier van uitbreiding door strikte controle op hun aanvoerder te plaatsen. Eerder dan de andere beyliks, waren ze in staat om de onafhankelijke gazi-krijgers om te vormen tot een staand leger. Dit leger vormde trouwens ook de eerste 'moderne' leger in wereldgeschiedenis met gestandaardiseerde organisatie, uniformen en wapens. Van de jaren 1300 tot eind de zeventiende eeuw was het Osmaanse leger meest geavanceerde en machtige leger in Europa en het Midden-Oosten.[15]

Orhan Gazi nam drie grote Byzantijnse steden in: Bursa (1326), Iznik (1331) en Izmit (1337). In 1336 liet Orhan Gazi zilveren munten slaan en verklaarde zich onafhankelijk. In de jaren 1340 nam Orhan Gazi de controle over de lange kustlijn en de kleine vloot van het rivaliserende Turkse prinsdom van Karasi. Hij bereikte zo de strategisch belangrijke schiereiland aan de overkant van de Bosporus in Gallipoli in, wat de oversteek naar de Balkan (Rumeli) vergemakkelijkte. Orhan Gazi vormde met de Byzantijnse troonpretendent Kantekouzenos een alliantie en huwde met zijn dochter prinses Theodora. Hij hielp Kantekouzenos op de Byzantijnse troon en verleende hem later ook militaire steun tegen de invasie van de Servische koning Stefan Uroš IV Dušan. In 1352 versloeg Orhans zoon Süleyman Paşa als bondgenoot van de Byzantijnen het Servische leger in Thracië. Hetzelfde jaar vormde Orhan Gazi ook een alliantie met Genua, dat verwikkeld was in een oorlog met Venetië over de controle van de handelsroute in de Zwarte Zee. Vanaf 1354 verwierven de Osmanen een permanente aanwezigheid in de Balkan en in 1361 werd daar Edirne veroverd, dat de nieuwe hoofdstad werd. De vestiging van de Osmaanse bases in Zuidoost-Europa was een van de belangrijkste realisaties van Orhans bestuur.

Sultan Murad I (1362-1389) Hüdavendigar[bewerken]

Portret van sultan Murad I door Kapidagli Kostantin

In deze periode breidden de Osmaanse territoria zich uit over het oostelijke gebied van de Middellandse Zee en de Balkan. De belangrijke stad Thessaloniki werd in 1387 veroverd op de Republiek Venetië en de overwinning in de slag op het Merelveld in 1389 maakte een eind aan de Servische macht in de regio. Daarmee was de weg vrij voor verdere expansie in Europa. Bij de slag op het Merelveld kwam Sultan Murad I om het leven. Gedurende het bestuur van Murad I (1362-1389) werden de fundamenten van de centrale staat aangelegd. Murad I bouwde een gecentraliseerde en geïnstitutionaliseerde staat uit, vergelijkbaar met sommige staten in West-Europa in de vijftiende eeuw. Het Osmaanse islamitische keizerlijke Rijk, met een sultan en bureaucratie, een staand leger, provinciale cavalerie en met gazi-krijgers aan de grenzen begon zich te vormen. De Osmanen begonnen ook de politieke macht in het centrum te bundelen en creëerden hiervoor het eerste staande leger in het moderne Europa. Dit bestond uit de Kapıkulu ocakları - letterlijk harten van de Poort of 'slaven'. De wijdverspreide term 'slaaf' is hier echter misleidend. De posities van leden van dit corps verschilde sterk van die van "economische" slaven, die bijvoorbeeld in de Romeinse tijd en in de Vroegmoderne Tijd als werkkracht in de landbouw te werk werden gesteld. Zij was meer te vergelijken met de positie van Mamelukken in Egypte. De beroemde subeenheid van het Kapıkulu-leger waren de befaamde Yeniçeriler (Janitsaren) of de nieuwe soldaten. De gedwongen rekrutering van niet-Turkse jongens was een keuze van de Osmaanse staat om een loyale troepenmacht te vormen, die zo weinig mogelijk sociale banden met de Turkse adel had. De bedoeling was dat zij geen andere loyaliteit zouden kennen dan die aan de Osmaanse staat. Naarmate het Osmaanse Rijk zich verder ontwikkelde, veranderde ook het concept van de staat. De bestuurlijke en rechterlijke taken werden uitgevoerd door de oelema (religieuze geleerden) die vanuit de centra van de moslimwereld kwamen. Murad rekruteerde zijn bestuurders uit de voormalig Seltsjoekse centra in Anatolië, Iran en Egypte. De eerste viziers waren bureaucraten van de oelema die de klassieke Nabij-Oosterse concepten van staatsbestuur vestigden in dit nieuwe en snel groeiende rijk van de Osmanen.

Slag bij Nicopolis, 1396. Bayezid I bij het kasteel van Nicopolis, belegerd door de kruisvaarders.

Sultan Yıldırım (Bliksemslag) Bayezid I (1389-1402)[bewerken]

Sultan Yıldırım Bayezid I.

In 1389 volgde Bayezid I zijn vader op het slagveld op. In Anatolië onderwierp Bayezid de Turkse vorstendommen en bracht ze onder direct bestuur van de gecentraliseerde staat via zijn bureaucraten van de kapıkulu (dienstplichtige dienaren van de dynastie). Maar de gebeurtenissen in Europa dwongen Bayezid om naar het westen terug te keren. De situatie in de Osmaanse vazalstaat Servië was alarmerend.

Na de dood van de Servische despoot Lazar in Kosovo in 1389 weigerden zijn vazallen Vuk Branković en Stracimirovich het gezag van Lazar's weduwe Milica erkennen. Deze opvolgingsstrijd leidde tot de betrokkenheid van de Hongaarse koning Sigismund die zijn controle op Servië wilde opleggen. Nadat Sigismund Servië was binnengevallen, kwam Bayezid naar Europa om de Hongaarse ambities in Servië in te dammen. Hiervoor stelde Bayezid in 1392 aan Milica voor om haar te beschermen tegen Hongaarse dominantie, waarop Bayezid huwde met haar dochter Olivera. Daarna stelde Bayezid de zoon van Lazar, Stephan, op de Servische kroon als Osmaanse vazal. Op deze manier voorkwam hij de Hongaarse overheersing van Servië.[16]

In 1394 nodigde sultan Bayezid I I de Byzantijnse keizer Manuel II en de Osmaanse christelijke vazallen in de Balkan uit voor een bijeenkomst in Serres. Hij wilde de relaties van suzerein-vazal tussen hen versterken. In het bijzonder wilde Bayezid duidelijk maken aan de Byzantijnen, die zich met Venetië wilden alliëren, dat dit niet in hun belang was en vroeg de keizer om belangrijkste steden in de Morea niet aan Venetië over te dragen. Maar Manuel II kreeg de indruk dat Bayezid hem wilde elimineren en zodra hij terug was in Constantinopel, verbrak hij de relaties met Bayezid I en zond boden naar Hongarije voor militaire hulp.[17] Daarop beval Bayezid de belegering en blokkade van Constantinopel, die tot 1402 zou duren.

Ondertussen leidde Bayezid een expeditie tegen de Hongaren en Walachije en onderwierp woiwode Mircea I van Walachije in 1395. Bayezid stak daarna de Donau-rivier over en veroverde de kasteel van Nicopolis, die één van de belangrijkste passages over de Donau controleerde. De Bulgaarse koning Ivan Shishman werd daar gevangen genomen en geëxecuteerd. Op deze manier maakte Bayezid een eind aan het Bulgaarse koninkrijk dat werd omgevormd tot een Osmaanse provincie.[18]

De snelle uitbreidingen van Bayezid I in de Balkan veroorzaakten commotie in Europa. Hongarije en Venetië, die al een verbond in 1394 hadden afgesloten, pleitten voor een kruistocht tegen de Osmanen in verschillende Europese hoofdsteden. Hun verzoek en de aanhoudende Byzantijnse steunaanvragen vingen uiteindelijk de aandacht van de West-Europese landen, die net de Honderdjarige Oorlog hadden beëindigd. Vooral de Valois hertogen van Bourgondië voelden zich sterk betrokken tot een anti-Osmaanse heilige oorlog. De Bourgondische hertog Filips de Stoute werd de belangrijkste architect van een kruistocht; hij wilde hiermee zijn eigen politieke positie versterken en stuurde daarom zijn zoon, graaf Jan zonder Vrees, als de nominale bevelhebber van de Franse troepen.[19] Er werd een grote kruisvaarders-leger bijeengebracht met troepen uit Vlaanderen, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Italië, Rhodos, Spanje, Schotland, Hongarije, Walachije, Polen en Lombardië.[20]

Maar in de buurt van Nicopolis bracht Bayezid een verpletterende nederlaag toe aan dit geallieerde leger van West-Europese kruisvaarders bij de Slag bij Nicopolis in 1396 – beschouwd als de laatste grote kruistocht van de Middeleeuwen. Deze overwinning beveiligde de Ottomaanse aanwezigheid in de Balkan, leidde tot een grote shock in Europa en bezorgde Bayezid grote faam in de moslimwereld. Hij kreeg van de kalief in Caïro de titel van Sultan al-Rum (Sultan van de Romeinse landen). De rollen van de kapıkulu en de oelema werden verder ontwikkeld en groeiden uit tot de belangrijkste instrumenten van de Ottomaanse staat. In 1400 regeerde Bayezid via deze bureaucratische klasse al over een rijk dat zich van de Donau tot de Eufraat uitstrekte. De Ottomaanse steden Edirne en Bursa waren uitgegroeid tot rijke centra van de internationale handel. Via Antalya kwam de handelsroute uit Indië en Arabië, in Amasya en Tokat passeerde de Iraanse zijderoute, verder zorgden de zout- en metaalmijnen in de Balkan en de aluinhandel met West-Europa voor grote inkomsten.

Interregnum (1402-1413)[bewerken]

De bestuurlijke hervormingen van Bayezid I kregen echter ook kritiek. In de nieuwe grensgebieden in de Balkan ontstond een interne oppositie van de Turkse gazi-beys. De snelle expansie in Anatolië bracht Bayezid in conflict met Timoer Lenk en met de Mammelukken in Egypte. Timur, de Turkse vorst van Transoxanië viel Anatolië binnen en bracht in 1402 het prille Osmaanse sultanaat in de slag bij Ankara een bijna fatale klap toe. Hij verdeelde de kernlanden van het Osmaanse Rijk onder Bayezid's zonen, wat een burgeroorlog, het Ottomaanse Interregnum veroorzaakte, die tot 1413 zou duren.[21]

Çelebi Mehmet I (1413-1421)[bewerken]

In 1413 wist Mehmet I de orde te herstellen en wist hij de Osmaanse gebieden weer te herenigen. Daarin kreeg hij de belangrijke steun van het bureaucratische apparaat van sultan Bayezid I. De invloedrijke Turkse aristocratie en de "gazi-beys" in de grensgebieden die hun privileges niet wilden verliezen, waren tegen de gecentraliseerde regering van de Osmanen gekant. De lokale christelijke vorsten in de Balkan bevonden zich in een gelijkaardige positie. Al deze groepen steunden de troonpretendenten en speelden een belangrijke rol in de langdurige burgeroorlog. Uiteindelijk behaalde Çelebi Mehmet I de overwinning op zijn rivalen doordat het Janitsarenkorps, de infanteriesoldaten in dienst van de dynastie, zijn kant kozen. Even belangrijk was echter dat hij de instemming van de oelema en de gazi's wist te winnen.[22] De privileges van de Turkse aristocratie zouden pas na de verovering van Istanbul ondermijnd worden door het centralistische beleid van sultan Mehmet II (1451-81).

Gazi Sultan Murad II (1421-1451)[bewerken]

Hoe zwak nog de centrale regering was, bleek toen de jonge sultan Murad II (1421-1451) de troon besteeg. Tot 1430 heeft hij meerdere opstanden van troonpretendenten weerstaan, waarbij de steun van de gazi-beys cruciaal was voor succes. Ook de Turkse staatjes in Anatolië erkenden zijn gezag niet. Nadat de interne restauratie was voltooid, richtte Murad II zich op de Turkse staatjes. Hij onderwierp deze en verplichtte hen om de afgenomen territoria terug te geven. Na deze chaotische periode voerde Murad een verzoenend beleid met de Turkse vorsten in Anatolië, de Balkan-staten en met de Byzantijnen. Hij wilde de status quo handhaven. Murad was een sultan die graag dronk, zich had omringd met muzikanten, dichters en kunstenaars en die geboeid door het mystieke soefisme. Militair capabele viziers als Şihabeddin Paşa zorgden er echter voor dat Murads regering cruciale militaire successen kende.[23] De Bourgondische spion, Bertrandon de la Broquière werd in 1432 uitgezonden door zijn heer, de hertog van Bourgondië, Filips de Goede, naar het Osmaanse rijk om verslag te brengen over de militaire situatie als voorbereiding op een kruistocht, die er nooit kwam. Na zijn terugkeer in Gent, schreef de Bourgondiër, zijn observaties neer in de vorm van een militaire verslag. Bertrandon merkte onder meer op:

Aanhalingsteken openen

Ze vertelden me dat hij [sultan Murad II] de oorlog haat en ik denk dat het waar is. Want indien hij gebruik wilde maken van de immense rijkdom waarover hij beschikt, zou hij gemakkelijk vele plaatsen in Europa kunnen veroveren [...] Regelmatig maakt Amurad beg [Sultan Murad II] grote voorbeelden van rechtvaardigheid, die hem volmaakte gehoorzaamheid van zijn onderdanen oplevert. Hij weet ook zijn land in een uitstekende staat van verdediging te houden, zonder daarbij zijn onderdanen te onderdrukken via zware belastingen of andere vormen van afpersing.[24]

Aanhalingsteken sluiten

Murad richtte zich op de Balkan en heroverde in 1430 Thessaloniki op Venetië. Om de Hongaarse controle op Servië te verzwakken en de Venetiaanse claims in Albanië te counteren, wilde hij het gebied ten zuiden van de Donau controleren. Murad was vooral bezorgd door het commerciële overwicht van de Venetianen in de Middellandse Zeegebied. Hij zag deze economische wanverhouding als een nadeel en voerde een expansiebeleid om de Venetiaanse commerciële hegemonie af te zwakken, zodat de Osmanen de controle over de Levantijnse handelsroutes konden overnemen. Hij stimuleerde verder de traditionele bondgenootschap met Genua, de aartsrivaal van Venetië. De controle over Servië breidde Murad uit door zijn huwelijk met de dochter van despoot Đurađ Branković, die zijn vazal werd. De grootste dreiging op de Balkan kwam echter van de Hongaren, die in de periode 1441-1442 enige militaire successen hadden geboekt. Murad wist de Hongaarse dreiging af te weren en hij sloot in 1444 een vredesverdrag met hen in Edirne. Hetzelfde jaar sloot hij ook een vredesverdrag af met de Karamaniden, een rivaliserend Turks vorstendom in Anatolië. Oorlogsmoe en in de overtuiging dat hij de vrede aan de oostelijke en westelijke grenzen van het rijk had verzekerd, deed sultan Murad II in 1444 troonsafstand ten gunste van zijn twaalfjarige-zoon Mehmet II. Hij trok zich terug naar Manisa in Anatolië.

De Byzantijnen en de paus lieten deze kans niet onbenut en brachten een groot kruisvaardersleger uit West-Europa op de been. De Hongaren verbraken het vredesakkoord en voegden zich bij de West-Europese en Byzantijnse alliantie. Ook de lokale dynastieën in de Balkan namen de wapens op tegen de Osmanen. De jonge sultan Mehmet II kon de situatie niet aan. Bovendien raakte hij verstrikt in een conflict tussen de grootvizier Çandarlı Halil Paşa en zijn mentor, lala Zağanos Paşa. De inwoners van hoofdstad Edirne werden geëvacueerd toen het kruisvaarders-leger de stad tot zeer dichtbij naderde. De grootvizier Halil Paşa riep sultan Murad II terug uit Anatolië. Ondanks de blokkade van de Bosporus door de Venetianen, stak Murad met het leger de Bosporus over, onder dekking van een spervuur van de Genuese vloot. Op 10 november 1444 trof hij de kruisvaarders in de Slag bij Varna, die eindigde met de dood van de Pools-Hongaarse koning Wladislaus van Varna en de nederlaag van de kruisvaarders.[25] Samen met een tweede overwinning in de tweede Slag van Kosovo in 1448 vormde dit de basis voor het Ottomaanse machtsoverwicht op de Balkan in de volgende vier eeuwen. Ze brachten de verovering van Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse rijk, ook dichterbij.

Het Beleg van Wenen in 1529
Ottomaanse vloot in de Indische Oceaan in de 16e eeuw

Het Osmaanse Rijk als wereldmacht, 1453–1683[bewerken]

Een 15e-eeuwse Janitsaar. Tekening door Bellini

Met de verovering van Constantinopel in 1453 en de val van het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk, kwam het Osmaanse Rijk in een nieuwe fase. In de 16e eeuw groeide het uit tot een wereldmacht. Het Osmaanse territorium strekte van de Middellandse Zee tot de Adriatische Zee en van de Kaspische Zee tot de poorten van Wenen. Dit hoogtepunt werd door latere Osmaanse historici beschouwd als een 'gouden tijdperk' waarin de staat sterk was en werd bestuurd door competente sultans en bureaucraten en waarin het intellectuele en artistieke leven bloeide.

Gedurende het bewind van sultan Mehmet II (1451-1481) werd de Ottomaanse staat omgevormd tot een gecentraliseerd rijk. De Osmanen gebruikten niet de term "rijk" maar noemden het de Sublieme Staat, Devlet-i Aliyye. De centralisatie bereikte een hoogtepunt tijdens het bestuur van sultan Süleyman I (1520-1566).

Fatih Sultan Mehmed II (1451-1481)[bewerken]

Na zijn troonsbestijging in 1451 richtte sultan Mehmet II zich op de verovering van Constantinopel. Hij wilde snel handelen voordat de Europese inspanningen om de orthodoxe en katholieke kerken te verenigen zouden slagen. Twee jaar later veroverde hij het centrum van het Oost-Romeinse rijk en riep het "Nieuwe Rome" uit tot de Osmaanse hoofdstad. Deze verovering leverde Mehmet niet alleen de islamitische titel van Ebu'l Feth (vader van de verovering) op, maar het versterkte zijn positie tegenover zijn politieke tegenstanders en maakte het mogelijk om alle macht in zijn persoon als vorst samen te brengen. Hij ondermijnde de invloed van de Turkse aristocratie, in het bijzonder door de executie van grootvizier Çandarlı Halil Paşa. Deze had hem eerder proberen af te zetten via een opstand van de Janitsaren. Daarmee maakte Mehmet een einde aan de machtsdeling van de aristocratische families in het bestuur.[26]

Tegelijk voerde Mehmet een reeks van wettelijke, bestuurlijke en militaire hervormingen door om een gecentraliseerde staatsstructuur te vormen. Hij slaagde erin om de absolute macht van de sultan te consolideren door het instellen van een centraal bestuur, waarin de bureaucraten en militairen gerekruteerd via het devşirme-systeem de belangrijkste instrumenten van de staat werden. De Osmaanse staat ontstond uit een vermenging van de nomadisch-Turkse politieke tradities en instellingen, het Perzisch bestuurlijke erfgoed, de islamitische sharia-wetgeving aangevuld met de vorstelijke wetten (kanuns) en tenslotte enkele Oost-Romeinse praktijken.[27]

Het evenwicht tussen de dynastieke en islamitische wetten kon enkel bewaard worden door een sterke, centrale autoriteit, in de persoon van de sultan. Omdat de kanun opgesteld was door menselijke rede en dus veranderbaar was, had deze een grotere relevantie voor de Osmaanse staat dan de goddelijke wetgeving. Samen drukten ze de Osmaanse politieke idee van universele rechtvaardigheid uit. In de woorden van Tursun Beg, de vijftiende-eeuwse Osmaanse historicus:

Aanhalingsteken openen

Bij de wetten gebaseerd op rede, voor de goede orde van de wereld [nizam-ı âlem], zoals bijvoorbeeld Dzjengis Khan dat deed, worden de gebeurtenissen verbonden met causaliteit, en dat wordt de sultanspolitiek en imperiale wetgeving [siyâset-i sultani ve yasağ-ı padişahi] genoemd, die in ons [Turkse] gebruik örf wordt genoemd. Om dit te handhaven is een vorst [padişah] nodig. Een profeet is niet altijd nodig (…), maar een vorst is wel altijd nodig, omdat hij het gezag bezit om wetten in te stellen en uit te voeren voor het publieke belang. Want indien zijn autoriteit wegvalt, kan er geen recht worden afgedwongen en de mensen kunnen niet samenleven; ze zouden elkaar en deze orde vernietigen.[28]

Aanhalingsteken sluiten

Door de veroveringen werden nieuwe culturen geïncorporeerd. Zo nam Mehmet niet alleen de Turks-Arabische titel van Khan van de Twee Continenten en de Twee Zeeën aan, maar voegde hij er Kayser-i Rûm (keizer van Rome) aan toe. Toen hij op 21-jarige leeftijd Istanbul veroverde, sprak Mehmet vloeiend Turks, Perzisch, Arabisch, Hebreeuws, Grieks en Latijn. Mehmet tolereerde de co-existentie van drie religies in Istanbul, in schril contrast met de gelijktijdige inquisitie in Spanje. De patriarch behield zijn autonomie over de Grieks-orthodoxe gemeenschap van Istanbul. De andere christelijke en joodse gemeenschappen werden erkend als autonome gemeenschappen.

