Paniekstoornis
| Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht. Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts. |
| Paniekstoornis | ||||
| Actrice acteert eerste reacties van angst en paniek. | ||||
| ICD-10 | F41.0 | |||
| ICD-9 | 300.01, 300.21 | |||
| OMIM | 167870 | |||
| DiseasesDB | 30913 | |||
| MedlinePlus | 000924 | |||
| eMedicine | article/287913 | |||
| MeSH | D016584 | |||
|
||||
De paniekstoornis is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld bij de angststoornissen.
Vroeger werd het verward met hyperventilatie. Het belangrijkste kenmerk van de stoornis is het regelmatig optreden van paniekaanvallen. Iedereen kan in paniek raken in een (levens)gevaarlijke situatie, maar bij de paniekstoornis is de paniek pathologisch en niet in verhouding tot de omstandigheden. Indien de paniek herhaaldelijk optreedt door confrontatie met een (specifiek) object of situatie, kan sprake zijn van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld PTSS of een fobie (zie de exclusies in criterium D).
Paniek is een korte, maar zeer sterke vorm van angst die zowel lichamelijke als psychische gevolgen heeft. De persoon heeft tijdens een aanval een verhoogd hartritme, transpireert, heeft ademhalingsproblemen, kan misselijk of duizelig worden en heeft soms koude rillingen. Psychisch ervaart de persoon angst om dood te gaan of lichamelijk letsel op te lopen, heeft een verdoofd gevoel en ervaart derealisatie of depersonalisatie.
In veel gevallen komt het voor dat de persoon ook een angst ontwikkelt om een paniekaanval te krijgen. Hij zal in dit geval alle situaties mijden die dit risico met zich meedragen. Dit wordt agorafobie of pleinvrees genoemd. Het DSM-IV onderscheidt de paniekstoornis met en zonder agorafobie als twee afzonderlijke aandoeningen. Het handboek vermeldt ook agorafobie zonder historie van de paniekstoornis (dus agorafobie zonder paniekaanvallen).
Het DSM-IV geeft de volgende criteria voor de paniekstoornis met agorafobie:
- A. Zowel (1) als (2) zijn van toepassing:
- Herhaalde onverwachte paniekaanvallen.
- Minimaal één van de aanvallen is gevolgd door minstens één maand met minstens één van de volgende criteria:
- Aanhoudende zorg over nieuwe aanvallen.
- Zorg over implicaties of gevolgen van de aanval (bijvoorbeeld de macht over zichzelf verliezen, een hartaanval krijgen, gek worden).
- Een duidelijke verandering in gedrag in relatie tot de aanvallen.
- B. Het optreden van agorafobie.
- C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van een somatische aandoening of van het innemen van een substantie (bijvoorbeeld drugs of medicijnen).
- D. De paniekaanvallen zijn niet uitsluitend het gevolg van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld de sociale fobie (bijvoorbeeld blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijvoorbeeld blootstelling aan een specifiek fobische situatie), obsessieve-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld blootstelling aan vuil van iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld als gevolg van prikkels die gekoppeld zijn aan een ernstige stressfactor) of separatieangst (bijvoorbeeld als reactie op het verlaten van huis of gezinsleden).
Voor de paniekstoornis zonder agorafobie gelden de volgende criteria:
- A. Zowel (1) als (2) zijn van toepassing:
- Herhaalde onverwachte paniekaanvallen.
- Minimaal één van de aanvallen is gevolgd door minstens één maand met minstens één van de volgende criteria:
- Aanhoudende zorg over nieuwe aanvallen.
- Zorg over implicaties of gevolgen van de aanval (bijvoorbeeld de macht over zichzelf verliezen, een hartaanval krijgen, gek worden).
- Een duidelijke verandering in gedrag in relatie tot de aanvallen.
- B. Afwezigheid van agorafobie.
- C. De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van het innemen van een substantie (bijvoorbeeld drugs of medicijnen) of een somatische aandoening.
- D. De paniekaanvallen zijn niet uitsluitend het gevolg van een andere psychische aandoening, bijvoorbeeld de sociale fobie (bijvoorbeeld blootstelling aan gevreesde sociale situaties), specifieke fobie (bijvoorbeeld blootstelling aan een specifiek fobische situatie), obsessieve-compulsieve stoornis (bijvoorbeeld blootstelling aan vuil van iemand met smetvrees), posttraumatische stressstoornis (bijvoorbeeld als gevolg van prikkels die gekoppeld zijn aan een ernstige stressfactor) of separatieangst (bijvoorbeeld als reactie op het verlaten van huis of gezinsleden).
Oorzaak [bewerken]
De oorzaak van de paniekstoornis is een combinatie van biologische factoren (erfelijkheid; somatische stoornissen, zoals een mitraalklepprolaps of een afwijking van de schildklier) en psychische gebeurtenissen (life events).
Behandeling [bewerken]
Voor de paniekaanvallen is een SSRI het middel van eerste keuze. Voor de pleinvrees kan daarna in-vivodesensitisatie worden ingezet.