Paleolithische kunst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het paleolithicum is de langste etappe in de geschiedenis van de mens. Gedurende deze periode leefden onze voorouders van de jacht en van het verzamelen van planten Ze organiseerden zich in stammen. Hun gereedschap was van bewerkte steen, van hout en van bot. De eigenlijke kunst ontstond in het jong-paleolithicum, vanaf 35000 jaar voor Christus, wanneer de moderne mens zowat de hele aarde bevolkte. Nochtans lijken de belangrijkste uitingen van paleolithische kunst, om niet te zeggen de enige, zich te beperken tot Europa, ten zuiden van de ijsgrens tijdens Weichsel Glaciaal. Het is zelfs zo dat de muurschilderkunst zeer sterk geconcentreerd is in Spanje en de zuidelijke helft van Frankrijk met enkele occasionele vondsten in de omringende landen. Kunst met betrekking tot kleinere, transporteerbare voorwerpen is veel meer verspreid, niet alleen in Spanje en Frankrijk, maar ook in de Donau- en de Donvallei, in het Baikal-afwateringsgebied en zelfs tot in Azië. In de rest van de wereld zijn sporadische vondsten gedaan. Sinds de eerste ontdekkingen van paleolithische artistieke voorwerpen in de 19e eeuw[1], stelde zich het raadsel van de betekenis van deze kunst. Tegenwoordig gaat men er van uit dat het om kunst gaat met een religieuze betekenis en dat de thema's die aan bod komen intiem verbonden zijn met de natuurlijke omgeving en zijn numina. Daarnaast is er de onmiskenbare esthetische en artistieke waarden van deze kunst: de prehistorische kunstenaars toonden, in enkele gevallen een graad van perfectie en een zin voor schoonheid die zich kan meten met die van kunstenaars van andere tijdperken.

Inhoud

Voorgeschiedenis [bewerken]

In eerdere periodes van de Prehistorie voltrok zich de menselijke evolutie van prehominide wezens naar de eigenlijke moderne mens. Voor een groot stuk van deze evolutie zijn er aanwijzingen voor meer primitieve vormen van deze kunst. [2]

1rightarrow.png Prehistorische muziek
Paleolithic horse3.JPG
Paleolithische kunst: Paardenhoofd gekerfd in ivoor
Mas d'Azil (Pyreneeën, Frankrijk)
Musée d'archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye
  • Tijdens een deel van het Oud paleolithicum (500 000-150 000 v.Chr.) leefden de "voor-Neanderthalers" in Europa. Ze beheersten al het vuur en vertoonden in hun gereedschap een zekere zin voor schoonheid die de zuivere functionaliteit oversteeg. Het duidelijkst is het streven naar symmetrie, bijvoorbeeld in vuistbijlen. Tot voor kort waren er geen aanwijzingen dat de neanderthalers zin hadden voor religie of voor kunst. Enkele recente vondsten geven aanwijzingen voor het tegendeel. Het gaat hier bijvoorbeeld om enkele vondsten in Noord-Afrika (zoals El Gettar in Algerije) en in Duitsland (vb een botfragment van een woudolifant gegraveerd met parallelle lijntjes[2], vindplaats van ± 400 000 jaar geleden, Bilzingsleben). Ze voldoen echter niet als definitief bewijs voor deze stelling)[3]. De vondsten van Sima de los Huesos in de Sierra de Atapuerca, lijken echter een bewuste opeenstapeling van lijken met religieuze doeleinden. Als we daar de ontdekking aan toevoegen van een minutieus gemaakte vuistbijl (met de mooie naam van "Excalibur"), kunnen we vermoeden menselijke wezens al in het Midden Pleistoceen een religieus geloof hadden dat later aanleiding gaf tot het ontstaan van kunst. Het meest revolutionaire is echter de ontdekking geweest van kleine beeldjes die, hun ruwe voorkomen ten spijt, geïnterpreteerd worden als vrouwenfiguren: de Venus van Berekhat Ram (de Golanhoogte) en de Venus van Tan-Tan (Marokko). Beide zijn echter omringd door twijfels en het valt te hopen dat toekomstige vondsten bevestiging opleveren.
  • Tijdens het Midden-Paleolithicum (200 000-35 000 v.Chr.), werden West-Europa en de kusten van de Middellandse Zee bewoond door de neanderthaler. Deze mensensoort had al een rudimentaire symbolische taal ontwikkeld, een religieus geloof en waarschijnlijk de eerste vormen van kunst. Opgravingen tonen immers aan dat deze mens eigenaardige objecten verzamelde (fossielen, kristallen) en dat hij bepaalde vormen van versiering uitwerkte. Heel gekend zijn de geperforeerde botfragmenten zoals deze van Lunel-Viel en Port-Launay en de oudste van de Grot van Las Grajas (Archidona, Málaga die zou kunnen dateren van het Riss Glaciaal, zo'n 200 000 jaar v.Chr. Ook in Frankrijk, in Pech de l'Aze werd een runderrib met inkervingen gevonden die dateert van het interglaciaal Mindel-Riss. Buiten de Europese sfeer is de vondst van twee okeren plaatjes met abstracte, maar bewust aangebrachte, tekeningen met een netvormig lijnenspel met een duidelijk geometrisch opzet in de grot van Blombos[3] (Zuid-Afrika). Deze plaatjes zijn ongeveer 70 000 jaar oud (middensteentijd) en werd in verband gebracht met andere okeren blokjes die werden gebruikt als een pigment om het lichaam te versieren. Het is de eerste keer dat dergelijk type okerstenen enige vorm van decoratie bewaart. Bovendien zijn er in de grot van Blombos talrijke versieringen van doorboorde schelpen gevonden, zij het dat deze bevinding omstreden is.
  • Maar de echte schepper van plastische kunstwerken is de moderne mens, Homo sapiens sapiens, die Europa ongeveer 40.000 jaar geleden koloniseerde en wiens aanwezigheid samenvalt met het tijdvak dat jong Paleolithicum genoemd wordt. Vaak wordt gezegd dat paleolithische kunst rotskunst is omdat bijna alle vondsten werden gedaan bij opgravingen van grotten of werden aangetroffen op de wanden ervan. Nochtans is niet alle rotskunst paleolithische kunst (deze kunst werd immers nog lang erna beoefend, ook in andere tijdvakken), noch werd alle paleolithische kunst in grotten gevonden.

