Brabantgouw
De Gouw Brabant (ook Brabantgouw, Pagus Bracbantensis, of Pagus Bracbatensis) is een historisch gebied in de Nederlanden. Het was onderdeel van het hertogdom Lotharingen. De Brabantgouw bestond mogelijk al in de 7e eeuw. Hij wordt uitdrukkelijk vermeld in de Karolingische rijksverdelingen. Bij het Verdrag van Meerssen (870) bestond hij al uit vier graafschappen.
Inhoud |
[bewerken] Etymologie
Brabant sluit kennelijk aan bij de klasse van gouwnamen waartoe ook Ostrobant, Teisterbant, enz. behoren. Het tweede element "-bant" duidt op een territoriale omschrijving. De betekenis van het eerste element "brac" (ook brag-, brach-) is onzeker.
[bewerken] Ligging
De Brabantgouw heeft territoriaal slechts een klein deel gemeen met het in 1183 opgerichte hertogdom Brabant. De gouw was grotendeels omsloten door waterlopen: in het westen door de Schelde tot aan de Rupelmonding, vandaar verder langs de Rupel en via de loop van de Dijle. In het zuiden liep de grens grotendeels langs de Hene. Vanaf haar bronnen liep de grens oostwaarts door een woudgordel om de kring te sluiten aan de loop van de Dijle, wellicht aan haar zijrivier de Lasne, ten oosten van Nijvel (ter hoogte van Baisy-Thy).
[bewerken] Bestuur
De bestuurder van een pagus of gouw was een gouwgraaf, die rechtstreeks in dienst van de koning of keizer stond. Er zijn evenwel geen namen van gouwgraven van Brabant overgeleverd, wat het vermoeden wekt dat de gouw deel uitmaakte van de hertogelijke ambtslenen in Neder-Lotharingen. Het geslacht Verdun beschikte bijvoorbeeld over verscheidene allodiale bezittingen (Ename, Velzeke, Asse, Affligem, Aalst-Hessegem-Lede). De vroegste oorkondelijke vermelding van een graaf van Brabant betreft Herman van Verdun (†1024), zoon van hertog Godfried de Gevangene, doch in zijn tijd was het graafschap Brussel (tussen Zenne en Dijle) reeds uit de gouw losgemaakt.
De Brabantgouw bestond aanvankelijk uit vier deelgraafschappen:
- Graafschap Brussel (historiografisch Ukkel genoemd, doch diplomatieke bronnen over deze benaming ontbreken), gelegen tussen Zenne en Dijle
- Graafschap Ename, in latere eeuwen ook graafschap Aalst genoemd: het noordwestelijke deel van de Brabantgouw tussen Schelde en Dender
- Landgraafschap Brabant (benaming vanaf omstreeks 1086), gelegen tussen Dender en Zenne.
- De zuidelijke helft van de Brabantgouw, in zijn geheel vanaf de 11e eeuw onder het graafschap Henegouwen. Volgens de 20e-eeuws historicus P. Bonenfant (1899-1965), zou dit landsgedeelte bestaan hebben uit twee (denkbeeldige) graafschappen Halle en Chièvres. Deze worden echter nergens betuigd in contemporaine bronnen. Deze opdeling vond de geleerde waarschijnlijk, omdat hij aannam dat de Brabantgouw in ongeveer vier gelijke delen was verdeeld. Bonenfant wist echter nog niet af van het bestaan van het landgraafschap Brabant tussen Dender en Zenne, dat hij onterecht als een deel van het graafschap Brussel beschouwde. Er bestaat een narratieve bron die in de 10e eeuw de standplaats van de bestuurder van het zuidelijke graafschap situeert in Chièvres.
[bewerken] Verdere ontwikkeling
Vanaf de 11e eeuw vindt de gouwnaam nog slechts toepassing als geografische verwijzing en heeft zij steeds minder institutioneel belang. De vier graafschappen uit de Brabantgouw werden ook reeds door verschillende stamgeslachten bestuurd:
- Het graafschap Brussel (tussen Zenne en Dijle) kwam onder de graven van Leuven omstreeks het jaar 1000. De aanwinst van dit graafschap wordt in de kronieken van Brabant verklaard via de Karolingische bruidsschat van Gerberga van Neder-Lotharingen (gehuwd met Lambert I van Leuven), dochter van de toenmalige hertog van Neder-Lotharingen.
- Omstreeks 1024 verwierf graaf Reinier V van Bergen de zuidelijke helft van de gouw in opvolging van zijn schoonvader en vorige gouwgraaf van Brabant, Herman van Ename. Vanaf 1070 werd dit graafschap opgenomen in het gerefeodaliseerde graafschap Henegouwen (samen met het allodiale graafschap Bergen en het markgraafschap Valenciennes).
- Boudewijn V van Vlaanderen (meer bepaald via een niet nader genoemde zoon) werd door keizer Hendrik III op een hofdag te Goslar op 7 april 1044 het markgraafschap toegewezen tussen Schelde en Dender, inbegrepen het Land van Dendermonde. In 1045 werd hem de mark echter al ontnomen, omdat de graaf van Vlaanderen zich had aangesloten bij de rebellerende hertog Godfried met de Baard. Na zijn knieval voor de Duitse keizer in 1056 werd het rijksleen aan Boudewijn V teruggegeven, vermoedelijk na de twee vredesbesprekingen van Andernach (1056 en 1059) met de keizerlijke legerleiders, paltsgraaf Hendrik I van Lotharingen en de rijksbisschop Anno II van Keulen.
- Het resterende deel van de gouw, namelijk de landstrook tussen Dender en Zenne, was tussen 1044/1056 en 1085 een paltsgrafelijk ambtsleen. Na de dood van paltsgraaf Herman II van Lotharingen (20 september 1085) werd het betrokken graafschap in leen gegeven aan graaf Hendrik III van Leuven. Hij kreeg dit rijksleen onder vorm van landgraafschap, zodat het onttrokken was aan het overstijgend gezag van de hertog van Neder-Lotharingen. Tegelijk werd de graaf ook beschermheer van de geestelijke instellingen binnen dit Brabants gebied, in het bijzonder de abdij van Affligem, het uitgestrekte abdijdomein rondom Lennik van de abdij van Nijvel en het allodium rondom Sint-Pieters-Leeuw van het Sint-Pieterskapittel van Keulen (zie verder Landgraafschap Brabant).
[bewerken] Historiografie
- Bonenfant, P., ‘Quelques cadres territoriaux de l’histoire de Bruxelles (comté, ammanie, quartier, arrondissement)’, Annales de la Société royale d’Archéologie de Bruxelles 38 (Brussel 1934) 5-45.
- Bonenfant, P., ‘Le pagus de Brabant’, Bulletin de la Société belge d’études géographiques 5 (1935) 25-76.
- Nonn, U., Pagus und Comitatus in Niederlothringen. Untersuchungen zur politischen Raumgliederung im früheren Mittelalter. Bonner Historische Forschungen 49 (Bonn 1983).
- Piot, C., Les pagi de la Belgique et leurs subdivisions pendant le Moyen Age. Mémoires couronnés et mémoires des savants étrangers publiés par l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique 39 (Brussel 1876) 1-260.
- Van Droogenbroeck, F.J., 'De betekenis van paltsgraaf Herman II (1064-1085) voor het graafschap Brabant', Eigen Schoon en De Brabander 87 (Brussel 2004) 1-166.