Portret van sultan Mehmet II (1451-81), "de Veroveraar" (Fatih), door de Venetiaanse schilder Gentile Bellini
Sultan Süleyman I (1520-66), ook bekend als Süleyman "de Prachtlievende" of "de Wetgever"

Vaak nodigde sultan Mehmed bekende geleerden en filosofen uit en liet hen discussies voeren. Zo voerde hij gesprekken met de de Griekse monnik Gennadios over christendom.[29] Sultan Mehmed schreef gedichten onder het pseudoniem 'Avni' (de helper) en liet een dichtbundel na in de klassiek Ottomaanse literaire stijl. Hij bouwde universiteiten (madrassa's) en stimuleerde de ontwikkeling van onderzoek in wiskunde, astronomie, geneeskunde en theologie. Hij liet zich portretteren door de Italiaanse schilder Gentile Bellini in Istanbul. Leonardo da Vinci verzocht sultan Bayezid II (zoon van Mehmed II) om onder zijn patronage te komen en een brug over de Gouden Hoorn te bouwen.[30] Verder bewaarde Mehmed ook een reeks Griekse manuscripten in zijn bibliotheek. Vanwege zijn interesse in de Italiaanse architectuur nodigde hij de ingenieur en architect van Boulogne, Aristotile Fiorevante uit.[31] Door de kooplieden, de geleerden zoals Ali Qushji en de kunstenaars uit de provincies van het rijk en van het islamitische cultuursteden als Herat, Bagdad en Samarkand ontwikkelde Istanbul zich tot een ware metropool.[32]

In een reeks expedities verenigde sultan Mehmet II de voormalige Oost-Romeinse territoria in de Balkan onder het Ottomaanse bestuur. In 1461 nam hij het Byzantijnse Keizerrijk Trebizonde in en elimineerde zo alle Byzantijnse dynastieën die de Romeinse troon konden opeisen. Hij annexeerde het Turkse vorstendom Karaman en versloeg zijn rivaal Uzun Hasan in 1474. Zo bracht hij Anatolië onder het Ottomaanse centrale bestuur. Deze uitbreiding tot aan de grenzen van het sultanaat van de Mamelukken van Egypte bracht de twee machtigste moslimstaten op rand van oorlog. In dezelfde periode ondermijnde Mehmet het commerciële overwicht van de Venetië in de Middellandse Zeegebied, veroverde hun belangrijkste handelskolonies in de regio en dwong de machtige stad tot een vredesverdrag. Aan de Zwarte Zee annexeerde hij alle handelskolonies van Genua en het Kanaat van de Krim (1459-75).

Daarna richtte Mehmet zich op de hereniging van het Romeinse Rijk, wat sinds de afzetting van de laatste keizer in Rome door de Germanen in 476 niet meer gebeurd was. De Byzantijnse geleerde Georgios van Trebizonde schreef in 1464 aan Mehmet:

Aanhalingsteken openen

Laat niemand twijfelen dat jij rechtmatig de Keizer van de Romeinen bent. De hoofdstad van het Romeinse rijk is Constantinopel. Wie dan ook de legale bezitter is van de zetel van het rijk is bijgevolg ook de legitieme Keizer van de Romeinen".[33]

Aanhalingsteken sluiten

In 1480 viel zijn beste bevelhebber Gedik Ahmed Paşa Italië binnen en veroverde Otranto. Italië was verdeeld door de rivaliserende stadstaten en Mehmets plannen om Rome te veroveren en het Romeinse rijk te verenigen leken te slagen, maar een opstand in Albanië zorgde dat hij zijn aandacht moest verleggen. Tijdens deze expeditie werd sultan Mehmet vergiftigd en stierf hij onderweg in 1481.

Sultan Bayezid II (1481-1512)[bewerken]

Na het plotse overlijden van sultan Mehmet II ontstond een opstand van de Janitsaren en een opvolgingsstrijd tussen zijn zonen Cem (Djem) en Bayezid II. Cem werd beschouwd als de opvolger en voortzetter van het beleid van zijn vader. Maar er was grote ontevredenheid over sultan Mehmet's centralistische beleid. Mehmet's inspanningen om de centrale staat te verankeren en de financiering van de vele militaire expedities leidden tot ongenoegen onder de vele segmenten van de samenleving. Vooral de bevolking leed onder de nieuwe belastingen en de derwisjen van de mystieke orden waren ontevreden omdat hun inkomstenbronnen waren afgenomen. Daar kwam nog een verborgen oppositie bij binnen de elite, bestaande uit aristocraten die hun status hadden verloren en die aangespoord werden door bureaucraten die op meer macht hoopten. Al deze elementen hadden zich geschaard achter Bayezid II en ze vonden bondgenoten onder de Janitsaren.

De grootvizier Karamani Mehmet Paşa schoof Cem naar voren als de nieuwe sultan, maar de Janitsaren grepen in en zetten de grootvizier af en haalden Bayezid II naar Istanbul om de troon te bestijgen. Cem kwam in opstand tegen zijn broer maar werd definitief verslagen met de cruciale steun van Gedik Ahmet Paşa. Cem zocht onverstandig zijn toevlucht bij de hospitaalridders van Rodos, waar hij gevangen werd gezet tegen betaling van 45.000 goudstukken per jaar. Tot zijn dood in 1495 werd Cem door de paus gebruikt als lokaas voor een nieuwe kruistocht en de paus dreigde Bayezid om Cem vrij te laten indien hij campagnes zou ondernemen in Europa.

Yavuz Sultan Selim I (1512-1520)[bewerken]

De verovering van Rodos in 1522

De veroveringen van sultan Mehmet II brachten het rijk in conflict met opkomende christelijke en islamitische mogendheden: Hongarije, Spanje en het Heilige Roomse Rijk in het noorden en westen, Perzië in het oosten, en de Mammelukken in Egypte. Sultan Selim I wist de laatste twee in een bliksemveldtocht van slechts enkele jaren te veroveren. In 1514 werd sjah Ismail I in de Slag bij Chaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in Oost-Anatolië en het noorden van Mesopotamië bevestigde. Daarbij sloot Selim I een alliantie met de Koerdische stammen in de regio. In 1516 veroverde sultan Selim I Syrië en Palestina, in 1517 het Mammelukkenrijk in Egypte. Omdat de heilige steden Mekka en Medina afhankelijk waren van Egyptische voedselvoorzieningen, kwam de sjarif van Mekka vrijwillig onder Osmaanse bestuur. Maar door de verovering van het Mamelukkenrijk werd de samenstelling en het karakter van de Osmaanse staat sterk veranderd. Tot 1517 was het een regionale macht aan de grenzen van de moslimwereld, hoewel met een aanzienlijk prestige. Na de verovering van Egypte, Syrië en in 1533 Irak bestuurde de Osmaanse regering niet alleen een groot aantal niet-islamitische inwoners, maar controleerde het de kernlanden van de moslimwereld. Dit gaf de Osmanen een sterkere positie tegenover zowel het Habsburgse rijk als de Safawiden in Perzië en versterkte hun legitimatie binnen de moslimwereld. De Osmaanse sultans waren voortaan ook de Beschermers van de heilige steden (Mekka, Medina en Jeruzalem) en van de bedevaart naar deze plaatsen. Ook werd het kalifaat door de emir van Mekka aan Yavuz Sultan Selim gegeven. Yavuz Sultan Selim noemde zich echter 'dienaar van de heilige steden van Mekka en Medina' - Khadimü’l-Harameyn - in plaats van de gebruikelijke titel te gebruiken.

Om de Osmaanse dynastieke legitimatie verder te ondersteunen ten opzichte van de moslimwereld eigende Selim dus de titel Khadimü’l-Harameyn toe. Een belangrijk kenmerk van de Osmaanse sultan was zijn imago als een ideale vorst die de moslimlanden (Darü'l-islam) beschermde en er nieuwe gebieden aan toegevoegde. De Osmaanse historicus Mustafa Ali schreef zestig jaar nadat Yavuz Selim I deze titel aannam: "Selim's ijver leidde ertoe dat hij de roem van het rijk hoger optilde dan zijn voorouders, en door het toevoegen van de nobele titel 'Dienaar van de twee heilige steden' aan zijn illustere vrijdag preek, overtrof hij alle andere sultans in rang."[34]

Vlak voor de verovering van Syrië en Egypte in 1517 zond Sultan Selim I een brief naar de Mamlukken Sultan Tuman Bey, in Caïro. Deze brief werpt een blik op de normatieve legitimering van Osmaanse staatsmacht: "Het is aan mij geopenbaard," schreef Selim , "dat ik de bezitter zal worden van het Oosten en het Westen, precies zoals Alexander de Grote (...) Jij bent een Mamluk, een slaaf die gekocht en verkocht wordt, jij bent niet geschikt om te regeren. Ik ben een koning, zoon van een koning (Malik ibn Malik) afstammend via twintig generaties van vorsten."[35]

Kanuni Sultan Süleyman I (1520-1566)[bewerken]

De 16de eeuw was dan getekend door de strijd om politieke hegemonie tussen de Osmaanse sultan Süleyman I en zijn tijdgenoot, de Habsburgse koning Karel V. Over één stelling waren de Osmanen en de Habsburgers het in die jaren roerend eens: er kon maar één wereldrijk zijn. De Osmanen hadden de twee rivalen in de moslimwereld, de Safaviden in Perzië geneutraliseerd en het Mammeluk sultanaat van Egypte en Syrië veroverd. Het beleg van Wenen in 1529, en later in 1683, waren de hoogtepunten in de ‘Slag om Europa’ tussen de Osmanen en de Habsburgers. Na Wenen was Rome het volgende doelwit. Dat zou de val van de paus hebben betekend.[36]

Tijdens het bewind van sultan Süleyman I (1520-1566) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding en beheerste het de Middellandse Zee. Ook het Osmaanse wettelijke en bestuurlijke systeem kwam dan tot volle ontplooiing. Süleyman was de tiende en langstregerende sultan van de Osmaanse dynastie. In het Westen is hij bekend als Süleyman de Prachtlievende. Hij was een van de machtigste vorsten in Europa van de 16e eeuw. Hij leidde persoonlijk de Osmaanse legers en veroverde belangrijke christelijke bolwerken zoals Belgrado, Rodos, bracht een einde aan het koninkrijk Hongarije in de Slag bij Mohács in 1526 en belegerde Wenen in 1529. De Slag bij Mohács kan als een hoogtepunt van de Osmaanse veroveringen in Europa worden gezien. In het oosten versloeg hij in 1534 de Safawiden in Mesopotamië en veroverde Bagdad. Grote delen van Noord-Afrika, zoals Algiers (1516), Tunis (1534) en Tripoli (1551) kwamen onder Osmaanse controle. De Krim werd veroverd, waardoor de Zwarte Zee een Ottomaanse binnenzee werd. De Ottomaanse vloot onder leiding van admiraal Hayreddin 'Barbarossa' Pasha domineerde de zeeën van de Middellandse Zee tot de Rode Zee en de Perzische Golf.

Het Osmaanse Rijk vindt ook zijn plaats in de Europese diplomatieke spel; sultan Süleyman sloot in 1543 een alliantie met François I, koning van Frankrijk, tegen de gemeenschappelijke vijand, Karel V, de Habsburgse keizer. De Fransen zochten het Osmaanse hulp op in hun machtsstrijd in Europa tegen hun Habsburgse rivalen. Op verzoek van François I legde in 1543 de Osmaanse vloot onder bevel van Hayreddin Pasha het beleg van Nice, die in Spaanse handen was gevallen. In de context van de 16de-eeuwse machtspolitiek overwinterde daarop de Osmaanse vloot in de Franse kuststad Toulon.[37] In tegenstelling tot de traditionele geschiedschrijving die de Osmanen als een buitenstaander beschreven, was het Osmaanse rijk een onderdeel van het Europese statensysteem.

Zilveren, gegoten en nabewerkte halve maan geuzenpenning met de leuze 'Liever Turks dan paaps' (1570)
Slag bij Preveza In 1538 verslaat (Barbaros) Hayreddin Pasha de Heilige Liga van Karel V, onder het bevel van Andrea Doria

Niet alleen Frankrijk maar ook de noordelijke Nederlanden, die geteisterd werden door de Habsburgse ambities, zochten de Osmaanse steun op. In 1566 zocht Willem I, Prins van Oranje, financiële en militaire steun van de Osmaanse staat voor zijn onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje. Willem contacteerde Joseph Nasi, een Joodse bankier in Istanbul. Willem had met Joseph samen gestudeerd aan de universiteit van Leuven. Josef Nasi was uit Antwerpen gevlucht, die onder de ijzeren greep van de Spaanse Inquisitie stond en had zich ondertussen in Istanbul gevestigd. In Istanbul werd hij onthaald door de Osmanen zoals vele andere Sefardische joden uit Portugal en Spanje die de inquisitie ontvluchtten. De Nederlanders vestigden hun hoop op Osmaanse successen tegen de Habsburgers. Elk Osmaanse expeditie tegen de Habsburgers op de Middellandse Zee verlichtte de Spaanse druk in de Nederlanden. Onder meer op verzoek van prins Willem I opende Sultan Selim II een front in de Middellandse Zee tegen de Habsburgers in 1574 en zijn vloot veroverde Tunis.[38]

Die feiten lieten hun sporen na in Nederlandse geuzenliederen:

Aanhalingsteken openen

Den Turck die coemt Hy heeft gewonnen, tzy u vertelt, Twee steden van grooter weerden Lagoulette ende Thoenis sijn die Steden genaemt Daer binnen was so menigen Italiaen, Bisschoppen, Cardinalen, Spaensche gesellen, Die zijn daer gebleven, wilt dit verstaen, Die sullen ons hier niet meer quellen [kwellen].

Den Prince van Oraengien triumphant Godt sal hem gheven wijsheyt en verstant, Al is den Turk gheen Christen genaemt, Hy heeft niemant om tgeloove gebrant, Als die papisten doen alle dage. ’[39]

Aanhalingsteken sluiten

De Osmanen waren ook actief in Afrika. In het huidige Ethiopië en Eritrea, stichtten zij de provincie Habeş.[40] De Osmaanse regering leverde ook steun aan de Oost-Afrikaanse landen langs de kust van de Indische Oceaan. De Portugezen, die er niet in slaagden om een doortocht in de Middellandse Zee te krijgen, bedreigden de Afrikaanse staten langs de Rode Zee en de specerijenhandel.[41] Tegelijk bouwden de Osmanen relaties met de islamitische staten in centraal en West-Afrika, zoals de sultanaten van Bornu, Zanzibar en Harar.[42] De Osmaanse zeevaarder, cartograaf en auteur, Piri Re'îs, tekende al in 1513 een nauwkeurige kaart van de wereld, waarin hij de laatste ontdekkingen in de Nieuwe Wereld ook registreerde. Hij maakte o.a. gebruik van vijf Europese kaarten, waarvan er één getekend was door Columbus.[43]

Sultan Süleyman voerde verder wetswijzigingen in met betrekking tot maatschappij, onderwijs, belastingsysteem en strafrecht. Hij was daarnaast een begaafd goudsmid en dichter die schreef onder het pseudoniem Muhibbi, wat 'minnaar' betekent. Süleyman trad ook op als beschermheer van de cultuur en stimuleerde de bloei van de artistieke, literaire en architecturale ontwikkeling van het Osmaanse cultuurleven. Hij sprak zes talen: Osmaans Turks, Arabisch, Servisch, Chagatai (een dialect van de Turkse taal, gerelateerd aan Oeigoers), Perzisch en Urdu. Süleyman trouwde met een haremmeisje, Hürrem Sultan, in het Westen bekend als Roxelana.

Aanhalingsteken openen De mensen kijken op naar de staat als iets prestigieus,
Maar er is geen groter geluk dan een adem vol gezondheid.
Wat ze regering noemen is maar een strijd om de wereld,
Er is geen groter geluk en fortuin dan de eenheid van de wereld.
Als je vrede wilt, O Muhibbi, bevrijd je dan van alles,
Er is geen rustgevender toevluchtsoord dan de gemoedsrust van de eenzaamheid.
— Gedicht van Süleyman, alias Muhibbi
Aanhalingsteken sluiten
Wereldkaart van Piri Reis, Ottomaans zeevaarder, navigator en cartograaf (16e eeuw)
17e-eeuwse miniatuur met astronomen die met telescopen de hemellichamen bestuderen

Het beleg van Malta (1565), dat verdedigd werd door de Hospitaalridders, moest na zware strijd door de Ottomanen worden opgebroken. Lange tijd werden de Ottomanen in Europa gezien als bedreiging voor het voortbestaan van het christendom, zodat er diverse militaire coalities tegen werden gesmeed. Spanje, dat in die tijd dankzij de zilver- en goudimport uit Amerika veel te besteden had, speelde hierbij een hoofdrol, zowel uit religieuze als geopolitieke motieven. De rivaliteit ter zee bereikte in 1571 een hoogtepunt in de Slag bij Lepanto, aan de Griekse oostkust. Het was een grote overwinning voor de 'Heilige Liga', maar die viel uiteen zodra de acute dreiging was afgewend; onderlinge rivaliteit tussen de christelijke mogendheden kreeg weer de overhand. De Ottomanen kregen daardoor nog de kans zich van 'Lepanto' te herstellen.