De paleolithische kunst van het Frans-Spaanse gebied [bewerken]

De rotschilderkunst is eigen aan de Frans-Spaanse zone: in Frankrijk zijn er meer dan 130 grotten, waarvan zeker die van Aquitanië opvallen (vb. Lascaux, Pech-Merle, Les Combarelles, Laugerie, La Madeleine...) alsook die van de Pyreneeën (vb. Niaux, Les trois-Frères, Le Tuc d'Audubert, Mas d'Azil, Bédeilhac...). In Spanje zijn er zowat 60 grotten, quasi allemaal in Cantabrië met als uitschieters de grotten van Ekain, Monte Castillo, Tito Bustillo of van Altamira, alhoewel er ook af en toe gevonden worden in de Meseta (Siega Verde in de provincie Salamanca, Domingo García in de provincie Segovia, Maltravieso in Cáceres, Los Casares in Guadalajara...) en bovenal aan de Middellandse Zee-kust (vb La Pileta en Nerja in Málaga...). Deze opvallende verzameling rotsschilderkunst op het zuidelijke puntje van het Iberisch Schiereiland (lokaal ook wel "Arte Sureño" genoemd omvat meer dan 180 beschilderde grotten uit de hele Prehistorie. Vooral interessant zijn de oudste figuren die dateren uit het jong Paleolithicum (Solutrense). Er zijn ook zeldzame voorbeelden van dergelijke kunst te vinden buiten Frankrijk en Spanje, zoals de Grotta dell'Adaura en Italië of Kapova in Rusland. De arte mobiliar is daarentegen goed vertegenwoordigd in heel Europa.

Vindplaatsen van paleolithische kunst in Europa

Mobiele kunst [bewerken]

Het gaat om artisanaal bewerkte voorwerpen die per definitie vervoerd kunnen worden. Niettemin kunnen we ze wel situeren in een bepaalde archeologische context vertrekkende van de plaats waar ze opgegraven worden. Deze persoonlijke of huishoudelijke voorwerpen moeten ofwel een ritueel karakter moeten hebben gehad ofwel gediend hebben als een soort statussymbool, vb halskettingen van steent, hout of schelpen. Vaak gaat het om votiefvoorwerpen of voorwerpen met een praktisch nut zoals harpoenpunten, speerpunten gemaakt uit bot, etc. Ze vertonen abstracte of figuratieve tekeningen, gekerfd of geschilderd of soms beide. Ook zijn er puur ceremoniële objecten gevonden die veel meer betekenis hadden dan loutere sieraden. Zo zijn er bijvoorbeeld de kleine beeldjes (Venusbeeldjes, gegraveerde plaatjes, vb. die van Parpallo) of beeldjes van dieren zoals de bekende bizon van La madeleine, uitgesneden uit bot, waarvan de betekenis zonder enige twijfel van religieuze aard is.

Mobiele kunst: hert gekerfd in een doorboorde hoorn (grot van El Castillo, Cantabrië)
Arte parietal:
Geschilderde dieren in de grot van La Pileta
(Benaoján, Málaga)

Wandkunst [bewerken]

Zoals eerder aangegeven vindt men de meeste wandschilderingen in West-Europa. De meeste deze rotsschilderingen vindt men in de diepst gelegen grotgedeeltes, hoewel het woongedeelte altijd rond de ingang van de grot te vinden waren. Niettemin zijn er enkele uitzonderingen zoals in de grot van Laussel, Roc de Sers (Frankrijk) of in La Viña (Oviedo). Wandkunst omvat rotschilderingen en reliëftekeningen. De voornaamste thema's zijn dieren, ideomorfe teken en afbeeldingen van mensen.

