Pandora (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pandora geschilderd door John William Waterhouse (1896)

Pandora (Oudgrieks: Πανδώρα) (haar naam kan zowel draagster van alle gaven als schenkster van alle gaven of albegaafde betekenen) is in de Griekse mythologie de naam van de eerste vrouw, die door Hephaistos werd gevormd uit water en aarde. Zij werd door Zeus aan de stervelingen als straf gezonden om onheil over hen te brengen, nadat Prometheus vuur uit de hemel gestolen had, met het doel om de mensen uit hun ongelukkige toestand te verlossen.

Mythe[bewerken]

Prometheus en zijn broer Epimetheus hadden van Zeus de opdracht gekregen om de mens te maken. Zij maakten dan ook de man, maar omdat die man zo ongelukkig was, stal Prometheus een brandende toorts van de Olympos en schonk de mensheid het vuur. Zeus vond dit verraad zo erg dat hij de mensheid wilde straffen. Om Prometheus en Epimetheus niet te beledigen, deed hij dit niet rechtstreeks. Hij beval Hephaistos om uit water en aarde een vrouw te vormen, genaamd Pandora. Daarna schonken alle goden haar goede gaven. Athena gaf haar intelligentie, talent, manieren en kleedde haar in de mooiste kleurrijke kleding. Aphrodite gaf haar de bevalligheid en schoonheid van een godin. De andere goden gaven haar goud en staken bloemen in haar haar. De laatste god, Hermes, gaf haar de spraak en plantte schaamteloze gedachten en een bedrieglijke aard in haar wezen. Zo kreeg zij een eigenschap die geen enkele andere sterveling had: nieuwsgierigheid.

Zeus schonk haar aan Prometheus, maar deze wist dat een geschenk van de goden niet zonder gevolgen blijft en weigerde haar. Hij raadde zijn broer aan dat ook te doen. Zeus liet haar daarop door Hermes bij Epimetheus, de domme broer van Prometheus brengen. Niettegenstaande de waarschuwingen van Prometheus nam hij haar tot vrouw. Zeus schonk het paar ook een pithos (vat), waarin alle ongelukken zaten opgesloten. Als het vat gesloten bleef, konden die niemand treffen. Pandora kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en opende het vat. Toen kwamen daar alle rampen, ziekten en zorgen uit tevoorschijn en verspreidden zich over de aarde: aan het kommerloze bestaan van de mensen was een einde gekomen. Pandora wilde nog gauw het deksel dichtklappen, maar alleen de hoop zat nog in het vat toen het weer gesloten werd. Vandaar dat onder de hevigste rampen die de mensen op aarde teisteren, de hoop nog alleen resteert. Volgens een andere, pessimistische versie is de hoop echter het enige wat de mensen onthouden blijft. Een derde interpretatie impliceert dat de hoop zelf ook een vergiftigd geschenk is. Hoop op iets anders is immers non-acceptatie van wat zich hier en nu manifesteert.

Pandora schonk haar gemaal verscheidene dochters, Prophasis, de godin der uitvluchten, Metameleia, de godin van het berouw en Pyrrha, die later de echtgenote werd van Deukalion.

In latere versies van het verhaal werd het vat een kistje, een vaasje, of gewoon een doos (De doos van Pandora).

Interpretatie van de mythe[bewerken]

In het vroege christendom zagen de kerkvaders in het verhaal van Pandora's doos al heel gauw een pre-christelijke beeld van de Bijbelse zondeval: Pandora en Eva hadden allebei een zondige en ziekelijke nieuwsgierigheid gemeen, die de man, waarmee de gehele mensheid bedoeld wordt, noodlottig werd.