Doordat de Osmanen het hele oostelijke Middellandse Zeegebied beheersten, hadden zij een monopolie op de doorvoerhandel tussen Europa en Azië. De Venetiaanse handelaren die via de Levant handel dreven met India en China, konden daardoor hoge prijzen opgelegd worden op handelswaar zoals peper. De specerijen werden letterlijk peperduur. Dit leidde tot het zoeken naar alternatieve routes over zee naar de Indische specerijengebieden. Eerst werd de route rond Kaap de Goede Hoop (1488) ontdekt. Het zoeken naar een alternatieve, westwaartse route naar Oost-Azië leidde tot de ontdekking van Amerika (1492), wat onvermoede kansen voor Europese expansie bood. De Europese kolonisatie van de andere delen van de wereld zette zich aan. De handel verschoof daardoor van Venetië en Genua eerst naar Lissabon en later naar Amsterdam en Londen. Het belang van de handel in de Middellandse Zee verdween daarmee niet volledig. Tot eind de 18de eeuw bleef het een belangrijke rol spelen. Europa omzeilde ondertussen geleidelijk de Osmaanse heerschappij in de Middellandse Zee naar Oost-Azië. Het einde van de 16de eeuw betekende geenszins het einde van de Osmaanse macht, maar eerder een ontwikkelde integratie van het Osmaanse rijk in het Europese statensysteem, dat zelf een intense politieke en ideologische transformatie onderging.[44]

Vanaf de jaren 1590 was de macht van de sultans ingeperkt door een verankerde bureaucratie, die over eigen machtsbronnen beschikte.[45] De macht verschoof naar onder meer de grootvizier en bevelhebbers van de Janitsaren en de centrale bureaucratie. Een bekend incident was de gewelddadige afzetting van de jonge sultan Osman II in 1622. Na een mislukte expeditie in Polen in 1621 was Osman II overtuigd dat de Janitsaren en de staatsmannen niet langer bekwaam waren en wilde een hervorming van het leger en bureaucratie doorvoeren. In zijn voornemens hield hij echter weinig rekening met de interne machtsverhoudingen. Met zijn plannen joeg de jonge sultan niet alleen de Janitsaren, maar ook het establishment tegen zich in het harnas. Ze vreesden hun posities en privileges te verliezen en spoorden de Janitsaren aan tot een paleiscoup. Toen Osman II niet toegaf aan druk van de Janitsaren om van zijn hervormingen af te zien, bestormden ze het Topkapi-paleis, zetten hem af en sloten hem op. Twee dagen later sprak de oelama een fatwa uit tegen Osman II en werd hij gewurgd.[46]

Het Osmaanse Rijk en Europa[bewerken]

Ottoman Sultan selim III 1789.jpg
Selim III ontvangt de staatslieden tijdens een audiëntie aan de Poort van Gelukzaligheid, Topkapı Paleis.
Jean-Baptiste van Mour 006.jpg
Ahmet III ontvangt Franse ambassadeurs in 1724
John frederick lewis-reception1873.jpg
Oriëntalistische schilderij van een Turks huis in 1873 (John Frederick Lewis)
İstanbul 4228.jpg
De Ortaköy-moskee is een voorbeeld van Ottomaanse Barokke architectuur

De overheersing van de Balkan en een deel van de rest van Oost-Europa vormt een belangrijk hoofdstuk in de Europese geschiedenis. Rond 1345 staken zij bij de Dardanellen over naar Europa. Langzaam maar zeker rukten de Ottomanen verder in Europa op. Onder sultan Murat I veroverden zij gebieden in Bulgarije en Servië, waarmee ze een sterke aanwezigheid in Europa kregen. Sofia werd in 1385 veroverd, Thessaloniki in 1387, later werd ook Albanië veroverd. In de 15e eeuw werden meer gebieden, onder andere in Servië veroverd. In 1453 viel de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel. Dit werd de nieuwe hoofdstad van het Ottomaanse Rijk werd. Sultan Mehmet II maakte uitdrukkelijk aanspraak op de titel van Kayser-i Rum caesar en zag Rome als de ultieme bekroning op zijn carrière. Hij wilde het Romeinse rijk opnieuw tot leven wekken. Zo had het Ottomaanse rijk in Italië in 1480 voor korte tijd een basis in Otranto.

Het Osmaanse Rijk was vanaf de vijftiende eeuw een onderdeel van de Middellandse Zeewereld en ook van Europa. Relaties met Europa begonnen eerst met de Italiaanse staten zoals Genua en Venetië en volgden later met de andere Europeanen. Mede door de vele oorlogen was er sprake van wederzijdse technologische, culturele en intellectuele uitwisselingen. Door de verovering van Constantinopel vluchtten velen geestelijken naar Italië. De eeuwenoude Griekse werken die zij met zich meenamen waren een belangrijke impuls voor de Italiaanse Renaissance. De Renaissance-diplomatie ontwikkelde zich mede uit de ervaringen van de Italiaanse staten met de Osmanen in de 14e, 15e en 16e eeuw. Om hun commerciële belangen te garanderen, richtten Venetië en Genua in het Osmaanse Rijk residerende ambassades op. De Venetiaanse gezanten (bailo) in Istanbul zonden periodieke verslagen (relazioni) naar de doge over de politiek, de samenleving en de intenties van de Osmaanse vorsten.[47]

Verder werden de ideeën van de 'Renaissance' en 'Europa' niet alleen gevormd op basis van een oppositie tegen andere culturen of door verovering van verre territoria of overheersing van verschillende volkeren, maar ook in relatie met het Ottomaanse Rijk dat de Europese staten niet konden controleren. Die Ottomaanse werkelijkheid - het feit dat Europa het Osmaanse rijk niet kon domineren en controleren - liet vele sporen na in o.a. de toneelstukken van Marlowe's The Jew of Malta, Shakespeare's Othello en in vele andere 'Turks geïnspireerde' werken die in de zestiende en de zeventiende eeuw werden geschreven.[48] De vele westerse diplomaten, kunstenaars (zoals Bellini) en anonieme handelaars die in het Osmaanse rijk leefden en werkten hebben ook culturele en artistieke uitwisseling en overdrachten tussen de Osmaanse en Europese werelden geïnitieerd. Bewuste patronage van kunstwerken door Italiaanse en Osmaanse sponsors weerspiegelen een complexe culturele en politieke relatie tussen de Europa van de Renaissance en het Osmaanse Rijk.[49] De Vlaamse schilder Pieter Coecke van Aelst kwam in 1533 naar Istanbul en maakte aantekeningen voor wandtapijten. Een andere Vlaamse kunstenaar, Lambert de Vos was in Istanbul van 1572 tot 1574. Hij werkte in opdracht van de Habsburgse ambassadeur Karel Rijm en produceerde een album van Osmaanse klederdracht.

Het Osmaanse Rijk was vooral fascinerend omdat het een machtige en succesvolle centrale staat had opgebouwd, precies in de periode dat de Italiaanse en andere West-Europese landen probeerden dergelijke politieke structuren op te zetten. De conclusies van politieke commentatoren zoals Machiavelli of Botero echoden de verslagen van de Venetiaanse ambassadeurs, van wie velen jarenlang in Istanbul hadden geleefd. Deze rapporten (relazioni) prezen regelmatig de 'Grote Turk' voor zijn glorie, macht, rijkdom en de wetten waarop zijn gezag rustte. De 16e-eeuwse Vlaming Ogier Ghiselin de Busbecq maakte als ambassadeur van de Habsburgse koning Ferdinand van Oostenrijk, de broer van Karel V, meerdere reizen naar het Ottomaanse Rijk. In Istanbul was hij zo onder de indruk van de meritocratische karakter en de sociale mobiliteit in het Ottomaanse Rijk:

Aanhalingsteken openen

Iedereen bezet de post die hem op grond van zijn kwaliteiten is toegewezen. Afkomst, rijkdom, populariteit of invloed speelt geen enkele rol in het benoemingsbeleid. Waar het de sultan om gaat, is verdienste, karakter, natuurlijke vaardigheid en aanleg van de kandidaat voor de betreffende post. Zij die oneerlijk zijn, lui en vadsig komen nooit in aanmerking voor een hoge regeringspost. Dat is de reden van hun succes en de dagelijkse uitbreiding van hun rijk. Dit zijn niet onze ideeën; onze methode is totaal verschillend. Bij ons is geen ruimte voor verdienste, alles hangt af van geboorte; het prestige van geboorte is de enige weg die kan leiden naar een hoge regeringspost.[50]

Aanhalingsteken sluiten

In 1683 sloegen de Ottomanen opnieuw een beleg van Wenen. Na twee maanden wanhopige strijd werd de stad op het nippertje ontzet door een coalitie onder leiding van de Poolse koning Jan III Sobieski. Het beleg van Wenen keerde de Ottomaanse opmars in Europa. De euforie was zo groot dat de samenwerking in 1684 werd geformaliseerd in een Heilige Liga, die tot aan de Vrede van Karlowitz in 1699 in de Grote Turkse Oorlog successen boekte in het terugdringen van het Ottomaanse Rijk. In die periode zagen de Russen hun kans schoon en begonnen de Russisch-Turkse Oorlog (1686-1700), die echter maar zeer gedeeltelijk succes had en voortijdig werd afgesloten met de Vrede van Constantinopel in 1700.

Kenmerken van het bestuur in het Ottomaanse Rijk[bewerken]

De Osmaanse staat bouwde in de organisatie van zijn burgerlijke, militaire en juridische instellingen voort op de eerdere Turkse en islamitische politieke cultuur, met name op de bestuurlijke ervaring en kennis die was geaccumuleerd door de staten van de Seltsjoeken, de Ilkhaniden en de Mammelukken.[51] De materiële en culturele dynamiek van de Anatolisch-Turkse samenleving in de late 13de eeuw waren voldoende ontwikkeld om de groei van de Osmaanse staat te voeden. De demografische push van de Turken naar westelijk Anatolië, op de vlucht voor de Mongoolse invallen, was een belangrijke factor in de Osmaanse staatsvorming. De Mongoolse invasies hadden niet enkel de nomaden, maar ook de stedelijke Turkse bevolkingsgroepen uit Centraal-Azië ontworteld, die zich in Anatolische steden en dorpen kwamen vestigen. De Osmanen konden dus al van bij het begin steunen op een verstedelijkte Turkse bevolking. Hoewel verschillende prinsdommen controle over al deze groepen wilden krijgen, was het emiraat van Osman het meest bevoordeeld door zijn strategische ligging.[52]

Soefis komen bijeen voor zikr

De sociale fundamenten van de Osmaanse bestuurlijke praktijken lagen in de stedelijke gildes; de akhi-organisaties in Anatolië in de dertiende en de veertiende eeuw. Deze akhis waren van oorsprong Turkse sociale en economische organisaties die waren samengevloeid met de vroeg islamitische futuwwa beweging. Futuwwa refereerde naar een canon van ethische principes voor de Soefi’s om spirituele perfectie te bereiken. De term akhi betekent in het Turkse ‘gul, edelmoedig’, en in het Arabische ‘broeder'. De akhis brachten de ambachten en de handelaars in de steden samen in gildecorporaties en een op Soefisme geïnspireerde ethische gedragscode. Ze ontleenden niet alleen hun structuur aan de Soefi-ordes, maar ook hun waarden en ethische codes, zoals integriteit, solidariteit, generositeit, moed en loyaliteit.[53] Ibn Batuta, de veertiende-eeuwse reiziger, observeerde en beschreef deze Turkse organisaties in Anatolië. Volgens Ibn Batuta waren ze samengesteld uit ‘ongetrouwde jongemannen, gedreven door de idealen van gastvrijheid en gulheid. In de afwezigheid van een politiek bestuur stonden zij in voor de handhaving van wet en orde, beschermden de zwakkeren tegen de machtigen, stelden opvang voor reizigers ter beschikking en stonden in voor andere charitatieve bezigheden.’[54] Binnen dit sociale weefsel waren de vroege Osmanen uiteraard sterk gelieerd met deze akhis in de steden. Want de akhi-organisatie, die als doel de instandhouding van de sociale en economische activiteiten had, droeg bij tot de verankering van een politieke autoriteit die dat op grotere schaal kon waarborgen.

Osman en zijn wapenbroeders waren aanvankelijk ervaren krijgers en aanvoerders die meerdere groepen van Turkse nomadische krijgers samen brachten onder hun vaandel voor veroveringen. Ook de christelijke (Byzantijnse) krijgers voegden zich in de rangen van de vroege Osmanen zonder zich te hebben bekeerd. De plaats die de Byzantijnse krijgers hadden als wapenbroeders van Osman duidt aan dat de Osmanen niet uitsluitend gedreven waren door religieus gemotiveerde oorlogvoering. Ze waren eerst en vooral de wapenbroeders en volgelingen van Osman, de Osmanlı. Voor de krijgers betekende dat roem, prestige en rijkdom. Ze gaven meer om kameraadschap, moed, eer en rechtvaardig en charismatisch leiderschap dan de religieuze identiteit van hun wapenbroeders.[55]

Sultan Mehmed II de Veroveraar overhandigt na de verovering Istanbul in 1453 aan de Grieks Orthodoxe patriarch Gennadius II zijn privileges

De veroveringen waren niet gericht op proselitisme, maar op het uitbreiden van hun invloed en het neutraliseren van hun islamitische en christelijke tegenstanders. Zo was het Osmaanse beleid van istimalet, gericht op het winnen van instemming van de bevolking in de pas veroverde gebieden. Met dit beleid van istimâlet hielden de Osmanen de wetten en tradities, de status en privileges in stand die bestonden in de periode voor de verovering. Bovendien werden de bestaande militaire groepen en clerici opgenomen in de Osmaanse bestuurlijke systeem.[56] Daarmee stonden de Osmanen een grote religieuze en culturele verscheidenheid toe; de christenen en joden kregen een plaats in de samenleving en werden niet vervolgd voor hun religie. Zo handhaafden de Grieks orthodoxe patriarch en de handelskolonie van Genua in Galata hun status en privileges na de verovering van Istanbul.[57] Zoals tijdens de eerdere moslimstaten - bv. het Seltsjoekenrijk - kregen christenen en joden een speciale status van dhimmi binnen het Osmaanse rijk. De enige economische "last" daarbij voor de niet-moslims onder Osmaanse bestuur was de betaling van een individuele belasting, de "djizya".[58] Door deze djizya-taks te betalen was de niet-moslimse bevolking vrijgesteld van militaire dienstplicht en ze kregen een zekere mate van autonomie in het regelen van eigen onderwijs, religieuze zaken, huisvesting en sociale zorg. Vele christelijke boeren in de Balkan, die gebukt gingen onder zware belastingen, koesterden ressentimenten tegen hun feodale heren en waren blij om onder Osmaans bestuur te komen. De Osmanen slaagden erin de instemming te winnen van de boerenbevolking in de veroverde gebieden via het systeem van de familieboerderij ("çift hane"), waarin de lasten veel lichter waren.[59]

De 15de-eeuwse Osmaanse historicus Ashik Pashazade vertelt dat Osman Beg er zorg voor droeg goede relaties met de christelijke buren te onderhouden. Wanneer zijn broer Gündüz Alp erop aandrong om de naburige christelijke dorpen te veroveren, verwierp Osman Beg dit voorstel: ‘als we de omringende plaatsen vernielen, dan kan onze stad Karacahisar zich niet ontwikkelen.’[60] Iets verder in deze kroniek antwoordt Osman, wanneer hem gevraagd wordt waarom hij zoveel respect en aandacht geeft aan de ‘ongelovigen’ van de stad Bilecik: ‘Omdat ze onze buren zijn. Wanneer we hier aankwamen, bevonden we ons in een moeilijke toestand en zij waren aardig tegen ons. Nu moeten we hen ook respecteren en ervoor zorgen dat ze zich goed voelen.’[61]

Tolerantie was dus al sinds de oprichtingsjaren een belangrijke legitimerende notie voor de Osmanen. De bescherming door de Osmanen van de vervolgde en onderdrukte joden in Europa was in dit opzicht opmerkelijk. Toen Orhan Gazi in 1326 Bursa veroverde, vond hij daar een joodse gemeenschap, onderdrukt door het Byzantijnse bestuur. De joden verwelkomden de Osmanen als redders en Orhan Gazi gaf hen toestemming om er een synagoge te bouwen.[62] In 1394 verleende Sultan Yildirim Bayezid I asiel aan de Franse joden, die vervolgd werden door koning Karel VI van Frankrijk. In 1465 verzond de hoofdrabbijn van Istanbul, Isaac Sarfati brieven aan de joodse gemeenschappen in Europa en ‘nodigde zijn geloofsgenoten uit om de kwellingen die ze ondergingen onder het Christendom te ontvluchten en om in İstanbul veiligheid en voorspoed op te zoeken.’[63] Het meest opmerkelijke verhaal is de evacuatie van de verdreven joden uit Spanje in 1492 door de Osmaanse vloot op bevel van sultan Bayezid II.[64]

Behalve pragmatische overwegingen was de Osmaanse inclusieve houding gebaseerd op twee culturele elementen. Volgens het verzoenende islamitische principe is de keuze van het geloof een persoonlijke voorkeur en kan er geen sprake zijn van dwang. Verder werden christenen en joden beschouwd als ‘volkeren van het Boek’ (ehli kitap), met wie de moslims gemeenschappelijke religieuze tradities delen. De 16de-eeuwse Osmaanse historicus en intellectueel Mustafa Ali adviseerde dat een staat zorg moest dragen voor twee ‘schatkisten’. Het ene zijn de financiën – zilver en goud – en het andere is zijn bevolking. De tweede was voor Ali belangrijker, wiens instemming en loyaliteit gewonnen moet worden via rechtvaardigheid. Want als de bevolking verwaarloosd is, zal de financiële aspect onvermijdelijk overgaan naar een andere staat.[65]

Mausoleum van Ahmed Yasawi

De tweede element die aan de basis van de Osmaanse tolerantie lag, was de symbiose van de nomadische steppe en islamitische tradities. De Centraal-Aziatische Turken omarmden de Islam via de mystieke interpretatie verkondigd door de Perzische soefi's uit Khorasan.[66] Geleidelijk ontwikkelden de nomadische Turken hun eigen mystieke interpretatie van de Islam of tasawwoef, waarin oude steppetradities zoals het Boeddhisme, het sjamanisme, het Manicheïsme en het idee van ‘messianisme’ nog voortleefden.[67] De Turkse filosoof Hoca Ahmed Yasawi of Hazreti Türkistanî was de belangrijkste denker en dichter die de Turkse tasawwoef uitdacht en onderwees aan zijn discipelen. Deze mystieke Turkse traditie was een syncretische interpretatie van de Islam die niet gekenmerkt werd door geschreven en hoogontwikkelde theologische en canonieke principes. Ze was aanvankelijk aangepast aan het nomadische leven onder de zware natuurlijke omstandigheden van de steppe. Het Turkse soefisme was inclusief en non-conformistisch en stond open voor de tradities uit de regio’s waar de Turken aankwamen. De Turkse soefi-derwisjen, die het Osmaanse leger begeleidden, integreerden tradities en rituelen van de lokale bevolking in Anatolië en de Balkan. Het inclusieve karakter van de Turkse soefis vergemakkelijkte dus niet alleen de bekering van de niet-islamitische bevolking, maar ook een snelle Osmaanse expansie.[9]

Vanaf de 15de eeuw werd de Osmaanse soevereiniteit en staatsideologie vooral gestoeld op rechtvaardigheid en rechtvaardig bestuur. Osmaanse bureaucraten omschreven rechtvaardigheid als bescherming van de bevolking tegen machtsmisbruik. Ze beklemtoonden dat de effectieve uitwerking van rechtvaardig bestuur uiteindelijk belangrijker en duurzamer is dan de legitimiteit erfelijke opvolgingsrecht. De kandidaat voor koningschap gekwalificeerd door zijn afstamming is niet noodzakelijk ook de beste vorst; ware koningschap en legitieme soevereiniteit worden bewezen met rechtvaardig handelen. Verwijzend naar de politieke sofisticatie van de Turks-Mongoolse bestuurlijke tradities, suggereerden de Osmaanse schrijvers dat een sultan en zijn wetten aanvaard worden zolang hij ook rechtvaardigheid en goed bestuur kan waarborgen. Het evenwicht tussen de dynastieke (kanun) en islamitische wetten (sharia) kon volgens deze politieke theorie enkel bewaard worden door een sterke, centrale autoriteit, in de persoon van de sultan. Omdat de kanun opgesteld was door menselijke ratio en dus veranderbaar was, had ze een grotere relevantie voor de Osmaanse staat dan de goddelijke wetgeving. Samen drukten ze de Osmaanse politieke theorie van universele rechtvaardigheid uit.[68] Rechtvaardigheid (adalet) en naleving van de wet (kanun) groeiden in de vroeg moderne periode uit tot sleutelbegrippen in de Osmaanse politieke theorie. Deze ideeën waren geen uniek Osmaanse concepten maar een onderdeel van de globale tendensen. Het succes van de Osmaanse staat had dus meer te danken aan een efficiënte uitwerking en promotie van hun ideologie van rechtvaardig bestuur.

De reden voor deze nadruk op rechtvaardig bestuur was het feit dat de Osmanen op een zwakke basis steunden voor hun legitimiteit. Noch religie, noch genealogie waren voldoende om de aanspraak van de Osmanen op soevereiniteit te rechtvaardigen. Zo was de kalief van Bagdad, die de Osmaanse aanspraak op soevereiniteit kon rechtvaardigen, op dat moment overleden. De Osmanen waren ook geen afstammelingen van een imperiale dynastie zoals die van Dzjengis Khan, die hun aanspraken op staatsmacht had kunnen legitimeren. Wat de Osmaanse dynastie miste qua imperiale afstamming, werd gecompenseerd via de actieve promotie van een politieke traditie gebaseerd op rechtvaardig bestuur en met het gazi-motief. De Osmaanse toewijding aan rechtvaardigheid werd daarom zo expliciet mogelijk benadrukt.