Gebruikte technieken [bewerken]

Er is geen architectuur gekend uit deze periode, enkel sculpturen en tekeningen op steen of bot. De tekeningen kunnen uitgekerfd of geschilderd zijn en de sculpturen omvatten beeldjes en reliëfs.

  • De schilderkunst: er werden één of twee kleuren gebruikt die men bekwam door gebruik van minerale (mangaan voor zwart, oker voor rood en geel) of organische oorsprong (houtskool) samen met een organisch bindmiddel (hars of vet). De kleuren werden direct op de rots gesmeerd met de vingers, maar soms werd de verf op de rots gespuwd in een soort aerosol. Soms werden er ook "potloden" gebruikt (verbrande takken waarmee zwart op de wand werd aangebracht en een soort bollen van minerale kleurstof samengehouden door hars) of rudimentaire penselen van plantaardige of dierlijke vezels. Soms worden spleten en bulten in de wand uitgebuit om een dieptegevoel te creëren.
  • De gravure: is een tekening op basis van fijne insnijdingen, op bot of op de rotsen, gemaakt met scherpe instrumenten van silex (burijnen). Gravures verschenen op hetzelfde moment als de schilderkunst, maar ontwikkelde zich vooral op het eind van het Aurignacien en tijdens het Gravettien (van deze periode stammen de gegraveerde plaatjes in El Parpalló (Valencia) om daarna bijna volledig te verdwijnen tijdens het Solutréen. Ten slotte won de gravure terug belangrijk tijdens het Magdalénien met een ongekende variatie aan stijlen, materialen en thema's die later nooit meer geëvenaard werd.
  • Het reliëf: is een gravure waarvan de insnijdingen zo diep zijn dat er een soort beeldhouwwerk ontstaat dat echter niet helemaal los staat van zijn drager, dat m.a.w. niet helemaal vrijstaand is. Zo zijn er bijvoorbeeld de gesculpteerd bizons van de Fourneau du Diable of de befaamde vis van Gorge de l'Enfer, beide in de Dordogne, Frankrijk. Het reliëf kwam enkel voor aan het eind van het Paleolithicum in Europa, meer bepaald in het Magdalénien en bijna steeds in heiligdommen in grotten die minder diep gelegen waren en die verlicht werden door natuurlijk licht.
  • De beeldjes: kleine beeldhouwwerken uit bot of steen, aan alle kanten bewerkt. Het gaat bijna steeds om vrouwenbeeldjes die Venusbeeldjes genoemd worden. Deze vorm van paleolithische kunst is de meest verbreide in Europa en telt verschillende scholen, niet alleen in Frankrijk, maar ook in Centraal- en Oost-Europa. De vrouwen- en dierenbeeldjes stammen in het algemeen uit het gehele Paleolithicum, maar in Frankrijk en Spanje worden de afbeelding van dieren slechts gevonden op het eind van het opper-Paleolithicum.

Thematiek [bewerken]

  • Het gaat vooral om dieren: meestal bizons en paarden, maar er zijn ook herten, beren, geiten.... Af en toe worden er ook andere thema's gevonden.

Noten [bewerken]

  1. In 1834 ontdekte M. Brouillet een bot met twee herten erin gekrast in de grot Chaffaud (Vienne), al wist hij niet dat het ging om een voorwerp van de steentijd. In 1853 realiseerde de Prosper Mérimée zich dat deze en andere vergelijkbare vondsten dateerden van de ijstijd. Het zijn echter Edouard Lartet en Henry Christy die alle vergelijkbare vondsten van de holenmens begonnen in kaart te brengen. In 1864 ontdekten ze een mammoeten gekrast in ivoor in de grot van Madeleine (Dordogne). De meerderheid van de geschiedkundige toonden zich echter sceptisch want ze beschouwden onze voorouders als bruten zonder enig gevoel voor esthetica. Dit was ook de reden waarom de grote ontdekking door Marcelino Sanz de Sautuola van de eerste grot met wandschilderingen, de grot van Altamira in 1879 werd verworpen. De verwerping maakte geleidelijk aan plaats voor aanvaarding door de ontdekking van meer wandschilderingen in Frankrijk waardoor zelfs één van de hardnekkigste tegenstanders Cartailhac zijn ongelijk toegaf in 1902 door de publicatie van "Mea culpa d'un sceptique".
  2. Bednarik, Robert G (2003). The earliest evidence of Paleoart. [1]. Rock Art Research 20 (2): 89-135.
  3. i.v.m. het bot van Bilzingsleben, zie bv. Steven Mithen, The Singing Neanderthals, p. 299: «Enkele lijnen vormen nog geen bewijs voor een symbolische taal. Ik acht de alternatieve verklaring waarschijnlijker volgens dewelke de lijnen op het bot een gevolg zijn van het gebruik als gereedschap bij het snijden van kruiden of vlees; of omdat het gebruikt werd om een percussieritme aan te geven».