Pantserjuffers (familie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pantserjuffers (familie)
Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa)
Gewone pantserjuffer (Lestes sponsa)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Odonata (Libellen)
Onderorde: Zygoptera (Juffers)
Familie
Lestidae
Calvert, 1901
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De pantserjuffers (Lestidae) vormen een kleine kosmopolitische familie van juffers (Zygoptera), een van de drie suborden van de libellen (Odonata). Naargelang van de auteur zijn er 8 tot 12 geslachten beschreven, waarvan er twee in België en Nederland voorkomen. De naam is afkomstig van de metaalachtige kleur van de meeste soorten, die de dieren een gepantserd voorkomen geeft.

Beschrijving[bewerken]

Imago[bewerken]

De volwassen dieren (imagines) van de twee in België en Nederland voorkomende geslachten zijn zo verschillend dat zij apart moeten beschreven worden. Het belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk is het pterostigma dat veel langer is dan breed (zo lang als 2 of 3 onderliggende cellen).

Het geslacht pantserjuffers (Lestes) is typisch voor de familie. Ze zijn in vergelijking met andere juffers vrij groot en stevig gebouwd, het lichaam is groen, brons- of koperkleurig en met een opvallende metaalglans. Volwassen mannetjes zijn dikwijls te herkennen aan de blauwe verkleuring (berijping) op het achterlijf. De achterlijfsaanhangsels van de mannetjes zijn lang en gekromd. In het veld zijn pantserjuffers te herkennen door hun zithouding. In tegenstelling tot de meeste juffers vouwen ze hun vleugels in rust niet over hun achterlijf, maar houden ze half gespreid (de Engelse benaming is Spreadwings).

Pantserjuffers vliegen vooral in zomer en najaar. Ze verkiezen over het algemeen stilstaand water waar ze hun eieren leggen in oeverplanten of in overhangende bomen.

In België en Nederland komen 5 soorten voor, waarvan drie zeldzaam.

De winterjuffers (Sympecma) wijken af door hun bruine kleur en de afwezigheid van de metaalglans. Ook houden zij hun vleugels niet gespreid als ze zitten. De vleugels worden meestal aan één kant van het achterlijf gehouden.

Winterjuffers danken hun naam aan hun merkwaardige levenscyclus: als enige inheemse libel overwinteren zij als volwassen dier (imago), en vliegen en paren vroeg in het voorjaar. Zij verkiezen voor hun eieren drijvende planten in stilstaand water. In Nederland zijn pas na 2000 voor het eerst overwinterende dieren waargenomen.

In België komt één soort voor, in Nederland twee. De noordse winterjuffer is zeer zeldzaam, de bruine was zeer zeldzaam maar heeft zich snel uitgebreid.

Larve[bewerken]

De larven van de pantserjuffers worden gekenmerkt door een opvallend brede kop, die soms twee maal zo breed is als het lichaam. Het vangmasker is meestal lang en smal, soms met een zeer smalle steel, en reikt ten minste tot het middelste potenpaar. De staartlamellen hebben donkere dwarsbanden en zijaders die loodrecht op de hoofdaders staan.

Taxonomie[bewerken]

De familie kent de volgende geslachten:

Soorten in België en Nederland[bewerken]

Van deze familie komen in België en Nederland twee geslachten voor, met samen zeven soorten, waarvan slechts twee algemeen:

Determinatie van soorten[bewerken]

Geen gemakkelijke familie, sommige soorten zijn altijd lastig, vooral beginners zullen moeten wennen aan het kijken naar minuscule kenmerken. Hieronder volgt eerst een indeling in groepen en vervolgens een determinatietabel per groep.

  • 1 Winterjuffers: grotendeels beige met op het achterlijf metaalbruine of metaalgroene 'bommetjes' (rug van het achterlijf dus niet geheel metaal groen of brons); vleugels nooit gespreid gehouden + vleugels meestal aan één zijde van het achterlijf.
  • 2 Pantserjuffers, uitgekleurde mannetjes: pterostigma's niet wittig + bovenste achterlijfsaanhangsels vrij lang en gekromd.
  • 3 Pantserjuffers, jonge mannetjes: pterostigma's wittig + bovenste achterlijfsaanhangsels vrij lang en gekromd
  • 4 Pantserjuffers, vrouwtjes: bovenste achterlijfsaanhangsels niet lang en recht naar achteren stekend; onder segment 8-10 een tamelijk fors eilegapparaat.

Tabel winterjuffers[bewerken]

Van algemeen naar zeldzaam.

  • 1 Bruine winterjuffer: borststuk met een donker rugschild dat een rechte begrenzing heeft; onder het rugschild een tamelijk smalle lichtere strook en daaronder een vrij brede donkere strook.
  • 2 Noordse winterjuffer: borststuk met een donker rugschild dat een begrenzing heeft met een uitstulping; onder het rugschild een tamelijk brede lichtere strook en daaronder een vrij smalle donkere strook.