De sultan had absolute macht. Het rijk was islamitisch en werd wel gezien als voortzetting van eerdere, Arabische kalifaten, zodat ook de sultan wel werd beschouwd als kalief. De opvolging van sultans ging oorspronkelijk van vader op zoon, maar kon later ook van broer op broer of anders plaatsvinden. Dit veroorzaakte regelmatig dodelijke rivaliteit tussen potentiële opvolgers. De gebieden in, en ook vele rondom, het Ottomaanse Rijk betaalden schatting aan de sultan.

Het rijk was vanaf 1864 onderverdeeld in vilajets (provincies) en deze in het algemeen weer in sandjaks.

Instellingen en maatschappij in de 'klassieke' periode[bewerken]

Battle of Lepanto 1571.jpg
Salimiye's beauty and grandeur.jpg
De Selimiye-moskee van Sinan, het meesterwerk van de Ottomaanse architectuur
Levni 16 Young Woman, Sleeping Beauty.jpg
Ottomaanse miniatuur van Levni in de 18e eeuw
Mehterhane.jpg
Mehterân, een militair muziekgezelschap, begin 19e eeuw

De Ottomaanse centrale bureaucratie was een heersende klasse die de belangen wist te verzoenen van de verschillende groepen in de samenleving. Enerzijds waren er de islamitische voorschriften belichaamd door şeriat. Deze gaven de organisatiestructuren en de normen van het sociale leven aan. Het familierecht, de contract- en eigendomskwesties vielen daaronder. Het stedelijke leven was georganiseerd rond de vakifs, de ambachtsgilden en de mystieke soefi ordes of de tariqats.

Anderzijds waren er de ordonnanties van de sultan, de kanun. Het basisprincipe was dat de vorst verantwoordelijk was voor het welzijn van zijn onderdanen. Zo reguleerden de kanuns de relaties tussen de regerende klasse en de andere groepen in de samenleving. Publiek recht en strafrecht waren gebaseerd op deze vorstelijke ordonnanties. Zo bestond het juridische kader dat het gebruik van landbouwgrond reguleerde uit islamitische voorschriften en die van de staat. De sharia waarborgde het beschikkingsrecht van de boeren op de landbouwgrond en de kanun reguleerde de staatscontrole op de landbouwgronden. De instemming aan de regerende macht werd bemiddeld door o.a. de tariqats (soefi orden), gilden en medreses (hoge scholen).

Enerzijds was er de regerende elite, die geen belastingen betaalde en wel wapens mocht dragen. Anderzijds was er de massa van de bevolking, de reaya (letterlijk ‘beschermde kudde’): nomaden, handelaars, ambachtslieden en boeren, die produceerden en belastingen betaalden aan de centrale staat. De regerende elite, of de Osmanen, bestond uit alle dienaren van de sultan: askerîye, de militaire en administratieve klasse die ook een groot aantal bestuursfuncties had; ilmiye, de relatief autonome groep van religieuze geleerden die belast waren met onderwijs en met rechtspraak; mülkiye, de functionarissen van het bestuursapparaat; en kalemiye, de klerken en scribenten van het bestuursapparaat. De laatste twee groepen waren ook belast met het financiële bestuur van het rijk. De centrale bureaucratie die ontheven was van de productieactiviteiten, stond als vertegenwoordiger van de sultan in voor het inzamelen van de belastingen en stond in voor de reproductie van de sociale structuren.

De Osmaanse staat heeft nooit een beleid gevoerd om het Turks op te leggen aan de onderworpen volkeren. Zelfs degenen van de veroverde volkeren die zich tot de islam bekeerden behielden hun oorspronkelijk taal. De bekeerlingen in Bosnië bleven het Servo-Kroatisch spreken. De Grieken in Anatolië en de Balkan bleven het Grieks gebruiken. De Grieken in Cappadocië (Karaman) spraken Turks en schreven Turks met Griekse alfabet. De meerderheid van de Armeniërs in het rijk namen het Turks op als moedertaal en schreven Turks met Armeense alfabet.

De etnische achtergrond van de leden van de Ottomaanse bestuurselite was niet uitsluitend Turks. Doordat de identiteit van de Ottomaanse elite cultureel bepaald was, stond zij open voor nieuwkomers (in vergelijking met de Europese adel) en vormde ze een sterk integrerende kracht, waarin verschillende etnische groepen bijeen waren. De elite oefende niet alleen de macht uit, ze hield ook een klassieke beschaving in stand die op twee dingen was gebaseerd. Enerzijds de kennis van de klassieke geschriften – ilim; anderzijds een wereldse gedragscode, levensstijl – adab. Kennis van beiden was belangrijk om sociaal op te klimmen. De sociale mobiliteit tussen reaya en askerî was ook afhankelijk van de mate waarin iemand zich kon aansluiten bij het patroon van het uitgebreide huishouden van de sultan en bij de traditie van de regerende elite.

Economie en samenleving[bewerken]

De Osmanen hadden een andere visie op welvaart. De Ottomaanse economie kan omschreven als een economie die streeft naar ‘overvloed’ en ‘welzijn’ via inperkende regulatie. Een aspect van deze regulering was de handhaving van de marktprijzen op een laag niveau. De Ottomaanse staat trad verder op als een centrale economische onderneming, die gedurende het grootste deel van haar bestaan gebaseerd was op een systeem van landbouwproductie dat de opkomst van privé-eigendom belemmerde. De staat was de overkoepelende structuur die samenleving en economie op elkaar afstemde: hij organiseerde de handel en de markten en controleerde de productie. De Ottomaanse staat wilde de rurale landbouweconomie, zijn bron van inkomsten, in stand houden.

Landbouw en stedelijke ambachten waren de belangrijkste economische activiteiten. In de meer vruchtbare en welvarende gebieden van het rijk waren de kleine boerderijen de regel. Officieel was het grootste deel van de landbouwgrond eigendom van de staat (mirî) en een kleiner deel had de juridische status van waqf. De opbrengsten van de meeste waqf-landerijen werden gebruikt voor het onderhouden van de sociale voorzieningen: moskeeën, ziekenhuizen, scholen, bibliotheken, bruggen en fonteinen.

De legitimiteit van de Ottomaanse autoriteit was afhankelijk van het voortbestaan van een onafhankelijke boerenstand die onbetwiste beschikkingsrechten had op landbouwgronden van de staat (miri). Dit betekent dat de boeren niet gebukt gingen onder een grootgrondbezitter die hen aan allerlei lasten en 'heerlijke rechten' onderwierp. Het juridisch kader gaf de staat het recht om weelderig vergaarde individuele fortuinen te confisqueren. Het doel was de onafhankelijke boerenstand te beschermen tegen uitbuiting en de opkomst van rivaliserende machtsgroepen te verhinderen. In tegenstelling tot het feodale Europa was er dus geen sprake van privé-eigendom of van lijfeigenschap van de boeren.

Ook de stedelijke ambachten waren georganiseerd in een gilde-systeem, waarin de ambachtelijke productie onder controle van de staat stond. De prijzen van levensmiddelen en grondstoffen werden door de centrale overheid gecontroleerd, met de bedoeling om een geïntegreerde economie te creëren die in de behoeften van de steden kon voorzien.

Na de uitbreidingen in de 16e eeuw, nam ook het belang van de lange afstandshandel en de controle op de handelswegen toe. De lange afstandshandel van het Ottomaanse Rijk was voornamelijk een handel in luxeartikelen, zoals de zijde-handel in Bursa met Florence en Venetië. Maar deze buitenlandse handel was qua waarde van minder belang aan de binnenlandse handel, waarbij de hoofdstad İstanbul met een bevolking van meer dan 500.000 in de 16e eeuw en 750.000 in de 17e eeuw een belangrijke economische rol speelde. Tarwe, rijst, suiker en kruiden kwamen van Egypte; vee, graan, voedingswaren, honing, dierenvellen uit Thessaloniki en Macedonië; olie, wijn en andere Middellandse producten uit Morea en Egeïsche eilanden.

Er was ook een verschil tussen het invoer- en het uitvoerbeleid van de Ottomaanse staat. Invoer werd gestimuleerd omdat die het aanbod op de binnenlandse markten deed toenemen. Uitvoer werd toegelaten, maar pas als de binnenlandse vraag was bezadigd. Indien op de binnenlandse markten tekorten de kop opstaken, verbood de staat de uitvoer van voedingsmiddelen en van grondstoffen om de bevoorrading van de stedelijke bevolking niet in het gedrang te brengen.

Zijden kleren, katoenen goederen en mohair waren de belangrijkste Ottomaanse exportproducten naar Europa, totdat de Europese industrieën in 18e en 19e eeuw deze producten zelf begonnen te produceren en de Osmanen van de wereldmarkt verdrongen. De Ottomaanse regering bemoeide zich niet met de export van luxegoederen, omdat die geproduceerd werden door een privé-sector met winstbejag als doel. Enkel in de handel van essentiële goederen greep ze in.

De Osmanen voerden geen beleid zoals mercantilisme om de eigen economie in haar geheel af te schermen. Invoer van zilver en goud werd gestimuleerd om het aanbod op de markten te garanderen. Vanuit deze ingesteldheid beschouwden de Osmanen de capitulaties of de handelsvoorrechten aan buitenlanders dan ook als voordelig en verleende ze al te graag aan de Europese mercantilistische staten.

Daarentegen beschermde de 16e- en 17e-eeuwse mercantilistische politiek in Europa de opkomende bourgeoisie, tegen die van de concurrerende staten. De uitbreiding van de afzetmarkten voor de Europese producten, de beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten, de goedkope invoer van grondstoffen en de toenemende concurrentie tussen de bourgeoisie, leidden een nieuwe tijdperk in.

Het Ottomaanse Rijk en de Arabische wereld[bewerken]

Een groot deel van de Arabische wereld werd veroverd door de Ottomanen: zij hingen zoals hun voorgangers de Seltsjoeken de islam aan, en gebruikten het Arabisch alfabet voor het Turks. De twee heilige steden van de islam, Mekka en Medina, werden onderdeel van het rijk. De steden werden door plaatselijke hasjemitische sjarifs bestuurd, maar vielen binnen het Ottomaanse Rijk bestuurlijk onder Damascus. Het was dan ook de taak van de gouverneur van Damascus om de jaarlijkse bedevaart naar Mekka in goede banen te leiden (de stad zelf was daar veel te arm voor). De gouverneurs van Caïro droegen verantwoordelijkheid voor pelgrimstochten vanuit Afrika tot het moment waarop deze Mekka of Medina bereikten.

Het bereik van de macht van de Ottomanen op het Arabisch Schiereiland was echter nogal beperkt. Ze beheersten slechts de kusten waarbij hun controle naar het zuiden steeds verder afnam. Feitelijk kwam het neer op een reeks geïsoleerde Ottomaanse garnizoenen in steden, oases en forten, of stammen die nominaal de Ottomaanse suzereiniteit erkenden. In het zuiden werd Jemen praktisch onafhankelijk onder een imam, en in Oman, Hadramaut en aan de zuidoever van de Perzische Golf hadden de Ottomanen feitelijk niets te vertellen. Het centrale gebied van het schiereiland, de Nadjd, werd ook ongemoeid gelaten, hoewel de Ottomanen later wel stammen steunden die daar streden tegen het wahabitische Huis van Saoed.

Transformatie en hervorming (1699–1822)[bewerken]

Recente studies benadrukken dat de Osmaanse instellingen in de 17e en 18e eeuw eerder een proces van transformatie ondergingen dan verval en decadentie zoals de traditionele geschiedschrijving opvoerde. In deze periode toonde de Osmaanse economie, samenleving en politiek een opmerkelijke flexibiliteit aan die zijn instellingen duurzaam wist te behouden.[69] De Osmanen onderhielden een dynamische relatie met de provincies in de Balkan en het Midden-Oosten, in de overgang naar een modern fiscale systeem. Dit ging gepaard met aanhoudende onderhandelingen, aanpassingen en nieuwe omschrijving van de relatie tussen het centraal bestuur en de provincies. De imperiale bestuur was dus heel complex en de kenmerken van het Osmaanse 'oude-regime' liet ruimte toe om de instellingen in nieuwe contexten opnieuw te formuleren.[70]

Illustratie van de Osmaanse omsingeling van het Russische leger in de Slag bij Prut in 1711, door William Hogaert

De positie op het kruispunt tussen het Aziatische, Europese en Afrikaanse continent gaf de Osmaanse staat een belangrijke rol in de wereldgeschiedenis. Deze geopolitieke rol was na 1683 niet verdwenen, hoewel het niet lukte de Ottomaanse territoriale integriteit te bewaren. De Russische tsaren, tot dan in de verdediging, begonnen vanaf de tijd van Peter de Grote offensieve oorlogen tegen de Osmanen om Rusland tot de (ijsvrije) Middellandse Zee te kunnen uitbreiden. De Osmanen raakten betrokken in een reeks van oorlogen met Rusland toen koning Karel XII van Zweden nadat hij verslagen was door Peter de Grote in de Slag bij Poltava (1709), zijn toevlucht nam bij sultan Ahmed III. Een oorlog met Rusland brak uit toen Rusland de Osmaanse territoria binnenviel in de achtervolging van de Zweedse koning. De Russen leden een grote nederlaag in de Slag van Prut in 1711 tegen het Osmaanse leger. Het recent gemoderniseerde Russische leger van Peter de Grote was volledig omringd door Osmaanse troepen. De Zweedse koning Karel XII drong aan om het Russische leger te vernietigen. Maar de grootvizier Baltacı Mehmed Pasha, die geen vertrouwen had in de strijdkwaliteit van de Janitsaren en die de loyaliteit van de Krim Tataren wantrouwde, aanvaardde het wapenstilstandsvoorstel van de Russen.[71]

Achteraf bleek dit een strategische fout van de Osmaanse opperbevelhebber Baltaci Mehmed Pasha. Peter de Grote voerde zelf het Russische leger aan; indien Baltacı Mehmed het voorstel van Peter voor wapenstilstand niet had aanvaard, hem had achtervolgd en gevangen genomen, zou dit de loop van de geschiedenis veranderd hebben. Zonder Peter zou Rusland nauwelijks of althans met veel vertraging een grootmacht zijn geworden en zou een opkomende aartsvijand van de Osmanen in de Balkan, het Zwarte Zeegebied en de Kaukasus afgewimpeld zijn.

In 1715 slaagden de Osmanen erin om de hele Morea (Peloponnesos) te heroveren op Venetië door een gecoördineerde actie van het leger en de Osmaanse vloot. Gealarmeerd door Osmaanse successen verklaarden de Habsburgers in 1716 oorlog aan de Osmanen en brachten een nederlaag toe aan het Ottomaanse leger bij Petervaradin. Aanvankelijk stootten de Janitsaren door de Oostenrijkse linies, maar na het bericht dat de Osmaanse bevelhebber, grootvizier Ali Pasha was omgekomen, trokken zij zich terug naar Belgrado. In 1717 viel Belgrado vervolgens in Oostenrijkse handen. Overtuigd van de zwakke performantie van de Janitsaren besloot de Osmaanse regering om de oorlog te beëindigen en sloten het Verdrag van Passarowitz in 1718. Dit luidde ook de zogenaamde 'Tulpen periode' in.

Portret van de rebellenleider Patrona Halil door Jean-Baptiste van Mour

De moderne Turkse geschiedschrijving - beïnvloed door eurocentrische paradigma's - beschreef dit als een tijdperk van frivoliteit en extravagante decadentie om de bevolking af te leiden van het verval van staatsmacht. In tegenstelling tot de negatieve connotaties ontstond er echter een beweging van Osmaanse culturele renaissance, met nieuwe stromingen in neoklassieke stijl in de kunsten. Onder de patronage van sultan Ahmed III en hofkringen ontstond een hernieuwde belangstelling voor de klassieke islamitische cultuur. Ahmed III, die zelf dichter en kalligraaf was, richtte vijf bibliotheken op (o.a.de Sultan Ahmed Bibliotheek in het Topkapi-paleis). Hij verbood de export van zeldzame manuscripten en stichtte een bureau voor de vertaling van Arabische en Perzische meesterwerken, die gedrukt en gepubliceerd werden door de eerste Turkse drukkerij in Istanbul, opgericht door Ibrahim Müteferrika in 1727.

Maar het nepotisme en de fiscale maatregelen van grootvizier Ibrahim Pasha, evenals de nederlagen in het oosten tegen het Safawidische Iran en de ongunstige de Osmaans-Russische verdrag in 1724 - werden aangegrepen voor een grote opstand, de befaamde Rebellie van Patrona Halil.

Gedurende de 18e eeuw wist het rijk zich nog goed staande te houden maar langzaam verloor het rijk toch het initiatief aan de opkomende Europese machten. De verwoestende Russisch-Osmaanse oorlog van 1768-1774 ging gepaard met de voortdurende dreiging van Russische militaire ambities. Het Verdrag van Küçük Kaynarca, ondertekend met Rusland in 1774, eindigde de oorlog maar hield rampzalige gevolgen in voor de Osmanen. Dit verdrag verklaarde de Krim, voorheen een Osmaanse vazalstaat die als bufferzone het Osmaanse Rijk had beschermde tegen Russische expansie, tot een onafhankelijke staat. De Russische dreiging zette zich verder met de gestage opmars in de Krim.

In de vorige eeuwen was het Osmaanse buitenlandse beleid gekenmerkt door isolationisme. Op het einde van de 18de eeuw was dit niet meer houdbaar vis-à-vis de bedreigingen van de opkomende Europese mogendheden. Om oorlogen met Europa te voorkomen begon de Osmaanse staat actief deel te nemen in de Europese diplomatieke arena. Om zijn nieuwe strategie uit te voeren creëerde de staat voor het eerst permanente ambassades in Europa. Dit om meer informatie in te winnen over de Europese machten, over hun binnenlandse politiek, hun politieke agenda's en onderlinge conflicten. De agressieve Russische opmars maakte duidelijk dat het bondgenootschappen moest sluiten met bijvoorbeeld Engeland.

De opeenvolgende nederlagen maakten militaire hervormingen noodzakelijk. Sultan Selim III kwam in 1789 aan de macht en voerde een reeks hervormingen door die bekend staan als de Nizam-i Cedid of de Nieuwe Orde. Hij wilde de Osmaanse bestuurlijke en militaire structuren hervormen naar westerse model. Zijn initiatief zou op lange termijn de politieke, sociale en economische structuren grondig beïnvloeden. Selim III nodigde Franse officieren uit om te dienen als adviseurs voor het Osmaanse leger en richtte hogescholen op om er de Europese militaire kennis te onderwijzen. Het Osmaanse Rijk was ondertussen verwikkeld in oorlogen met zowel Rusland en het Habsburgse Oostenrijk. De ingrijpende veranderingen in het Europese continent na de Franse Revolutie in 1789 maakte voor de Osmanen mogelijk om met de Oostenrijkers een gunstige verdrag in 1791 te sluiten. De Osmaanse staat sloot verder allianties met Zweden in 1789 en met Pruisen in 1790 tegen Rusland.

De Osmaanse soevereiniteit in het Arabische schiereiland werd dan tijdens de eeuwwisseling uitgedaagd door een lokale opstand van de Wahhabis. De Wahhabis baseerden hun theologie op de leer van de controversiële 14de-eeuwse Syrische geleerde Ibn Taymiyyah. De Wahhabis gingen prat op ostentatieve vertoon van religiepraktijk en volgden een puriteinse en letterlijke interpretatie van de koran en de uitspraken van de Profeet Mohammed; ze pleitten voor hun strikte toepassing. Op basis daarvan verwierpen de Wahhabis de meer tolerante soennisme die uitgedragen werd door de Ottomaanse staat als 'polytheïstische innovatie'. Ze veroordeelden verder de Osmaanse tradities zoals de bouw van graftombes en heiligdommen of de decoratie van de heilige gebouwen in Mekka en Medina. De Wahhabis verwierpen ook alle vormen van muziek en zagen de kunsten als niet-islamitisch. Bijgevolg beschouwden zij de Osmaanse hoge cultuur als de ergste vorm van 'afgoderij'.

In 1798 leidde de Saoedische clan een rebellie tegen de Osmanen en plunderden de dorpen in Hijaz en Irak. Ze werden verslagen door de Osmaanse troepen. In 1801 bezette echter Abd al-Aziz van de Saoedische clan de stad Mekka. Hij verkreeg de steun van de lokale stammen en met hun hulp vernietigden zij talrijke graftombes opgericht door de Osmanen. Geleidelijk begonnen zij ook de pelgrimage vanuit de Osmaanse landen te blokkeren en verboden dat de vrijdagpreken in naam van de Osmaanse sultan werden gehouden. Zij poogden zo de meest uitgesproken uitdrukking van het Osmaanse gezag te ondermijnen.[72] De Wahhabis werden definitief verslagen in 1818 door de Osmaanse gouverneur van Egypte, Mehmed Ali Pasha, die er een leger zond onder leiding van zijn zonen İsmail en Tosun Pasha.

