Paddan-Aram

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Paddan-Aram (Hebreeuws פדנה ארם) was volgens het bijbelboek Genesis een vroeg Aramees koninkrijk in Mesopotamië, gelegen in het noorden van Aram-Nahraim. Paddan-Aram ligt tussen twee rivieren de Tigris en de Eufraat. De hoofdstad van Paddan-Aram was Harran. Paddan Aram betekent "het gebied van Aram". De naam kan overeenkomen met het Hebreeuwse "sedeh-Aram," of "gebied van Aram." (Gen. 25:20; Hos. 0:13)

In de Hebreeuwse Bijbel[bewerken]

Paddan-Aram of Padan verschijnt 11 keer in 11 verzen in de Hebreeuwse Bijbel, allemaal in Genesis.

Volgens Genesis 11:31 was de stad Harran, waar Abraham en zijn vader Terach woonden terwijl ze na het verlaten van Ur der Chaldeeën op weg waren naar Kanaän, gelegen in Paddan-Aram. Abraham stuurde zijn hoofddienaar terug naar deze plek om een vrouw voor zijn zoon Isaak te vinden.

Abrahams neef Bethuel, de zoon van Nachor en Milka en vader van Laban en Rebekka, woonde in Paddan-Aram (Gen. 25:20). Rebekka stuurde Jakob er naartoe, uit de buurt van Esau, om toevlucht daar te vinden. In Mesopotamië trouwde Jakob met Lea en later met Rachel, beiden dochters van zijn oom Laban (Gen. 29:27).

In Rabbijnse interpretatie[bewerken]

Rabbi Isaac leerde dat de mensen van Paddan-Aram schurken waren en dat Rebekka was als een lelie onder de doornen. Rabbi Isaac beschouwde Rebekka's verblijf in Paddan-Aram dus als symbool van Israël onder de volken.