Tabel Pantserjuffers, uitgekleurde mannetjes[bewerken]

Van makkelijk naar moeilijk. Gewone pantserjuffer en tangpantserjuffer hebben lange onderste achterlijfsaanhangsels, dus vier lange aanhangsels. Bij de andere soorten zijn de onderste aanhangsels kort, dus zie je maar twee lange aanhangsels.

  • 1 Zwervende pantserjuffer: pterostigma voor de helft à twee derde bruin, verder wittig; achterlijf nooit met blauwe berijping + achterzijde kop altijd licht van kleur.
  • 2 Houtpantserjuffer: pterostigma gelig tot lichtbruin; achterlijf nooit met blauwe berijping + achterzijde kop donker; op de zijkant van het borststuk een donker 'schiereilandje' of 'doorntje'. (Let op of het lichte pterostigma niet betekent dat het een jong mannetje betreft.)
  • 3 Tengere pantserjuffer: blauwe berijping op segment 9-10 en segment 1, rijst onberijpt; pterostigma bruin tot donkerbruin met meestal lichte zomen + achterhoofd altijd licht.
  • 4 Tangpantserjuffer: blauwe berijping op segment 9-10 en meestal ook vaag op 8, bovendien op 1 en voor twee derde op de rug van segment 2; pterostigma donkerbruin tot zwart met vaak lichte zijaders + achterhoofd altijd donker of berijpt; stevige soort.
  • 5 Gewone pantserjuffer: blauwe berijping op segment 9-10 en meestal niet op 8, bovendien op 1 en meestal op de hele rug van segment 2; pterostigma donkerbruin tot zwart met soms lichte zijaders + achterhoofd altijd donker of berijpt, minder stevige soort. (Let op als segment 2 niet geheel berijpt is: scherp begrensd groen of bronskleurig rechthoekje is tangpantserjuffer, vager begrensd en/of minder duidelijk rechthoekig betekent gewone pantserjuffer.)

Tabel Pantserjuffers, jonge mannetjes[bewerken]

Altijd moeilijk. Een donker achterhoofd betekent dat het geen zwervende of tengere pantserjuffer is, een licht achterhoofd kan helaas alle soorten betreffen.

  • 1 Gewone pantserjuffer: vier lange aanhangsels + weinig groen op het halsschildje + weinig groen op het heupschildje; lichte delen beetje oranje-achtig.
  • 2 Tangpantserjuffer: vier lange aanhangsels + vrij veel groen op het halsschildje + veel groen op het heupschildje; vaak een 'schiereilandje' of 'doorntje' op de zijkant van het borststuk; lichte delen wittig of gelig.
  • 3 Houtpantserjuffer: altijd op de zijkant van het borststuk een donker 'schiereilandje' of 'doorntje'.
  • 4 Zwervende pantserjuffer: weinig groen op het halsschildje + weinig groen op het heupschildje.
  • 5 Tengere pantserjuffer: vrij veel groen op het halsschildje + veel groen op het heupschildje.

Tabel Pantserjuffers, vrouwtjes[bewerken]

Altijd vrij lastig. Jonge dieren hebben allemaal lichte pterostigma's, let dan op de andere kenmerken. Een donker achterhoofd betekent dat het geen zwervende of tengere pantserjuffer is, een licht achterhoofd kan helaas alle soorten betreffen.

  • 1 Zwervende pantserjuffer: pterostigma voor de helft à twee derde bruin, verder wittig; achterzijde kop altijd licht van kleur + weinig groen op het halsschildje + weinig groen op het heupschildje.
  • 2 Tengere pantserjuffer: pterostigma bruin tot donkerbruin met meestal lichte zomen + achterhoofd altijd licht + vrij veel groen op het halsschildje + veel groen op het heupschildje.
  • 3 Houtpantserjuffer: pterostigma wittigt tot lichtbruin; altijd op de zijkant van het borststuk een donker 'schiereilandje' of 'doorntje'. (Let op of het lichte pterostigma niet betekent dat het een jong van een andere soort betreft.)
  • 4 Tangpantserjuffer: zeer fors legapparaat + vrij veel groen op het halsschildje + veel groen op het heupschildje; vaak een 'schiereilandje' of 'doorntje' op de zijkant van het borststuk;
  • 5 Gewone pantserjuffer: fors legapparaat + weinig groen op het halsschildje + weinig op het heupschildje

Toelichting. Deze determinatietabellen gelden voor Nederland en België. Als de kenmerken bij stap 1 niet opgaan ga je naar stap 2. Bij elke stap staat tussen puntkomma's een uniek kenmerk (voor die stap en volgende stappen) of een unieke combinatie van kenmerken (met plusteken). Elk van die unieke dingen is op zich voldoende voor de determinatie, maar het is verstandig ook de overige unieke dingen te bekijken. Tussen haakjes staan kenmerken die juist niet mogen kloppen. Foto's maken vaak meer duidelijk dan woorden, bekijk daarom onderstaande foto's of klik door naar de soorten.

Foto's[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • A. Wendler & J-H Nüss, 2002.: Libellen van Noordwest-Europa, Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht, ISBN 90-5107-031-4
  • N. De Pauw & R. Vannevel, 1990.: Macro-invertebraten en waterkwaliteit, Stichting Leefmilieu, Antwerpen