In 1798 schokte Napoleon de islamitische wereld door Egypte, een Osmaanse provincie, binnen te vallen. Daarop sloot Selim III een alliantie met het Habsburgse Oostenrijk en met Engeland en Rusland. Vooral Engeland aasde op deze opportuniteit. Het wilde al enige tijd vaste grond in de Middellandse Zeegebied krijgen om zijn route naar Indië te beveiligen. En met het graven van het Suezkanaal werd Egypte ook steeds belangrijker voor de Britse belangen. Zonder een sterke vloot kon Frankrijk zijn positie in Egypte niet behouden. Het kortstondige Franse avontuur in Egypte diende uiteindelijk de Britse belangen; Engeland ontdeed zich niet alleen van Napoleon, maar verwierf tevens de controle over Malta waarmee het een tweede uitvalsbasis, na Gibraltar, kreeg om de Middellandse Zee te controleren. Na drie jaar Franse bezetting kwam Egypte opnieuw onder Osmaanse bestuur. Muhammed Ali Pasha werd aangesteld als de nieuwe gouverneur van Egypte, maar zou later zijn eigen machtsbasis ontwikkelen en een semi-autonome bestuur instellen.

Na de achtereenvolgende Franse overwinningen in Europa, vooral de nederlaag van Oostenrijk in de Slag bij Austerlitz in 1805, volgde de Osmaanse staat een pro-Franse koers. Hoewel Selim III de alliantie met Rusland in 1805 hernieuwde, erkende hij tegelijk ook Napoleon Bonaparte als de keizer van Frankrijk in 1806. De Osmanen weigerden om de Russische eisen te aanvaarden en de Franse ambassadeur uit Istanbul te verdrijven, wat resulteerde in een korte oorlog met Groot-Brittannië en leidde in 1806-1812 tot de Russisch-Osmaanse Oorlog.

Europese machten als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk en Rusland eisten en kregen meer en meer concessies: de zogenaamde capitulaties, die officieel dienden om de christenen te beschermen, maar feitelijk de buitenlandse invloed deden toenemen. Buitenlandse handelaren konden feitelijk buiten de wet opereren en de gevolgen van toenemende Osmaanse integratie in het kapitalisme verslechterde de socio-economische verhoudingen.

Er deed zich een afbrokkeling van het centrale bestuur ten gunste van de lokale notabelen (pasja's, beis, de Egyptische kedive, de Tunesische deys) die steeds meer macht naar zich toetrokken. Bovendien bleef het rijk in technologisch opzicht achter bij Europa, met alle economische en militaire gevolgen van dien. De Janitsaren, eens speerpunt van de macht van de dynastie, kregen allerlei persoonlijke privileges en begonnen te delen in de rijkdom en macht. In de loop der tijd nam hierdoor hun efficiëntie meer en meer af.

het Osmaanse rijk en het kapitalisme[bewerken]

De Osmaanse economie was gedurende de klassieke periode hoofdzakelijk gebaseerd op landbouw en stedelijke ambachten. De landbouwgrond was officieel eigendom van de staat, waarover de boer onbeperkte beschikkingrecht had en niet kon onteigend worden.[73] (voor meer uitleg zie: 'economie en samenleving' hierboven)

In de 17e eeuw drong het Europese kapitalisme geleidelijk de Osmaanse productie binnen, wat de Osmaanse handelsstructuur veranderde. Steeds meer goedkope grondstoffen werden uitgevoerd in ruil voor afgewerkte producten. Tegelijk had het gebruik van de nieuwe handelsroute met Azië via de westkust van Afrika, het belang van de Mediterrane handelsroute verminderd. Maar van een totale inlijving was nog geen sprake. De katoen- en wolnijverheid in de Balkan, de zijde-industrie in Bursa en de mohair-industrie in Ankara waren in de 18de eeuw nog bloeiende en sterke sectoren.[74]

Op het land begonnen de lokale notabelen of de ayans rechten te verkrijgen op belastingpacht en bouwden eigen lokale politieke machtsbasissen op. Dit was een gevolg van de decentralisatie van staatsmacht, het verlaten van de gronden door de boeren en geleidelijke toe-eigening van de gronden door de lokale belastingpachters. Dit deed zich vooral voor in de welvarende provincies in West-Anatolië en in Balkan.[75] Begin de 18e eeuw verloor de centrale regering haar controle over de landbouwproductie. De boeren verloren hun bezitsrecht op grond en gingen steeds meer gebukt onder de zware arbeidslasten en belastingdruk die de pachters hen oplegden. De kleine boerenstand kwijnde weg, terwijl de machtige belastingpachters grote winsten opstreken.[76]

Voor de inlijving in het kapitalisme, was het Osmaanse rijk in belangrijke mate zelfvoorzienend. Maar in de tweede helft van de 18e eeuw was de centrale regering verzwakt en afhankelijk geworden van de lokale notabelen (ayan) voor troepenleveringen, ordehandhaving en belastinginning. Met grote tegenzin aanvaardde de Osmaanse regering deze nieuwe groepen als tussenpersonen (zoals bv. Mehmed Ali Pasha in Egypte). Op termijn verzwakte dit de bestuurlijke toezicht op de provincies en op de productieprocessen. Dit waren de belangrijke interne factoren die de politieke en economische verhoudingen diepgaand beïnvloedden.

De incorporatie in het kapitalistische wereld-systeem, 1750-1850[bewerken]

De politieke ontwikkelingen in deze periode zijn onafscheidelijk verbonden met de economische en sociale verschuivingen, met name hoe het Osmaanse rijk ingelijfd werd in het kapitalistische wereld-systeem.[77]

De prille Europese industrialisering en de groeiende bevolking van West-Europa zorgden voor een toenemende vraag naar grondstoffen en afzetmarkten voor Europese fabrikaten. De Osmaanse katoenuitvoer naar Engeland en Frankrijk steeg spectaculair in 1786-1789.[78] De handel verschoof van de Osmaanse binnenland naar de kuststeden en de positie van de moslim handelaars werd uitgehold, terwijl de christelijke Osmaanse handelaars grotere winsten boekten. Na 1750 werden de steden Thessaloniki, Izmir en Aleppo de belangrijkste steden voor de uitvoer van grondstoffen naar Europa. De Osmaanse ambachten kregen hierdoor zware slagen toe en kwamen dit pas na 1830 te boven.[79]

De internationale chaos die volgde op de Franse revolutie schiep kansen voor de Osmaanse christelijke handelaars. De Griekse schippers en handelaars in de Egeïsche kust werden de belangrijkste vervoerders van smokkelhandel. Griekse en Armeense Osmaanse handelaars vestigden netwerken in commerciële centra in Europa waar Osmaanse goederen werden verhandeld: Londen, Parijs, Wenen, Marseille, Livorno en Odessa. De christelijke Osmaanse kooplieden en bankiers profiteerden het meest van deze ontwikkelingen.[80] In de loop van de 19e eeuw kregen ze ook de status van onderdanen van de Europese staten en groeiden uit tot tussenpersonen, ten koste van de moslim handelaars.

De buitenlandse investeringen in het Osmaanse rijk volgden het globale patroon van het industrieel kapitalisme en had directe controle en beheer van de Osmaanse bedrijven, zoals spoorwegaanleg, banken, water-, gas- en elektriciteitsbedrijven. Verder werd er ook geleend aan de Osmaanse staat, waarbij de Osmaanse obligaties op de Europese beurzen werden verkocht. Dit was het begin van een proces dat al snel een molensteen om de nek van de Osmaanse economie werd. De leningen gaven de Europese schuldeisers vergaande economische en politieke privileges. De voorwaarden waren bovendien heel ongunstig opgesteld met hoge rente. Rond 1850 betaalde de Osmaanse staat voor iedere 100 pond die ze kreeg, nog afgezien van de rente, bijna 200 pond terug.[81] De regering slaagde er niet in om belastingen efficiënt te innen.

Door de financiële moeilijkheden sloot de Osmaanse regering in 1838 een vrijhandelsverdrag met Engeland, het Verdrag van Balta Limani. Dit verdrag stipuleerde dat alle staatsmonopolies werden afgeschaft. De Britten konden voortaan tegen zeer lage invoertaksen industrieproducten importeren en Osmaanse grondstoffen uitvoeren. De concurrentie van Britse fabrikaten trof vooral de Osmaanse ambachten. Dit leidde tot werkloosheid in de steden en tot tekorten op de handelsbalans door de stijging van invoer. De Osmaanse economie was volledig opengesteld voor de Europese industrie en de Osmaanse staat verloor aanzienlijk haar onafhankelijkheid inzake buitenlandse handelsbeleid. In 1840 werd een gelijkaardige vrijhandelsverdrag afgesloten met België.[82] De economische verschuivingen in het Osmaanse rijk, die al een tijd bezig waren, werden via deze verdragen enkel bevestigd en in een juridisch kader gegoten. Ze waren een gevolg van de Osmaanse incorporatie in het Europese kapitalisme.

Een veel ingrijpender breekpunt in de transformatie van de Osmaanse economie was echter de afschaffing van de Janitsaren-korps door sultan Mahmud II in 1826 (zie hieronder). De eliminatie van de Janitsaren had als doel de opbouw van een modern leger naar Europese voorbeeld. Dit was ook het begin de zogenaamde Tanzimat-hervormingen, die de enthousiaste steun van Europa genoot. Het transformatieproces in economie, bestuur en buitenlandse beleid waren in belangrijke mate het gevolg van de incorporatie in het kapitalistische wereld-systeem. Een nieuwe klasse van bureaucraten was ontstaan die de integratie met het Europese kapitalisme bevorderden. Er was echter een kloof tussen de belangen van deze klasse en die van de andere sociale groepen. De nieuwe centrale bureaucratie wilde niet langer steunen op de klassieke Osmaanse waarden. Ze lanceerden in 1839 een intentieverklaring, de zgn. Gülhane-decreet, die de verwestersing in gang heeft gezet. Dit decreet was eigenlijk de erkenning en ratificatie van de nieuwe afhankelijke en perifere positie van het Osmaanse rijk in het Europese kapitalisme.

De Tanzimat-periode die daarop volgde, was bedoeld om de steun van de Europese mogendheden te krijgen. Maar ze waren evenzeer het resultaat van bureaucraten met een naïeve en dweperige houding tegenover de Europese opkomst. Het is ook in deze periode dat de tegenstelling en dualiteit tussen 'progressief - reactionair', 'traditioneel - modern' wortel heeft geschoten. De hervormingen genoten geen maatschappelijke draagkracht, ze werden opgelegd. Maar ze hielden nationalistische afscheidingsbewegingen niet tegen. De islamitische bevolking van het rijk die van de nieuwe welvaart en van de beloftes van modernisering werden uitgesloten, stonden apathisch tegenover de retoriek van de 'verlichte' bureaucraten.

Het was ook een periode van culturele verbrokkeling en identiteitscrisis. De nieuwe heersende Osmaanse klasse bouwde haar zelfbeeld op basis van Europese cultuur en de retoriek van de Verlichting. Ze combineerden vaak een oppervlakkige imitatie van Europa met een snobistische afwijzing van de eigen culturele bronnen. Tegelijk werden ze door de Europeanen niet aanvaard en belachelijk gemaakt als 'oosterlingen die beschaafd wilden overkomen'. Zoals in Japan of India waren ook de Osmanen politiek en cultureel verbrokkeld door de moderniseringspogingen, in de nasleep van de Tanzimat. Zij die in de periferie van het kapitalistische wereld-systeem leefden, kwamen terecht in een ambigue en verscheurende positie: ofwel richtten zij zich naar de positivistische waarden en denkkader van het Westen, terwijl ze door de ongelijke verhoudingen van het kapitalisme daar toch nooit volwaardig deel van konden uitmaken; ofwel verschansten zij zich achter de traditionele waarden en erfgoed, wat hen evenzeer de toegang tot de 'nieuwe wereld' ontzegde.[83]

Crisis en invoering van westerse modellen (modernisering) (1826–1908)[bewerken]

Egypte met ongeveer vier miljoen inwoners was de belangrijkste grondgebied die het rijk verloor in deze periode. Dit was het werk van de Osmaanse gouverneur van Egypte, Mehmet Ali, een Albanees uit Kavala die naar Egypte kwam als officier in de Albanese troepen van het Osmaanse leger tegen Napoleon. In 1803 vestigde hij zich als de de facto heerser van Egypte en in 1808 was hij officieel erkend als gouverneur van Egypte door de Osmaanse regering.

Afschaffing van de Janitsaren-korps[bewerken]

Mahmud II in een uniform naar Europese stijl, na zijn hervorming van klederdracht en de invoering van fez in 1826
Banket van Safran pilav voor de Janitsaren, gegeven door de sultan. Indien de Janitsaren de feestmaal weigerden, signaleerden zij hun ongenoegen over het beleid van de sultan en zijn bureaucraten. In dit geval aanvaarden zij het feestmaal. Osmaanse miniatuur, uit de Surname-i Vehbi (1720). Bron: Topkapi Paleis Museum in Istanbul.

Tijdens het bewind van sultan Mahmud II voerde de Osmaanse bureaucratie een reeks ingrijpende hervormingen naar westerse voorbeeld door. De bekendste was de afschaffing van de Janitsaren-korps in 1826. De hervormingsgezinde bureaucratie worstelde met de weerstand van de janitsaren, die in de 19de eeuw diepgewortelde banden hadden met de stedelijke kleinhandelaars en ambachtsgilden. Het korps werd vaak uitsluitend behandelde louter als een militaire instelling en weinig aandacht besteed aan zijn sociale banden met de Osmaanse samenleving. De eens professionele soldaten waren ondertussen zelf ambachtslieden geworden en maakten deel van de gilden. Zij vertegenwoordigden de islamitische lagere klassen. Het korps had zo een socio-politieke machtsbasis en waakte over de belangen en privileges van deze urbane sociale groepen tegen de verwestersingsgezinde leidende klassen. Het korps functioneerde in de steden als het ware als een vakbond avant la lettre. Zwaar getroffen door de goedkope Europese industrieproducten, boden de Janitsaren via deze gilden weerstand tegen de toenemende overheersing van de kapitalistische verhoudingen. De Europese ambassadeurs stimuleerden de Osmaanse bureaucratie aan tot hervormingen zodat de integratie van het Osmaanse rijk in het Europese kapitalisme ongehinderd verder kon plaatsvinden. De sociale groepen die zich verzetten tegen inbreuken op hun werk- en leefomstandigheden werden gezien als reactionairen door de hervormingsgezinde Osmaanse elite en kregen hierbij lippendienst van de westerse diplomaten en reizigers.

Voor velen - inclusief moderne Turkse en westerse historici - werd de afschaffing van de Janitsaren-korps gehuldigd als een heilzame daad die westerse hervormingen en een nieuwe orde mogelijk hebben gemaakt.[84] De oriëntalisten als Gibb en Bowen meenden dat de vermeende 'corruptie' en 'degeneratie' van de janitsaren was begonnen met de integratie van de stedelijke moslims in het korps. Bernard Lewis meende in een teleologische en essentialistische benadering dat de 'stagnatie' van de Osmaanse instellingen bevrijd waren door de hervormingen naar westerse model door de bureaucratie inde 19de eeuw.[85] Lewis portretteerde de laatste twee eeuwen van Osmaanse geschiedenis als een periode van strijd tussen de progressieve en reactionaire krachten. Binnen deze tweedeling beschreef Lewis de janitsaren als middeleeuwse reactionairen - 'de terreur van de sultans en hun gezagsgetrouwe onderdanen' - die samen met het islamitische establishment zich blindelings verzetten tegen vernieuwingen.[86] Volgens de 'linkse' Turkse historicus, Niyazi Berkes, verzetten de 'fundamentalistische' groepen in de Osmaanse samenleving tegen het proces van 'verandering en innovatie' omdat ze 'zich niet konden bevrijden van de middeleeuwse islamitische keurslijf'.[87] De 'reactionaire' janitsaren en islamitische establishment spanden samen tegen tegen innovatie door hun religieus fanatisme, aldus Berkes. De janitsaren waren 'het instrument waarmee de verarmde esnaf (ambachters, kleine handelaars en dagloners) parasiteerden op de staatsfinanciën'.[88] Deze auteurs hadden geen aandacht voor de nefaste gevolgen van de hervormingen voor de werk- en leefomstandigheden van de gewone bevolking. Mahmud II werd geportretteerd als een 'verlichte' sultan die zijn land in de moderniteit inleidde.

In recente studies wordt de eliminatie van de janitsaren gezien als keerpunt in de Osmaanse verzwakking die de integratie in het Europese kapitalisme vergemakkelijkt heeft.[89] Na de afschaffing van de Janitsaren door de centrale staat, bleef er geen enkele georganiseerde groep over om de gilden en kleine producenten te beschermen tegen kapitalistische normen. De stedelijke ambachters kregen een zware slag toegediend en verloren hun beschermers. Gedurende de zogenaamde Osmaanse 'traditionele orde' was het heel normaal dat sociaal-economische beslissingen onderhandeld werden met deze groepen. De gilden hadden dan een belangrijke invloed op het staatsbeleid inzake productie, aanbod, winsten, prijzen en lonen. Na de modernisering nam de staatsmacht enorm toe en voerde beslissingen eenzijdig door. Bijgevolg, de zogenaamde 'Osmaanse verval' begon eigenlijk met de afschaffing van de janitsaren die leidde tot de desintegratie van de traditionele Osmaanse waarden en ongehinderde integratie met het kapitalisme.[90] De Osmaanse overheid voerde sindsdien een economische beleid van liberalisme gebaseerd op onbelemmerde productie, lage lonen, goedkope arbeidskracht en de protectionistische maatregelen werden afgeschaft.

Opkomst van het nationalisme in de Balkan[bewerken]

De 19de eeuw was de tijdsgeest van het nationalisme, een resultaat van de Franse revolutie, die desastreuze gevolgen zou hebben op de Osmaanse politiek en samenleving. Al sinds zijn ontstaan herbergde het Osmaanse rijk verschillende etnische en religieuze gemeenschappen, de millets. De bevolking was samengesteld uit moslims, christenen en joden. De spanningen en conflicten die door de multireligieuze en etnisch diverse bevolkingssamenstelling konden ontstaan, werden gekanaliseerd via het millet-systeem. Het stelde velen in staat om in een mozaïek van culturen samen te leven. De ‘milletler’ waren religieuze ‘naties’ zoals moslims, christenen in elke variatie en joden die hun eigen gemeenschap mochten vormen onder Ottomaanse gezag. Binnen dit millet-systeem genoten de niet-moslims de status van zimni, erkende en beschermde christelijke en joodse onderdanen van de Osmaanse staat. Als belastingplichtigen genoten zij ook autonomie in het regelen van eigen onderwijs, religiezaken, huisvesting en sociale zorg.[91] De christelijke en joodse Osmaanse onderdanen genoten verder ook reële voordelen. Zo waren ze vrijgesteld van de verplichte legerdienst, “die voor de moslimse jeugd in de 19de eeuw een mogelijk doodvonnis betekende”.[92]

In de 19de eeuw werd deze verstandhouding grondig verstoord door de opkomst van het nationalisme. Een belangrijke reden was de verstoring van de sociaal-economische verhoudingen door de integratie van de Osmaanse economie in het kapitalisme. De eerste nationalistische bewegingen in het Osmaanse rijk ontstonden binnen de orthodoxe christenen of millet in de Balkan. De orthodox-christelijke Osmaanse handelaars en intellectuelen die contacten hadden in Europa, raakten begeesterd door het nationalisme die er verkondigd werden door de uitdragers van de Verlichting. De Duitse filosoof Johann Gottfried Herder bepleitte het idee dat een natie te onderscheiden is door haar gemeenschappelijke geschiedenis en taal. De lokale orthodoxe handelaars en intellectuelen in de Balkan begonnen te ijveren voor de oprichting van natie-staten. Na 1812 ontpopte Rusland zich als de verdediger van de orthodoxe christenen en lanceerde in de jaren 1850 panslavisme als ideologie voor alle orthodoxe Slaven, van wie velen Osmaanse onderdanen waren. Tegelijk lever de christelijke idee van ‘reconquista’ van Oost-Europa de ideologische grondslag voor de oprichting van nationalistische bewegingen in de Osmaanse Balkan. Deze ‘reconquista’-idee bood ook het paradigma en de legitimiteit voor de politiek van ‘etnische zuiveringen’ in de regio.[93]

In 1804 brak zodoende een Servische nationalistische opstand uit onder leiding van Kara (Zwarte) George, een rijke Servische varkensexporteur met contacten in West-Europa.[94] Een onderliggend reden was dat de Grieks Orthodoxe Patriarch in Istanbul, die streefde naar heroprichting van Byzantium, in 1790 de relatieve autonomie van de Servische en Bulgaarse kerken had willen beëindigen en hen opdroeg om voortaan het Grieks en Griekse priesters te gebruiken in hun kerkelijke diensten. In 1834 richtte Servië dan zijn eigen nationale kerk op en begon eigen geestelijken op te leiden die zich aansloten bij het leger en de intellectuelen als de fakkeldragers van het Servische nationalisme. In 1849 richtte Servië, formeel nog onder Osmaanse soevereiniteit, zich op een expansionistische plan om het rijk te doen herleven van Stefan Dushan, de 14e-eeuwse Servische koning die geromantiseerd werd als een heilige. De obsessie op de Servische nederlaag in de Slag op het Merelveld (1389) groeide ook uit tot een mythevorming en speelde een rol bij de ontwikkeling van het Servische nationalisme.[95]

Bisschop Germanos van Patras zegent de Griekse banier in Agia Lavra bij het uitbreken van de Griekse nationalistische afscheidingsoorlog tegen de Osmaanse staat in 1821.

