Pand (rechtsvorm)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het recht van pand is een zakelijk zekerheidsrecht waarmee een roerende zaak of een vordering (het onderpand) bezwaard kan worden. Het pandrecht wordt gevestigd om bij voorrang een geldsom te krijgen voor geleverde diensten of goederen in met name faillissementssituaties. De inpandgeving van een onroerend goed heet in België het genotspand.

Inleiding[bewerken]

Diegene die het recht vestigt is een pandgever, degene die het krijgt is de pandhouder. Meestal wordt een pandrecht bedongen bij het verstrekken van een lening of de verkoop van een grote partij goederen die niet direct bij verkoop betaald worden (in dat geval zijn de verkochte goederen vaak het onderpand). Pandrecht is een afhankelijk recht, het is dus onlosmakelijk verbonden aan de vordering ter voldoening waarvan het tot zekerheid strekt. Indien de lening volledig is afgelost of de goederen zijn betaald vervalt automatisch, van rechtswege, het pandrecht.

Onderpand[bewerken]

Op alle roerende zaken en rechten aan toonder kan men pandrecht verlenen, tenzij de aard zich er niet voor leent (het leger zal bijvoorbeeld geen tank mogen verpanden). Ook aandelen, vorderingen en huurpenningen kunnen verpand worden.

Wanneer men een zekerheidsrecht vestigt op een onroerend goed, registergoed, zoals een gebouw, spreekt men van hypotheek.

Soorten pandrecht[bewerken]

Men kent twee soorten pandrecht. Dat zijn het stille pandrecht en het openlijke (vuist) pandrecht[1] . Stil pand betekent slechts dat een akte wordt opgemaakt waarmee de verpanding rond is. Deze akte kan notarieel of onderhands zijn. Het pandrecht gevestigd bij onderhandse akte moet wel worden geregistreerd. Bij vestiging van een vuistpand wordt de zaak in de macht van de pandhouder gebracht. Dit zorgt niet alleen dat het pandrecht naar buiten toe kenbaar wordt, maar versterkt de voorrang van het pandrecht.

Vestiging pandrecht[bewerken]

Voor het vestigen van een pandrecht op een roerende zaak zijn de vereisten van overdracht van overeenkomstige toepassing.

Stil pand (bezitloos pandrecht)[bewerken]

Vestiging van een stil pand kan door middel van een notariële of een onderhandse akte geschieden. De notaris dient de authentieke akte te registreren om het tijdstip van vestiging van het pandrecht vast te leggen. Een onderhandse akte kan geregistreerd worden bij de Belastingdienst.

Vuistpand[bewerken]

Vuistpand wordt gevestigd door de roerende zaak in de handen van de pandhouder te geven, ook kan in handen van een derde (een bewaarnemer) worden gegeven, mits dit is overeengekomen. Voor de vestiging van pand op toonder- of orderpapieren is endossement vereist, een aantekening op de achterkant van het papier dat de vordering verpand is. Zie ook lommerd.

Werking pandrecht[bewerken]

Een pandhouder mag zich een goed niet toe-eigenen indien de schuldenaar verzuimt de op hem rustende vorderingen te voldoen, het goed mag alleen verkocht worden door middel van executoriale verkoop.

Aan de pandhouder komt het recht van parate executie toe, dit is de bevoegdheid om zonder executoriale titel (bijvoorbeeld een gerechtelijk vonnis) en zonder executoriaal beslag over te gaan tot executoriale verkoop om uit de opbrengst de vorderingen te voldoen.

Pandrecht is een zakelijk recht. De pandhouder kan het dus tegen iedereen inroepen, met name tegen de pandgever, tegen de verkrijger van het verpande goed, en tegen de curator in faillissement.

Voorrangsrecht[bewerken]

Pandrecht wijkt slechts voor een zeer beperkt aantal voorrechten (bijvoorbeeld dat voor kosten tot behoud van het goed) en in sommige gevallen voor dat van de fiscus. De pandhouder mag overgaan tot parate executie los van eventuele voorrechten of later gevestigde pandrechten, en in faillissement mag hij het goed uit de boedel halen en verkopen. De pandhouder kan zijn recht uitoefenen alsof er geen sprake is van faillissement, hij heeft een separatistpositie.

Afhankelijk recht[bewerken]

Het pandrecht is een afhankelijk recht: het is zodanig aan de gezekerde vordering verbonden, dat het niet zonder die vordering kan bestaan en die vordering te allen tijde volgt (art. 3: 82 BW). Dus bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser gaat het pandrecht mee over. Dit betekent ook dat het zekerheidsrecht automatisch ('van rechtswege') teniet gaat wanneer de gezekerde vordering teniet gaat, en dat het zekerheidsrecht automatisch de vordering volgt wanneer deze als gevolg van cessie, subrogatie, vererving, boedelmenging of anderszins in het vermogen van een ander geraakt.

Substitutie of zaaksvervanging[bewerken]

Substitutie of zaaksvervanging: ieder recht van pand of hypotheek brengt automatisch een recht van pand mee op alle (schade)vergoedingsvorderingen die in de plaats treden van het verbonden object. Bijvoorbeeld de schade-uitkering door de verzekeringsmaatschappij na verlies door inbraak of tenietgaan door brand, en vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed (art.3:229 BW).

Als een schuldeiser/stil pandhouder bang is dat zich een waardevermindering van het verbonden goed voordoet, bijvoorbeeld omdat de schuldenaar in verzuim is, dan kan hij zijn stil pandrecht omzetten in een vuistpand door het verpande object op te halen bij de pandgever. Hij heeft dan een vuistpandrecht en wordt daarmee zo sterk dat er bijna geen andere rechten meer voorgaan. Ook kan het verbonden object tenietgaan door vermenging of gebruik voor een nieuw object zaaksvorming.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. J.E. Fesevur, Goederenrechtelijke colleges, Nijmegen: Ars Aequi, 2005, derde druk, p211