Over (cricket)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De over is een cricketterm om een groep te bowlen (gooien) ballen aan te duiden. Een over bestaat tegenwoordig uit 6 ballen die worden gebowld (gegooid). Een over wordt gebowld door één bowler. In gevallen dat de speler de over niet kan afmaken, bijvoorbeeld door blessures, kan de umpire beslissen de over door een andere speler te laten uitbowlen. Wides en no-balls tellen niet mee voor de 6 ballen die worden gebowld.

Aan het einde van iedere over zal een andere bowler vanaf het andere uiteinde van de pitch gaan bowlen. Ook de fielders veranderen dan van positie, vaak de positie recht tegenover de positie waar ze stonden. Omdat er dus ook aan de andere kant van de pitch wordt gebat, staat de fielder dan ten opzichte van de batsman dan op dezelfde plaats.

Een speler mag maar een bepaald aantal overs per wedstrijd bowlen, meestal komt dit erop neer dat een speler maximaal 20% van het maximum aantal overs in de wedstrijd mag bowlen. In eendaagscricket is dit vaak 10 overs, bij Twenty20 is dit 4 overs en in testmatch-cricket is er een maximum aantal overs per dag. Deze restrictie is ervoor gemaakt, zodat de hele wedstrijd niet door 2 spelers per partij wordt gebowld, wat niet de bedoeling is van het spel.

Een over heeft niet altijd uit 6 ballen bestaan. In het verleden waren overs van 4 ballen of 8 ballen soms gebruikelijk.