Door de economische ontwikkelingen in de 18e eeuw kwamen twee groepen van Levantijnse handelaars op. De Griekse zeelieden van verschillende eilanden, zoals Hydra en Andros, werden rijk door omdat de Europese handelaars in hun handel met de Osmaanse landen hen als tussenpersonen lieten fungeren. Verder werden de muilezel-drijvers van Slavische en Griekse oorsprong omgetoverd tot zelfstandige handelaars en bankiers na het verdrag van Passarowitz.[96]

Zij genereerden de rijkdom die nodig was om scholen en bibliotheken te betalen voor de Griekse jongeren en om te studeren aan de universiteiten in West-Europa. Daar kwamen ze in contact met de ideeën van de Europese Verlichting, de Franse Revolutie en romantische nationalisme.[97]

Het Griekse nationalisme was zo geobsedeerd door het verlies van het Byzantijnse rijk. Het was geboren in 1814 met de oprichting door Griekse handelaren van de Philiki Hetairia, een geheim verbond gericht op het herstel van het Byzantijnse rijk.[98] Het was opgericht in Odessa, een centrum van de Griekse diaspora van handelaars, door Griekse handelaars die beïnvloed waren door de Italiaanse Carbonari en voortbouwend op hun ervaringen als leden in de vrijmetselarij en de loges.[99] Met de steun van de rijke Griekse gemeenschappen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten en met de hulp van sympathisanten in West-Europa, beraamden ze een grootschalige opstand.[100]

De 'Philiki Eteria' groeide snel en was al vlug in staat om leden te werven uit vele elementen van de Griekse samenleving in het Osmaanse rijk. In 1821 was het Osmaanse Rijk gefocust op het conflict met Iran en op de opstand van Ali Pasha in Egypte. Op hetzelfde moment waren de Europese staten bezig met het onderdrukken van de revoluties in Italië en Spanje, de 'Concert van Europa' in de nasleep van Napoleon's veroveringen. Het was in deze context dat de Grieken oordeelden dat de tijd rijp was voor de opstand. Gewelddadige conflicten braken uit in de Peloponnesos, het Donau-gebied en Istanbul. De Griekse Onafhankelijkheidsoorlog ging in 1821 van start ging met het uitroeien van de moslimbevolking, onder meer op de Peloponnesos en Morea.[101]

Vele genootschappen van filhellenen werden in Europa opgericht en stuurden geld, wapens en vrijwilligers. De bekendste filhelleen was de Engelse dichter Lord Byron, die zich, na een zwerversleven door Europa, in 1824 als vrijwilliger meldde bij de Griekse nationalisten.[102] In Byrons gedichten en in de romantische schilderijen van de kunstschilders William Turner en Eugene Delacroix kreeg Griekenland, zoals het door de West-Europese romantici in de 19de eeuw werd gezien, gestalte: Grieken als afstammelingen van de helden van Slag bij Marathon en Thermopylae , die “het Turkse juk omver wierpen”. De opstand werd gesteund door de Britten en de Russen. De Britten wilden de Grieken inzetten als tussenpersonen om hun groeiende handel in het Midden-Oosten en India te dienen. Europa koesterde een romantische houding ten opzichte van de antieke Grieken, die door de 19de-eeuwse Grieken werd geclaimd als hun directe voorvaders. Classici en romantici van die periode zagen het uitdrijven van de Turken als de prelude voor de heropleving van de Gouden Eeuw.[103]

De betrokkenheid van Rusland was gedreven door politieke en religieuze ambities. De orthodoxe patriarchaat in Istanbul, die gekant was tegen een seculiere nationalisme, erkende tot 1847 de natiestaat Griekenland niet. Griekenland was wel de eerste internationaal erkende onafhankelijke natiestaat die zich van het Osmaanse Rijk afsplitste.[104]

Verder genoot het Griekse nationalisme al geruime tijd veel aandacht en steun van de toonaangevende Europese filosofen, zoals o.a. GeorgHegel. De eerdere denkers in de eeuwwisseling, zoals Kant en Herder, zagen in Griekenland de hoop voor en de bron van het opkomende Europese cultuur. Herder kenmerkte het Osmaanse rijk als de personificatie van het 'Oosters despotisme'; dynamisme en rede van de Grieken zal het 'Turkse juk' afwerpen en de Griekse culturele erfgoed zal Europa voeden. Volgens Herder zijn de Turken (en de Mongolen) slechts 'wilde wolven die de beschavingen hebben vernield en ze kunnen zich niet aanpassen aan de waarden van Europa'. Hij meende dat 'de Turken de vruchtbaarste landen van Europa omgevormd hebben tot woestijnen en de eens uitmuntende Griekse volk werd onder de Turkse heerschappij gedegenereerd tot ontrouwe barbaren. Het Turkse rijk is een grote openluchtgevangenis voor de Europeanen die daarin moeten leven en zal ooit ten onder gaan. Wij moeten deze Aziatische barbaren verdrijven uit het Europese bodem.' [105] Kant categoriseerde de volkeren in de wereld op basis van een vermeend specifiek kenmerk van Europa, met name de ratio die zogenaamd afwezig was bij de 'Mohemmadaanse Turken'. Volgens Kant heeft de Aziatische 'Turkse rijk' de ontwikkeling van de Balkan volkeren belemmerd en het heeft hun nationale vrijheden geëlimineerd. Dit is volgens Kant normaal, aangezien geen ander natie behalve de Europese landen deze vrijheden kunnen verwezenlijken door gebrek aan de unieke Europese mentaliteit.[106]

Georg Hegel meende dat de 'Oosterse Mohemmedanen en de Turken slaven waren van hun instincten en van een passieve en ongedefinieerde geloof'; dit in tegenstelling tot de Europese christendom die een onderscheid wist te maken tussen het algemene en het specifieke. Daarom is de Europeaan zelfbewust en kan vrij gebruik maken van de rede. Na de christelijke overwinning tegen de Osmanen in de Slag bij Lepanto, werd de stroom van 'barbaarse Turkse horden doorbroken en bleef een overschot van barbaren in Europa over'.[107] Volgens Hegel hebben de Turken hun rede en bewustzijn niet kunnen ontwikkelen en konden bijgevolg geen gebruik maken van de rede. Dit falen is voor Hegel de oorzaak van hun barbarij en agressiviteit. De Turken en de Mongolen zijn Aziatische rassen en belichamen een 'verschrikkelijke horde van sprinkhanen, die zwermen over de andere naties, die alles op hun weg vernielen en niets opbouwen en dragen niets bij aan de loop van de wereldgeschiedenis'.[108]

Internationale ontwikkelingen[bewerken]

Turkse troepen bestormen Fort Shefketil tijdens de Krimoorlog
Opening van de eerste Ottomaanse parlement in 1877

Na het Congres van Wenen in 1815 was het Osmaanse Rijk volledig geïntegreerd in de machtsstrijd in Europa. Het verhaal van Europese kolonialisme of de Anglo-Russische rivaliteit vormen de cruciale contexten voor de Osmaanse geschiedenis in de 19de eeuw.[109]

De verzwakking van het Osmaanse Rijk beïnvloedde het machtsevenwicht in Europa. Rusland wilde een ijsvrije haven in de Middellandse Zee en aasde op de Bosporus. Het resultaat was de Krimoorlog (1853-1856) tussen Rusland en het Ottomaanse Rijk. De Fransen en de Britten waren beducht voor Russische expansie en beiden steunden het Osmaanse rijk militair. Bovendien moesten de Ottomanen voor deze oorlog voor het eerst geld lenen bij Britse banken. Dat zou uiteindelijk een financiële catastrofe worden. De voorwaarden werden zo ongunstig opgesteld dat de Ottomaanse regering zelfs moest bijlenen om de rente en aflossingen te betalen. Het kapitaal stroomde het land uit naar de Europese banken. Na een financiële crisis in 1876 werden de financiën onder curatele geplaatst. Dit leidde tot vergaande bemoeienis van een Commissie voor de Aflossing van de Overheidsschuld, die namens de Europese schuldeisers opereerde.

Het Habsburgse Oostenrijk-Hongarije wilde op zijn beurt controle over de Balkan bemachtigen. Het land kampte zelf met ernstige problemen door interne etnische spanningen, vooral in de kwestie over Servië. Daarnaast speelde zich de machtsstrijd om Macedonië tussen de kleinere Balkan-staten af, die elk hun eigen gebied wilden uitbreiden; in de zogenaamde Macedonische Kwestie. In 1878 werd het rijk onder Russische druk gedwongen Bosnië en Herzegovina, Roemenië, Servië, Bulgarije, Cyprus en andere gebieden op te geven. In deze periode kwam het Ottomaanse Rijk bekend te staan als de 'Zieke man van Europa'.

Tegelijk had de koloniale rivaliteit tussen Engeland en Frankrijk een hoogtepunt bereikt, die een neerslag vond in de zogenaamde Oosterse kwestie. Deze stond tot de Eerste Wereldoorlog hoog op de politieke agenda van bijna elke Europese hoofdstad. De kwestie kwam eigenlijk neer op een scramble for the East: hoe de verschillende nationalistische ambities in de Balkan en de kolonialistische ambities van de Europese grootmachten in het Midden-Oosten zodanig te bevredigen zonder het Ottomaanse Rijk te vernietigen; of hoe het rijk zodanig op te delen zonder het machtsevenwicht in Europa te verstoren. Engeland was begin de twintigste eeuw bezorgd om het strategische risico dat de Bosporus onder Russische invloedssfeer zou komen, wat de Britse belangen in de Middellandse Zee zou bedreigen. Duitsland, een koloniale laatkomer, wilde zoals de andere Europese koloniale mogendheden mondiale invloed hebben en overzeese gebieden controleren. Het onvermogen om de Oosterse kwestie op te lossen droeg in 1914 bij aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

De politieke ontwikkelingen in het Osmaanse rijk gedurende de 19de eeuw zijn veelvuldig becommentarieerd geweest door twee 'actie-filosofen' of de grondleggers van het communisme, Karl Marx en zijn vriend Friedrich Engels. Over de 'Oosterse kwestie' hebben deze auteurs vanaf 1851 vele artikels geschreven voor de krant New York Daily Tribune.[110] Beiden gebruikten in hun bijdragen de term Turkije in plaats van het Osmaanse rijk. Volgens Engels was het voorbestaan van het Osmaanse rijk afhankelijk van de kunde van de Europese staten om onderling eens te geraken over machtsevenwicht. Hij vergeleek het Osmaanse rijk met de 'rottende kadaver van een dode paard, wiens rottingsproces enkel kon voorkomen worden door het tijdig ingrijpen van Europa'. Engels ging er van uit dat het Osmaanse rijk zou verdwijnen: "het probleem is Turkije die bestaat uit Afrikaanse gebieden Egypte en Tunesië; Aziatische Turkije en het Europese Turkije. Wanneer Turkije opgedeeld wordt, zal Egypte toekomen aan Engeland. Het Aziatische Turkije bestaat vooral uit de etnisch Turkse moslim fanatici en ze vormen een gesloten gemeenschap. Het is daarom niet wenselijk om dit deel te veroveren. In de besprekingen over de oplossing van de 'Oosterse kwestie' is het beter dat men zich focust op de christelijke valleien in Palestina en Libanon." Engels meende verder dat de "Turken niet in staat zijn om te heersen over de andere naties, omdat zij daarvoor niet geschikt zijn. Elke poging van de Turkse regering richting meer beschaving faalt omdat de onderklasse in de steden, bestaande uit fanatieke Turkse moslims, zich verzetten tegen deze pogingen."[111] Ook Marx deelde die opvatting en beschreef de protest van de ambachtsgilden in Istanbul als volgt: 'de fanatieke Turkse onderklasse heeft 15 christenen vermoord'.[112]

Engels adviseerde aan de Europese landen om de expansie van Rusland te belemmeren en een eventuele controle van de Dardanellen door de Russen te voorkomen: "niet enkel om een grotere handelsgebied te bemachtigen, maar ook om het grote gebied in Centraal-Azië te openen voor de beschaving. Dit zal tegelijk grote kansen opleveren voor een onbelemmerde handel in de regio."[113] Engels hield een contradictorische pleidooi voor een revolutie in Europa die samenvalt met de belangen van Engeland en die de Russische expansie kan voorkomen: "Hoewel Turkije niet geschikt is om in de Balkan te heersen, zal in de huidige context de opdeling van Turkije enkel de belangen van Rusland dienen en een grote catastrofe worden voor Engeland."[114] Volgens Engels is de Griekse burgerij de drager van de beschaving in het Osmaanse rijk: "de Turken vormen de minderheid en zijn verspreid over het hele land. De Griekse en de Slavische burgerij in de steden en in handelscentra dragen bij tot de ontwikkeling van de beschaving. Indien de Turken de militaire klasse niet in handen hadden, waren ze allang weggeveegd van de kaart. De Turken blokkeren de voortgang de beschaving en moeten worden geëlimineerd!"[115] De oplossing voor de Oosterse kwestie ligt voor Engels niet in diplomatie, maar in een revolutie in Europa. Dit zal leiden tot 'moedige stappen die de loop van de geschiedenis veranderen', waarbij de opheffing van het Osmaanse rijk onvermijdelijk zal samengaan met een grote wereldoorlog'.[116]

Eerste Wereldoorlog en opheffing (1908–1922)[bewerken]

Lithografie van viering van de herinvoering van de grondwettelijke bestuur in 1908.
De zogenaamde 'Actie Leger' van de Jong Turken tijdens de bezetting van Istanbul in 1909.
Young Turk Revolution - Decleration - Armenian Greek Muslim Leaders.png
Verklaring van de Jonge Turken Revolutie in 1908 met de leiders van Griekse, Armeense en joodse millets
Young Turk Revolution - Flayer for the constitution.png
Flyer van de revolutie van 1908 met de slogan: "Lang leve het vaderland, lang leve de natie, lang leve vrijheid" in het Osmaans en Grieks; met een foto van Enver Pasha

In 1908 kwam een groep militairen, de zogenaamde 'Jonge Turken' aan de macht via een staatsgreep. Ze waren officieel georganiseerd onder het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, dat dan ook als de enige partij de regering heeft gevormd. Een jaar later, in 1909 grepen de Jong Turken een rebellie in Istanbul aan om de Osmaanse hoofdstad Istanbul te bezetten. De 'Jong Turkse' bezettingsleger steunde op de troepen die gestationeerd waren in Thessaloniki, de centrale zetel van de Jong Turkse organisatie. Het bestond vooral uit Macedonische troepen, aangevuld met Servische, Albanese en Bulgaarse elementen. In de nacht van 23 april 1909 kwamen zij Istanbul binnen en schakelden daar de belangrijke kazernes uit, die bemand waren door hoofdzakelijk Anatolisch Turkse manschappen, zoals de Topçu Kışlası (Artillerie Kazerne) op het Taksim-plein. Tegelijk had een geallieerde westerse vloot aangemeerd in de Bosporus en leverde steun aan de bezettingsleger en nam de Topçu Kışlası onder vuur die weerstand bood. Binnen enkele dagen stootten de Macedonische troepen door samen met de Jong Turkse kaders en omsingelden de Yildiz Paleis, waar sultan Abdulhamid II zat.[117] Sultan Abdulhamid zag dat de strijd verloren was. Sultan Abdulhamid II werd door de bezetters gedwongen om af te treden en in ballingschap gestuurd. Hoewel de coupplegers de retoriek van gelijkheid voor de Osmaanse burgers opvoerden, brachten zij er niet veel van in. De Jong Turken kwamen aan de macht door Abdulhamid te bekritiseerden van dictatoriale bestuur en reactionisme. Maar eenmaal aan de macht traden zij veel gewelddadiger op door de critici terecht te stellen in beschuldiging van 'reactionisme' en 'verraad van de revolutie'. Een van de coupplegers was de Enver Pasha - van Albaneze origine en schoonzoon van sultan Abdulhamid - die zich in deze periode opwerkte tot Minister van Oorlog. Hij werd de machtigste man die het rijk in de Eerste Wereldoorlog stortte. Deze militaire en bloedige regimewissel bracht in feite de genadeslag toe aan het Osmaanse rijk en betekende het einde van de onafhankelijke Osmaanse staat. Er werd een nieuwe bank opgericht, de 'Centrale Bank van Turkije' die onder meer de exploitatierechten van olie in het Osmaanse rijk aan de westerse landen heeft verleend.

Toen de dreiging van de Eerste Wereldoorlog naderde, stelde Enver in 1914 via geheime diplomatie aan de Duitse ambassadeur een Ottomaans-Duitse alliantie voor. Een alliantie met Engeland was uitgesloten gezien de tegengestelde belangen in de Middellandse Zee en ook met de Russen omdat de tsjaar een toegang tot de Middellandse Zee en de verovering van Istanbul nastreefde. In augustus werden twee Duitse oorlogsbodems, de slagkruizer Goeben en de lichte kruizer Breslau toegelaten tot de Dardanellen om de achtervolgende Britse schepen te ontvluchten. Deze werden omgedoopt tot Midilli en Yavuz en toegevoegd aan de Ottomaanse vloot. In oktober vielen deze oorlogsbodems de Russische vloot aan in de Zwarte Zee. Hierop verklaarden Rusland, Engeland en Frankrijk de oorlog aan de Ottomanen. Op 11 november verklaarde sultan Mehmet V de oorlog aan Engeland, Frankrijk en Rusland en vormde een alliantie met de Centrale Mogendheden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Enkele dagen later werd in Topkapi ook de jihad uitgeroepen, wat vooral veel gehoor vond onder de moslims in India, Egypte en in Frans Noord-Afrika. Maar de cruciale steun van de sharif van Mekka, Hoessein ibn Ali bleef uit omdat hij vreesde voor een Britse vergelding. Met zijn steun vreesde sharif Husayn een blokkade en bombardement van de haven van Hijaz door de Britten die Egypte bezetten. Verder werd ook de enthousiasme van de moslims in India gesmoord door de Britten, die de lokale moslimgeleerden juridische opinies lieten formuleren dat het verplicht was om te gehoorzamen aan de Britse bestuur.[118] Het Ottomaanse Rijk, dat nog een agrarische samenleving was, werd door de overmoedige officieren en politici van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (CEV) zoals Enver Pasha, Talat Pasha en Cemal Pasha in een industriële oorlog geworpen.[119]

De relatie van de Ottomaanse generale staf met de Duitse militaire missie in Istanbul was niet gemakkelijk. De Duitse officieren keken neer op het Ottomaanse leger na de vernederende nederlaag van de Balkanoorlogen in 1912. Tegelijk verafschuwde de Ottomaanse staf het Duitse opperbevel. Nochtans was Enver Pasha in 1909-11 als militaire attaché in Berlijn gestationeerd en veel Ottomaanse officieren kregen een opleiding in Duitsland. De militaire samenwerking dateerde uit 1880, toen sultan Abdulhamid II aan de Duitse kanselier Otto von Bismarck verzocht om militaire experts en adviseurs te sturen voor de modernisering van het Ottomaanse leger. Keizer Wilhelm II, het enige Europese staatshoofd dat door Sultan Abdulhamid ontvangen werd, bezocht Istanbul in 1889 en in 1898 het Ottomaanse Syrië. Desondanks verliepen de relaties op het veld heel stroef. Maar het was een win-win-relatie voor beide partijen: de Ottomaanse militaire macht werd verbeterd en de Duitse staalindustrie had er een grote afzetmarkt bij.

