Panafrikanisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Panafrikanisme is een filosofie die terrein won tijdens de Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijd. Het panafrikanisme stelt dat de Afrikaanse natiestaat een constructie is van de koloniale mogendheden, en dat alle Afrikaanse landen alsook de Afrikanen die in de rest van de wereld leven zich samen sterk moeten maken om hun belangen in de wereld te behartigen.

Tijdens het koloniale bewind slaagden overal kleine groepen Afrikanen erin zich binnen de oppressieve cultuur van het kolonialisme op te werken en maatschappelijke status te verwerven. Door de koloniale mogendheden werd dit beschouwd als het slagen van hun missie om 'de beschaving te verspreiden' en deze mensen werden met verschillende namen aangeduid zoals 'assimilados' in de Portugese koloniën, 'assimilés' in de Franse koloniën en 'evolués' in Belgisch-Congo. Een kleine groep hiervan ging studeren aan universiteiten in Europa en Amerika waar ze elkaar ontmoetten en kennis maakten met elkaars landen en culturen. Het viel de eerste panafrikanisten op hoezeer de problematiek rondom het koloniale bewind in alle delen van het continent gelijk was en er werd een manifest opgesteld voor 'algehele onafhankelijkheid'.

Panafrikanisme begon echter als een filosofie van Afro-Amerikanen en West-Indiërs, die te maken bleven krijgen met racisme en onderdrukking in hun eigen landen. Daaronder zijn invloedrijke denkers als Edward Wilmot Blyden, W.E.B. Du Bois, Marcus Garvey, Booker T. Washington en George Padmore, die zich reeds vanaf de negentiende eeuw bezighielden met de emancipatie van het zwarte ras en de onafhankelijkheidsstrijd van de Afrikaanse koloniën. Toen uit Afrika zelf afkomstige studenten zich bij hen aansloten werd de beweging sterker maar werd hij van buitenaf nog steeds geridiculiseerd. De belangrijkste panafrikanisten met deze achtergrond waren Kwame Nkrumah, Léopold Senghor, Jomo Kenyatta en Hastings Banda, die later president werden in respectievelijk Ghana, Senegal, Kenia en Malawi. Ook Patrice Lumumba uit Congo-Kinshasa en Amílcar Cabral uit Kaapverdië waren invloedrijke panafrikanisten. Ook in de tweede helft van de twintigste eeuw bleven echter intellectuelen van buiten Afrika invloedrijk in de beweging. Hier zien we namen als Aimé Césaire, Frantz Fanon, beiden uit het Caribisch gebied en Basil Davidson uit Engeland.

Nadat veel Afrikanen mee hadden gevochten voor de vrijheid in het leger van hun koloniale overheersers tijdens de Tweede Wereldoorlog begon het panafrikanisme ook onder gewone Afrikanen terrein te winnen, omdat men zich realiseerde dat men op deze manier ook kon vechten voor de eigen onafhankelijkheid. Ook waren de machtsverhoudingen in de wereld nu zodanig verschoven dat dekolonisatie gerealiseerd kon worden. De meeste panafrikanisten richtten zich nu eerst op nationale onafhankelijkheid, waarna de volgende stap werd om gezamenlijk de westerse grootmachten te weerstaan.

Het eerste onafhankelijke land in Afrika werd Ghana in 1956 met Nkwame Nkrumah als president. Nkrumah wilde het panafrikanisme verder uitbouwen en hij wilde een inspiratiebron zijn voor vrijheidsstrijders elders op het continent. Hij verviel echter tot grootheidswaanzin en werd enkele jaren later weer verstoten.

In recente jaren is een meer pragmatische vorm van panafrikanisme nieuw leven ingeblazen door Thabo Mbeki, de president van Zuid-Afrika, Olusegun Obasanjo, de president van Nigeria, en Abdoulaye Wade, de president van Senegal, met hun New Economic Partnership for African Development (NEPAD) en door het oprichten van de Afrikaanse Unie (AU). Deze programma's richten zich vooral op economische en politieke samenwerking en zijn geïnspireerd op de Europese Unie (EU).

Zie ook[bewerken]