Het meest prestigieuze resultaat van de Ottomaans-Duitse samenwerking was de aanleg van een spoorweglijn van Berlijn naar Bagdad vanaf 1903. De Bagdad-spoorwegverbinding (Bağdat Demiryolu) liep niet alleen door vruchtbare streken, ze zou ook de snelste en goedkoopste route tussen Europa en Indië kunnen worden. Duitsland kreeg toegang tot de olievelden in het Ottomaanse Irak en kon via deze verbinding aardolietransporten over land organiseren door het Suez-kanaal te ontwijken. Het Ottomaanse Rijk wilde de controle over Arabië handhaven en zijn invloed uitbreiden van de Rode Zee tot de Kedivaat Egypte, die de Britten bezet hadden sinds de Urabi opstand in 1882. Via de Bagdad-spoorweg counterde Duitsland de Britse economische overheersing in de koloniale handel en het Ottomaanse Rijk perkte de ambities van Rusland in.[120]

Door de Bagdad-spoorweg voelden de Britten zich bedreigd en raakten in paniek. Een spoorlijn van Berlijn via Bagdad naar Koeweit zou de machtsverhoudingen in Europa danig op hun kop zetten. De weg naar Rusland zou voor de Engelsen worden afgesneden. De Duitse en Ottomaanse invloedssfeer zou immense proporties aannemen. In de Arabische wereld ondersteunde Engeland actief anti-Ottomaanse sentimenten, kocht in Koeweit de sjeik om en kreeg het de exclusieve exploitatierechten op oliewinning. De ‘ Great Game’ - de bittere rivaliteit tussen Engeland en Rusland speelde ook een rol. Duitsland stond op het punt oorlogsschepen te bouwen die op diesel liepen. Daarvoor hadden ze gegarandeerde olievoorraden nodig. De spoorweg Berlijn-Bagdad was net voor het uitbreken van de oorlog bijna voltooid en was zo een van de factoren die leidden tot de Eerste Wereldoorlog.[121]

Winston Churchill bedacht in 1915 het plan om bij de Dardanellen met een Brits/Franse vloot een maritieme doorbraak te forceren om Istanbul te veroveren. Hij dacht dat hij een vaarroute naar hun Russische bondgenoten kon forceren en tegelijk het Osmaanse Rijk uit kon schakelen als bondgenoot van Duitsland. Op 18 maart werden meerdere Britse en Franse slagschepen van de geallieerde vloot tot zinken gebracht. Dit was een zware nederlaag voor de imperiale Britse vloot. Daarop wilden Britten en de Fransen een doorstoot forceren via een landoperatie. Deze draaide uit tot één van de bloedigste stellingenoorlog van de Eerste Wereldoorlog, de Slag om Gallipoli. Er werden aan beide zijden enorme verliezen geleden. De Britten zetten troepen in uit hun kolonies zoals Nieuw-Zeeland, India, Australië. Ook de Fransen zetten hun koloniale troepen in o.a. uit Senegal en Algerije. In één van zijn laatste slagen was het Osmaanse leger samengesteld uit bijna alle gemeenschappen die nog deel uitmaakten van het rijk: Turken, Koerden, Syriërs, Irakezen, Kosovaren, Albanezen, Grieken uit Istanbul en Armeniërs uit Anatolië. Deze slag was de belangrijkste overwinning van het Osmaanse leger in WOI en een groot fiasco voor de geallieerden. De Britten en de Fransen moesten afdruipen zonder iets bereikt te hebben. De Jonge Turk Mustafa Kemal vestigde hierbij zijn militaire reputatie.

De Britten wisten de steun te winnen van de Arabieren. De Engelse spion T.E. Lawrence kocht enkele Arabische bedoeïenen leiders om met belofte op goud en zette hen aan tot plunder-acties in de Osmaanse achterlinies. De Britse regering paaide de Arabieren met allerlei beloftes over zelfbestuur, die na de oorlog niet of nauwelijks werden nagekomen. In mei 1916, nog voor de Eerste Wereldoorlog was afgelopen, verdeelden Engeland en Frankrijk het Osmaanse Midden-Oosten onder elkaar met de zogenaamde Sykes-Picotverdrag. De Italianen en de Russen gingen ermee akkoord. Ze kwamen overeen dat als het Ottomaanse Rijk als verliezer uit de bus kwam, de onafhankelijkheid van de Arabische staten door Frankrijk en Engeland niet erkend zou worden. In november 1917 stuurde de Britse minister van buitenlandse zaken Arthur Balfour ook nog een brief aan Lord Rothschild, een Joodse bankier die een voorstander was van het zionisme. Dit wordt ook de Balfour-verklaring genoemd. In die brief beloofde hij de steun van de Engelse regering bij "de stichting in Palestina van een eigen staat voor het joodse volk." Het vertrouwen van zowel de joden als de Arabieren in de Engelse regering verdween al snel na de oorlog, toen de gedane beloftes niet ingelost werden. De dubbelzinnige houding van Engeland op de situatie in Palestina legde zo de kiem voor het Arabisch-Israëlisch conflict.

Sultanvahideddin.jpg
Sultan Mehmet VI, de laatste sultan van het Ottomaanse Rijk, enkele dagen voordat hij werd afgezet (1922).
Portrait Caliph Abdulmecid II.jpg
Abdulmecit II Khan, de laatste Osmaanse kalief van de moslimwereld

Ook Rusland verklaarde de oorlog aan het Ottomaanse Rijk en in het oosten van Anatolië kwam het tot gevechten. Het Russische propaganda moedigde de Armeniërs in Oost-Anatolië aan om een eigen staat op te richten en gewapende Armeense groepen begonnen aanslagen te plegen achter de frontlinies op moslimburgers, ambtenaren en overheidsgebouwen.[122] Met de doorstoot van de Russen aan de front, besloot de regering in 1915 om de Armeniërs vanuit Anatolië te verplaatsen naar het Ottomaanse Syrië en Irak, weg van de Ottomaans-Russische frontlinie. De situatie werd nog moeilijker toen in mei een Russisch-Armeens leger de stad Van innam. Nadat het de inwoners had uitgemoord, riep het daar een Armeens staat uit. Daarop beval de regering het leger om de Armeniërs in de provincie Van te verplaatsen om zo de voedingsbodem voor de rebellie tegen te gaan. Toen de Armeense 'relocatie' plaatsvond, kwamen naar schatting 600.000 Armeniërs[123] om het leven. Tot op de dag van vandaag wordt door Turkije ontkend dat het hier om genocide ging. Het wijst erop dat de vele doden het gevolg waren van wederzijdse wraakacties met de lokale moslims en anderen die de konvooien wilden bestelen. Bewijs van een systematisch en voorop geplande poging tot uitroeiing van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk is er nog steeds niet. De Ottomaanse militaire tribunaal heeft na de feiten tientallen Ottomaanse officieren berecht voor hun nalatigheid in degelijke bescherming van de konvooien en sommigen werden terechtgesteld omdat ze de moorden lieten begaan. De Armeense kwestie wordt nog steeds betwist omdat er, volgens historici[124], geen eenduidige bewijsmaterialen gevonden zijn. De massale deportatie van Armeniërs zou in deze visie tot doel hebben gehad te voorkomen dat dezen de kant zouden kiezen van de Russische vijand.[125] Dit was namelijk al voorgekomen vanaf 1890, toen Armeense gewapende groepen grote groepen moslims (veelal Koerden en Turken) vermoordden om zo een meerderheid te vormen in de oostelijke provincies van het Ottomaanse Rijk, die tevens de grens vormden met Rusland.[126]

Aan het einde van de Eerste wereldoorlog behoorde het Osmaanse rijk tot de verliezers van de oorlog, samen met Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije. Bij het vredesverdrag van Sèvres werd bepaald dat het Osmaanse rijk opgedeeld zou worden. Zo verloor het Osmaanse rijk al haar Arabische provincies, waar later landen zoals Syrië, Irak, Libanon, Israël, Palestina, Transjordanië, Jemen en Saoedi-Arabië uit ontstonden. De landen Syrië, Irak, Libanon, Palestina, Transjordanië vielen echter in Franse en Britse invloedssferen. Hoewel de Arabische inbreng in de Eerste Wereldoorlog gering was geweest, leidde het desondanks tot het einde van de aanwezigheid van de Osmanen in het Midden-Oosten.

Het eiland Cyprus kwam volledig in Britse handen. Ook Anatolië werd opgedeeld. Zo werd Istanbul en omgeving door de Britten bezet, in het noordoosten werd de republiek Armenië gesticht, het westen (Izmir en omgeving) werd door Griekenland bezet, het zuiden kwam onder Franse en Italiaanse invloed te staan. In het zuidoosten werd er voor de Koerden een onafhankelijke staat beloofd door de geallieerde landen. Voor het Ottomaanse rijk bleef alleen Centraal-Anatolië en een deel van de Zwarte Zee kust over.[127]

Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog was de Osmaanse economie en samenleving volledig geruïneerd door het totaal mislukte beleid van het Jong Turkse regime. De bevolking van Anatolië had als een soort mensenmijn de mankracht geleverd voor het oorlogszucht van de mislukte 'Jong Turken' zoals Enver en co. De boerenzonen van Anatolië stierven bij honderdduizenden op de slagvelden in de Kaukasus, het Arabische schiereiland en de Dardanellen.

In 1919 organiseerde de voormalige Osmaanse officier Mustafa Kemal Pasha een opstand tegen de bezetting, wat bekend staat als de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Het lukte de Turkse troepen onder leiding van Mustafa Kemal om geheel Anatolië te heroveren, waarna een nieuw vredesverdrag werd gesloten, de vrede van Lausanne. Nadat in 1922 de sultanaat officieel werd afgeschaft door het nieuwe regime, trad de laatste sultan, Mehmet VI Vahideddin, af en ging in gedwongen ballingschap naar Europa. Daar kwamen de leden van de Osmaanse dynastie terecht in armoede en werden afgewezen door het nieuwe regime in Turkije. Ondertussen was de huidige staat, de Republiek Turkije, gesticht door Gazi Mustafa Kemal Pasha, die later de achternaam Atatürk heeft aangenomen.[127] In tegenstelling tot de Russische of Oostenrijkse koningshuizen, leidde de Osmaanse dynastie decennialang een erbarmelijke bestaan in ballingschap.

Interetnische en religieuze conflicten[bewerken]

Turkse en Azerbeidzjaanse moslims vormden aan het eind van de 19e eeuw nog bijna de helft van de inwoners van Armenië. Tegenwoordig is dit minder dan 0,1% van de bevolking. Vergelijkbare zuiveringen vonden aan beide zijden plaats in de nadagen van het Ottomaanse Rijk.
De Ottomaanse millets (ofwel erkende bevolkingsgroepen)

De groei van het Russische Rijk ging in de 19e eeuw ten kostte van grote delen van de Europese provincies van het Ottomaanse Rijk. Islamitische minderheden als Tataren, Nogai en Basjkieren vluchtten in grote getalen uit de Wolgaregio richting de Krim en Moldavië. Vanaf 1860 nam Rusland echter grote delen van de Noordelijke Kaukasus en de Oekrainë in. De lokale islamitische bevolking werd opnieuw voor de keuze gesteld; of Russische en christelijke heerschappij erkennen, of vluchten richting het Ottomaanse Rijk. Miljoenen moslims, waaronder Krimtataren, Circassiërs, Tsjerkessen, Kabarden, Tsjetsjenen, Abchazen, Georgiërs/Lazen, Mescheten, Roma en (islamitische) Grieken, vertrokken richting Noord-Anatolië en Rumelië (de Ottomaanse gebieden in de Balkan). Tegelijkertijd met de komst van de duizenden vluchtelingen in de steden aan de noordkust van Anatolië vertrokken veel christelijke Pontische Grieken en Pontische Joden juist in omgekeerde richting naar steden als Odessa en Sebastopol, weliswaar uit eigen overweging. Het verlies van Oost-Roemelië aan het eind van de 19e eeuw en West-Roemelië tijdens de eerste Balkanoorlog (1912-13) bracht nog twee golven migranten richting Anatolië. Een kleine minderheid van islamitische volkeren bleef achter in Servië, Bosnië, Griekenland, Bulgarije, de Krim en de Kaukasus. Volgens Justin McCarthy zijn tussen 1821 en 1922 meer dan vijf miljoen moslims uit Oost-Europa verdreven. Bijna zes miljoen moslims verloren hun leven, de meesten werden vermoord, anderen kwamen om tijdens de gedwongen deportaties door ziekte en ondervoeding.[128][129] [bron?]

Vanuit een etnisch heterogene bevolking werden in de voormalige Ottomaanse provincies landen met een vrij homogene bevolking gecreëerd, zo wisselden ook Bulgarije en Griekenland hun bevolkingen uit na hun afscheidden van het Ottomaanse Rijk. Hun etnische en religieuze homogeniteit bereikten ze daarna via de verdrijving (en in sommige gevallen door slachting) van de islamitische bevolking.[130] Engeland en Frankrijk, de toenmalige koloniale grootmachten, maar ook Rusland en Duitsland waren betrokken bij het ondersteunen van de etnische afscheidingsbewegingen.[131]

Van de etnisch-religieuze spanningen in de 19e eeuw waren niet enkel de islamitische minderheden van de Europese provincies van het rijk slachtoffer. Diverse rellen en pogroms vonden aan het eind van de 19e eeuw plaats, meestal gericht tegen Syrische en Armeense christenen in het zuiden en zuidoosten van het huidige Turkije, waarbij tienduizenden slachtoffers vielen. Om te voorkomen dat het hele rijk, inclusief Anatolië, zou vervallen in een burgeroorlog werden in de 19e eeuw diverse hervormingen doorgevoerd die minderheden meer rechten gaven en gelijkstelden aan islamitische burgers. Voor sommigen waren die concessies niet voldoende. Met name onder de Armeniërs waren er groepen, die naar onafhankelijkheid streefden. Dashnak, een nationalistische partij, die zetelde in Georgië, pleegde aanslagen in het oosten van Anatolië. Tijdens de eerste wereldoorlog vond de Ottomaanse legerleiding de dreiging van het Armeense separatisme zo groot, dat het de algehele deportatie van de Armeense bevolking beval naar de Syrische woestijn. Ziekte, ondervoeding, uitdroging en slachtpartijen tijdens de deportaties eisten waarschijnlijk zo'n 800.000 slachtoffers. Door diverse landen wordt dit erkend als de Armeense Genocide. Enkele Turkse officieren werden na de oorlog terechtgesteld in Trabzon, waar de belangrijkste rechtszaken omtrent de oorlogsmisdaden plaatsvonden. De gouverneur van Ordu en Trabzon erkenden dat in 1915 Armeense mannen op een schip overboord waren gezet in de Zwarte Zee.

Na de oorlog bezette het Griekse leger het westen van Anatolië. Dit ging, voornamelijk op de terugtocht, gepaard met het platbranden van honderden dorpen en moskeeën. Voor het Griekse leger uit was een groot deel van de christelijke bevolking richting de kust gevlucht. Izmir, toen als Smyrna de 2e grootste Griekse stad na Constantinopel, werd ook platgebrand. Of dit een laatste actie van het Griekse leger was, of dat het een represaille was van het Turkse leger dat de Grieken had ingehaald is nooit duidelijk geworden. De brand begon in de Armeense wijk en legde meer dan de helft van de stad in as. Ook de meeste Turken werden uit Griekenland verdreven, in de omgekeerde richting naar de regio Izmir. De nieuwe Turkse Republiek was een natie van immigranten uit Bulgarije, Griekenland, Joegoslavië, Armenië, Georgië, Rusland, Oekraïne, en elders. Dat vormde het karakter van de prille Turkse Republiek.[132]

Literatuur (onder andere)[bewerken]

  • Roger Crowley Empires of the sea: the final battle for the Mediterranean, 1521-1580, uitg. Faber and Faber, Londen (2008) ISBN 0-571-23230-2 en ISBN 978-0-571-23230-7
  • M.Sükrü Hanioglu A brief history of the late Ottoman empire, uitg. Princeton University Press, Princeton (2008) ISBN 978-0-691-13452-9
  • Suraiya Faroqhi The Ottoman Empire and the world around it, uitg. Tauris, Londen (2004, 2006)
  • Stephen Turnbull The Ottoman Empire 1326-1699, uitg. Osprey, Oxford (2003) ISBN 1-84176-569-4
  • Selçuk Aksin Somel Historical dictionary of the Ottoman Empire, uitg. Scarecrow Press, Lanham MD (2003) ISBN 0-8108-4332-3
  • Colin Imber The Ottoman Empire, 1300-1650: the structure of power, uitg. Palgrave Macmillan, Basingstoke (2002) ISBN 0-333-61386-4 en ISBN 0-333-61387-2
  • Daniel Goffman The Ottoman Empire and early modern Europe, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (2002) ISBN 0-521-45280-5 en ISBN 0-521-45908-7
  • Joos Vermeulen Sultans, slaven en renegaten: de verborgen geschiedenis van het Ottomaanse rijk, uitg. Acco, Leuven (2001) ISBN 90-334-4598-0
  • Justin McCarthy The Ottoman peoples and the end of empire, uitg. Arnold, Londen ISBN 0-340-70656-2 en ISBN 0-340-70657-0
  • Kemal H. Karpat Ottoman past and today's Turkey, uitg. Brill, Leiden (2000) ISBN 90-04-11562-5
  • Donald Quataert The Ottoman Empire, 1700-1922, uitg. Cambridge University Press, Cambdrige (2000) ISBN 0-521-63328-1 en ISBN 0-521-63360-5
  • A.L. Macfie The end of the Ottoman Empire, 1908-1923, uitg. Longman, Londen (1998) ISBN 0-582-28762-6 en ISBN 0-582-28763-4
  • Jason Goodwin Lords of the horizons: a history of the Ottoman Empire, uitg. Chatto & Windus, Londen (1998) ISBN 0-7011-3669-3
  • Justin McCarthy The Ottoman Turks: an introductory history to 1923, uitg. Longman, Londen (1997) ISBN 0-582-25656-9 ISBN 0-582-25655-0
  • Andrew Wheatcroft The Ottomans: dissolving images (1993, 1995)
  • Cemal Kafadar Between two worlds: the construction of the Ottoman State, uitg. University of California Press, Berkeley (1995) ISBN 0-520-08807-7 en ISBN 0-520-20600-2
  • Halil Inalcik An economic and social history of the Ottoman Empire, 1300-1914, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (1994) ISBN 0-521-34315-1
  • Alan Palmer The decline and fall of the Ottoman Empire (1992, 1993)
  • Re¸sat Kasaba The Ottoman empire and the world economy: the nineteenth century, uitg. State University of New York Press, Albany NY (1988)ISBN 0-88706-804-9 en ISBN 0-88706-805-7
  • Ernst Werner Die Geburt einer Grossmacht, die Osmanen (1300-1481): ein Beitrag zur Genesis des türkischen Feudalismus, uitg. Böhlaus Nachfolger, Weimar (1966, 1985)
  • József Matuz Das Osmanische Reich: Grundlinien seiner Geschichte, uitg. Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt (1985) ISBN 3-534-05845-3
  • Gernot Heiss & Grete Klingenstein Das Osmanische Reich und Europa, 1683 bis 1789: Konflikt, Entspannung, und Austausch, uitg. Oldenbourg, München (1983) ISBN 3-486-51911-5
  • Stanford Shaw History of the Ottoman empire and modern Turkey, 2 delen, Cambridge University Press, Cambridge (1976, 1977)
  • Kemal H. Karpat The Ottoman state and its place in world history, uitg. Brill, Leiden (1974) ISBN 90-04-03945-7
  • Halil Inalcik The Ottoman Empire: the classical age, 1300-1600, uitg. Weidenfeld and Nicolson, Londen (1973) ISBN 0-297-99490-5
  • Bernard Lewis Istanbul and the civilization of the Ottoman empire, uitg. University of Oklahoma Press, Norman OK (1963) ISBN 0-8061-1060-0
  • William Miller The Ottoman empire 1801-1913, uitg. Cambridge University Press, Cambridge (1913)
  • Joseph von Hammer-Purgstall Geschichte des Osmanischen Reiches, 10 delen, uitg. Hartleben, Pest (1827-1835)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Peter B. Golden, An Introduction to the History of the Turkic Peoples: Ethnogenesis and State Formation in Medieval and Early Modern Eurasia and the Middle East (Wiesbaden, 1992); Talat Tekin, Orhon Yazitlari: Kül Tigin, Bilge Kağan, Tunyukuk (Istanbul, 1995); Ergun Çağatay and Doğan Kuban ed., The Turkic Speaking Peoples. 2,000 Years of Art and Culture from Inner Asia to the Balkans (Prestel, 2006),68-81, 83-103; Carter Vaugn Findley, The Turks in World History (Oxford, 2005), 21-55.
  2. Paul Wittek, The Rise of the Ottoman Empire (London, 1938); Fuad Köprülü, Les origines de l’empire ottoman (Paris, 1935).
  3. Halil Inalcik, ‘Osman Ghazi’s siege of Nicaea and the Battle of Bapheus’, in: ibid, Essays in Ottoman History (Istanbul, 1998) 55-79.
  4. Inalcik, Osmanlı tarihini yeniden yazmak. Kuruluş (Istanbul, 2010) 56.
  5. Halil Inalcik, "The Question of the Emergence of the Ottoman State" in: International Journal of Turkish Studies, II (1980) 71-79
  6. Inalcik, Osmanlı tarihini, 57.
  7. Halil Inalcik, ‘Osman Ghazi’s siege of Nicea and the Battle of Bapheus’, ed. Zachariadou, The Ottoman Emirate, 77-100.
  8. Âşık Paşazâde, Tevârîh-i, 287.
  9. a b Ömer Lûtfi Barkan, ‘Istilâ devirlerinin Kolonizatör Türk dervişleri ve Zaviyeler’, Vakıflar Dergisi II (1942) 274-386.
  10. Leslie P. Peirce, The Imperial Harem. Women and sovereignty in the Ottoman Empire (New York, 1993) 16, 33.
  11. Linda T. Darling, ‘Persianate sources on Anatolia and the early history of the Ottomans’, Studies in Persianate Societies 2 (2004) 126-144; Kerimuddin Mahmud Aksarayi, Müsameret’ül Ahbâr: Moğollar zamanında Türkiye Selçukluları Tarihi, ed. Osman Turan (Ankara, 1944), translated by Mürsel Öztürk (Ankara, 2000).
  12. Halil Inalcik, The Ottoman Civilization Vol. I (Ankara, 2009).
  13. Kafadar, Between two worlds, 136-138.
  14. Mustafa Çetin Varlık, Germiyanoğulları Tarihi, 1300-1429 (Istanbul, 1974) 32-33, 40; Paul Wittek, Menteşe Beyliği, 36, 40, 46
  15. Uyar and Erickson, A Military History of the Ottomans, 15-21.
  16. Imber, The Ottoman Empire, 42-43.
  17. Kemalpaşazâde, Tevârih-i Âl-i Osman, IV. Defter, ed. Koji Imazawa (Ankara, 2000), 237-39
  18. Inalcik, The Ottoman-Turkish civilization, 37.
  19. Jacques Paviot, Les ducs de Bourgogne et la Croisade et l'Orient (Paris, 2003), 23, 31-36
  20. Aziz S. Atiya, The Crusade in the Later Middle Ages (California, 1938), 430-45.
  21. Dimitris Kastritsis, The Sons of Bayezid. Empire Building and Representation in the Ottoman Civil War of 1402-1413 (Leiden, 2007).
  22. I. H. Uzunçarşılı, “Mehmed I”, Islam Ansiklopedisi, vol. 7, 496-506
  23. Halil Inalcik, “Murad II”, Islam Ansiklopedisi, vol. 8, 598-615
  24. Bertrondon de la Broquière, Le voyage d'outremer de Bertrandon de la Broquière : premier conseiller de Philippe le Bon, duc de Bourgogne, ed. Ch. Schefer (Paris, 1892), pp. 181-182: ‘On m'a dist aussi qu'il het assés la guerre et ainsi me le samble il, car s'il vouloit exequiter la puissance qu'il a et sa grant revenue, veu la petite resistence qu'il treuve en la crestienté, ce seroit à luy legiere chose à en conquester une grant partie.’ [...] p. 184: ‘Il est moult bien obey en son pays et de ses gens, car ilz font ce qu'il leur commande, sans contredit, se il leur est possible, et fait tout ce qui vuelt que nul ne luy dit riens, au contraire. Il fait de grandes justices et tient son pays en grant seureté et ne fait nulle extorsion à ses gens, c'est assavoir de taille ou d'autre chose.’
  25. Kenneth Meyer Setton, The Papacy and the Levant, 1204-1571: The fifteenth century (1978), 82-106.
  26. Franz Babinger, Mehmed the Conqueror and His Time (New Jersey, 1978), 102; Halil Inalcik, Fatih devri üzerinde Tetkikler ve Vesikalar (Ankara, 1954), 102-115.
  27. Halil Inalcik, The Ottoman Empire: The Classical Age, 1300-1600 (London, 1973), 70-73.
  28. Tursun Beg, Tarih-i Ebu’l Feth [Geschiedenis van de Veroveraar], ed. Mertol Tulum (Istanbul, 1977), 12-13.
  29. Julian Raby, 'A Sultan of Paradox. Mehmed the Conqueror as a Patron of the Arts', in: Oxford Art Journal, Vol. 5, No. 1, Patronage (1982), 6.
  30. Franz Babinger, 'Vier Bauvorschläge Lionardo da Vinci’s an Sultan Bajezid II (1502/3)', Nachrichten der Akademie der Wissenschaften in Göttingen, Philologisch-Historische Klasse, 1 (1952) 20.
  31. Julian Raby, 'A Sultan of Paradox: Mehmed the Conqueror as a Patron of the Arts', (1982), 3-8.
  32. Cigdem Kafesçioglu, Constantinopolis/Istanbul: Cultural Encounter, Imperial Vision and the Construction of the Ottoman Capital (Pennsylvania, 2009).
  33. Geciteerd in Franz Babinger, Mehmed the Conqueror and His Time, vertaald door Ralph Manheim (Princeton, 1978), 249
  34. Andreas Tietze, Mustafa 'Âli’s Counsel for Sultans of 1581, vol. 1 (Vienna, 1979) 51, 142
  35. Account of the Ottoman Conquest of Egypt in the Year A.H. 922/A.D. 1516, Translated from the Third Volume of the Arabic Chronicle of Muhammed ibn Ahmed Ibn Iyas, an Eyewitness of the Scenes He Describes. Translated by W.H. Salmon (London, 1981), 91
  36. Virginia Aksan, The early modern Ottomans : remapping the Empire (Cambridge, 2007); Christine Isom-Verhaaren, Allies with the Infidel: The Ottoman and French Alliance in the Sixteenth Century (New York, 2011).
  37. Christen Isom-Verhaaren, Allies with Infidel. The Ottoman and French Alliance in the 16th century (New York, 2011).
  38. Benjamin Schmidt, Innocence abroad: the Dutch imagination and the New World, 1570-1670 (Cambridge, 2001) 103.
  39. P. Leendertz ed., Het geuzenliedboek (Zutphen 1924-1925) 245
  40. Cengiz Orhonlu, Osmanlı İmparatorluğunun Güney Siyaseti: Habeş Eyaleti (Istanbul, 1974).
  41. Salih Özbaran, Yemen’den Basra’ya Sınırdaki Osmanlı (Istanbul, 2013); Giancarlo Casale, The Ottoman Age of Exploration (New York, 2010); Salih Özbaran, Ottoman Expansion towards the Indian Ocean in the 16th century (Istanbul, 2009); Palmira Brummett, Ottoman Sea Power and Levantine Diplomacy in the Age of Discovery (New York, 1994).
  42. Zakari Dramani Issifou, L’Afrique noire dans les relations internationales au 16ème siècle (Paris, 1982).
  43. Svat Soucek, Piri Reis and Turkish Mapmaking after Columbus (London, 1992)
  44. Palmira Brummett, 'Ottoman expansion in Europe, 1453-1606', in: Cambridge History of Turkey, vol. 2: The Ottoman Empire as a World Power, ed. Suraiya Faroqhi (Cambridge, 2013), 73.
  45. Rifa'at Ali Abou-El-Haj, Formation of the Modern State: The Ottoman Empire, Sixteenth to Eighteenth Centuries (New York, 2005), 11-20.
  46. Jane Hatheway, Mutiny and Rebellion in the Ottoman Empire (University of Wisconsin Press, 2004).
  47. Eric Dursteler, Venetians in Constantinople: Nation, Identity, and Coexistence in the Early Modern Mediterranean (Baltimore, 2006).
  48. Daniel Vitkus, Turning Turk: English Theater and the Multicultural Mediterranean, 1570-1630 (London, 2003).
  49. Nurhan Atasoy and Lale Uluç, Impressions of Ottoman Culture in Europe, 1453-1699 (Istanbul, 2012)
  50. Ghiselin de Busbecq, Vier brieven over het gezantschap naar Turkije (Amsterdam, 1994).
  51. Fuad Köprülü, The Origins of the Ottoman Empire, ed. Gary Leiser (New York, 1992; oorspronkelijk 1935), 11-21, 87-88
  52. Köprülü, The Origins of the Ottoman Empire, 111-116.
  53. Friedrich Giese, ‘Das Problem der Entsehung des Osmanischen Reiches’, Zeitschrift für Semitistik und verwandte Gebiete, 2 (1924): 246-271
  54. Ibn Battuta, Rihla Ibn Battuta, ed. Karam al-Bustani (Beirut, 1964), 285-287
  55. Golden, An Introduction to the History of the Turkic Peoples, 5-6, 356-66.
  56. Inalcik, ‘The Status of the Greek Orthodox Patriarch under the Ottomans’ Turcica 21-23 (1991) 409
  57. Inalcik, “The Policy of Mehmed II toward the Greek population of Istanbul and the Byzantine buildings of the city”, Dumbarton Oaks Papers, 23-25 (1969-1970): 231-249
  58. Halil Inalcik, “Djizya”, Encyclopaedia of Islam, second edition, Brill Online, 2013
  59. Halil Inalcık, “The Çift-Hane System and Peasant Taxation”, ibid, From Empire to Republic. Essays on Ottoman and Turkish Social History (Istanbul, 1995), 61-72.
  60. Âşık Paşazâde, Tevârîh-i Âl-i Osmân, 282
  61. Ibidem, 284.
  62. Moise Franco, Essai sur l’histoire des Israelites des l’Empire Ottoman depuis les origines jusqu’a nos jours (Paris, 1897), 27.
  63. Naim Güleryüz, The History of the Turkish Jews (Istanbul, 1991), 7.
  64. Abraham Galanté, Histoire des Juifs d'Istanbul, depuis la prise de cette ville en 1453 par Fatih Mehmet II jusqu’a nos jours, vol. 1 (Istanbul, 1941), 7-11.
  65. Cornell H. Fleischer, Bureaucrat and Intellectual in the Ottoman Empire: the Historian Mustafa Ali, 1541-1600 (Princeton, 1986), 282.
  66. Fuad Köprülü, Türk Edebiyatında Ilk Mutasavvıflar (Ankara, 2009), 46-47, 52.
  67. Emel Esin, İslamiyetten Önceki Türk Kültür Tarihi ve İslâma Giriş (Istanbul, 1978), 163-84; Jean-Paul Roux, La Religion des Turcs et des Mongols (Paris, 1984), 59-98; Irene Mélikoff, ‘Les origins centre-asiatique du soûfisme anatolien’, Turcica XX (1988) 7-18.
  68. Voor de bespreking van de Osmaanse politieke theorie: Halil Inalcik, The Ottoman Empire, 65-69; ibid., ‘The Ottoman Succession’, 44-61; ibid., ‘Decision making in the Ottoman State’, in: Essays in Ottoman History (Istanbul, 1998), 113-21; ibid., ‘State, Sovereignty and Law during the Reign of Süleymân’, in: Süleyman the Second and His Time, Cemal Kafadar and Halil Inalcik ed. (Istanbul, 1993), 55-92; Gottfried Hagen, ‘Legitimacy and World Order’, in: Legitimizing the Order. The Ottoman Rhetoric of State Power, ed. Hakan Karateke and Maurus Reinkowski (Leiden, 2005), 55-83;
  69. Sevket Pamuk, A Monetary History of the Ottoman Empire (Cambridge, 2000); Huri Islamoglu-Inan, The Ottoman Empire and the World-Economy (New York, 1989); Gabor Agoston, Guns for the Sultan: Military Power and the Weapon Industry in the Ottoman Empire (Cambridge, 2005).
  70. Ariel Salzmann, Tocqueville in the Ottoman Empire: Rival Paths to the Modern State (Leiden, 2005).
  71. Gabor Agoston, in: Encyclopedia of the Ottoman Empire, 26.
  72. Tarih-i Cevdet, vol. 8, p. 123-124.
  73. Inalcik, Quataert, An Economic and Social History of the Ottoman Empire, 11-14, 145-147.
  74. D. Quataert, The silk-Industry of Bursa, 1880-1914, 284-299; Mehmed Genç, Osmanli Ekonomisi ve Savas (1984) 52-61; H. Inalcik, When and how British cotton goods invaded the Levant markets, 374-382.
  75. H. Inalcik, Centralization and Decentralization in Ottoman Administration (1977), 27-52.
  76. Ibidem, 55.
  77. De term 'wereld-systeem' werd ingevoerd door Immanuel Wallerstein, zie o.a.: ibid, Historisch Kapitalisme (1984), 7; ibid, The Modern World-System: Mercantilism and the Consolidation of the European World-Economy, 1600-1750 (New York, 1980);
  78. M. Genç, A study of feasibility of 18th century Ottoman finacial records (1987), 352-353.
  79. Ibidem, 373-374.
  80. Caglar Keyder, State and Class in Turkey. A Study in Capitalist Development (London, 1987).
  81. Sevket Pamuk, Osmanli ekonomisi ve Dünya Kapitalizmi (Istanbul, 1994) 63-64.
  82. Keyder, 'State and Class in Turkey, 41-46.
  83. H. Kaçar, Het Osmaanse rijk en het kapitalistische wereld-systeem. Een sociaal-economische geschiedenis interpretatie (2001), ongepubl. Lic. thesis, UGent, 57-58.
  84. İsmail Hakkı Uzunçarşılı, Enver Ziya Karal, Osmanlı Tarihi, vol. 5 (Ankara,1961, 1988) 152; H. A. R. Gibb and Harold Bowen, Islamic Society and the West: A Study of the Impact of Western Civilization on Moslem Culture in the Near East, vol. 1 (Oxford, 1950) 181-185, 280;
  85. Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford, 2002) 36.
  86. Ibidem, 74-76.
  87. Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (Montreal, 1964) 3-4, 18.
  88. Ibidem, 56.
  89. Donald Quataert, “Janissaries, Artisans and the Question of Ottoman Decline 1730-1826,” in idem, ed., Workers, Peasants and Economic Change inthe Ottoman Empire 1730-1914 , 197-203(Istanbul: Isis Press, 1993).
  90. Ibidem, 201-202.
  91. H. Inalcik & D. Quataert, An economic and social history of the Ottoman Empire, 1300-1914 (Cambridge, 1994) 18-23.
  92. R. Bakker, & L. Vervloet & A. Gailly, Geschiedenis van Turkije (Amsterdam-Leuven, 1997) 81
  93. Raymond Detrez & Jan Blommaert, Nationalisme. Kritische Opstellen (Antwerpen 1994) 8-29; W.A.R. Shadid & P. S. Van Koningsveld, Muslims in the Margin. Political Responses to the Presence of Islam in Western Europe (Kampen 1996) 15-51.
  94. Erik J. Zürcher, Moderne Geschiedenis van Turkije (1995) 33.
  95. Encyclopedia of the Ottoman Empire, 421.
  96. Stoianovich, The Conquering Balkan Orthodox Merchant, 310–12
  97. Clogg, A Concise History of Greece , 25–26
  98. Zürcher, Moderne Geschiedenis, 31-32.
  99. Clogg, A Concise History of Greece, 31
  100. Jelavich, History of the Balkans, 204–205
  101. Sowards, Steven (14 June 1999). "Twenty-five Lectures on Modern Balkan History: The Greek Revolution and the Greek State". Michigan State University
  102. Laura Richard, Letters and Journals of Samuel Gridley Howe (Boston, 1909) 21–26.
  103. Boime, Social History of Modern Art, 195–196
  104. Encyclopedia of the Ottoman Empire, 422; Zürcher, Moderne Geschiedenis, 34
  105. Johann Gottfried Herder, Auch eine Philosophie der Geschichte zur Bildung der Menschheit, Werke, zweiter Band (Munchen, 1982) 25-98.
  106. Immanuel Kant, Das Völkerrecht: 'Schriften zur Ethik und Religionsphilosophie', zweiter Teil, Band 7 (Darmstadt, 1983).
  107. G.W.F. Hegel, Vorlessungen zur Aesthetik, Band 12 (Stuttgart, 1965).
  108. G.W.F. Hegel, Philosophie der Geschichte, Band 11 (Stuttgart, 1971).
  109. Şükrü Hanioğlu, A Brief History of the Late Ottoman Empire(Princeton, 2008)
  110. Voor Marx' en Engels' geschriften over het Osmaanse rijk, zie: Marx-Engels, Institut für Marxismus-Leninismus beim ZK der SED, Werke, Band 9 (Berlin, 1960)
  111. F. Engels, 'Worum es in der Türkei in Wirklichkeit geht', ibid. 13-17.
  112. K. Marx, 'Unruhen in Istanbul - Tischdrücken in Deutschland - Das Budget', ibid. 67-74.
  113. Engels, 'Worum es in der Türkei in Wirklichkeit geht', ibid. 13-17.
  114. F. Engels, 'Die Türkische Frage', ibid. 22-27.
  115. ibidem.
  116. F. Engels, 'Was soll aus der eurapaeischen Turkei werden?', ibid., 31-35.
  117. Burak Turna, 1909 İstanbul Düştü Parvus'un Askerleri (Istanbul, 2013).
  118. Rudolph Peters, Islam and Colonialism. The Doctrine of Jihad in History (Den Haag, 1979).
  119. Finkel, The story of Ottoman Empire (2005), 527-30.
  120. Sean McMeekin, 'The Berlin-Baghdad Express: The Ottoman Empire and Germany's bid for world power. 2010
  121. Kathie Somerwil-Ayrton, The train that disappeared into History: the Berlin-Baghdad Railway and how it led to the Great War (Aspekt, 2007)
  122. Caroline Finkel, The Story of the Ottoman Empire, 1300-1923 (London, 2005), p. 533.
  123. Prof. Dr. Erik-Jan Zürcher: De Armeense kwestie, Turkije Instituut, 2009
  124. Onder hen bevinden zich Prof. Dr. Bernard Lewis, Prof. Dr. Guenter Lewy, Prof. Dr. Heath Lowry en Prof. Dr. Paul Dumont
  125. Documentaire Andere Tijden, VPRO
  126. Hovhannes Katchaznouni: The Armenian Revolutionary Federation (Dashnagtzoutiun) Has Nothing to Do Anymore, ARF, 1923
  127. a b Erik-Jan Zürcher, Een geschiedenis van het moderne Turkije, Nijmegen (SUN uitgeverij) 1995, ISBN 90-6168-438-2, (pagina 166 en verder)
  128. Justin McCarthy, Death and Exile: The Ethnic Cleansing of Ottoman Muslims, 1821-1922 (London, 1996).
  129. Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (London,2001).
  130. Justin McCarthy, The Armenian Rebellion at Van (Utah, 2006).
  131. Guenter Lewy, The Armenian Massacres in Ottoman Turkey: A Disputed Genocide (Utah, 2007).
  132. Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (London, 1961).