Panzerkampfwagen IV

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Panzer IV
Panzerkampfwagen IV Ausf. J
Panzerkampfwagen IV Ausf. J
Soort
Bemanning 5
Lengte 7,02 m
Breedte 3,29 m
Hoogte 2,68 m
Gewicht 25 ton
Pantser en bewapening
Pantser 50-80 mm
Hoofdbewapening 7.5 cm KwK 37 en later 7.5 cm KwK 40
Secundaire bewapening 2x 7,92 mm machinegeweer
Motor Maybach 12-cilinder benzinemotor 224 kW
Snelheid (op wegen) 38 km/u
Rijbereik 200 km

Een Panzerkampfwagen IV, afgekort PzKpfw IV, ook bekend als de Panzer IV, is een tank die tijdens de Tweede Wereldoorlog door Duitsland werd ingezet.

Er werden ruim 8500 exemplaren gebouwd en alleen al door dit grote aantal was ze belangrijker voor de Duitse oorlogsinspanning dan betere Duitse tanks zoals de Panther en de Tiger I en Tiger II. Aan het Oostfront was ze in sommige opzichten verouderd ten opzichte van de T-34.

Ontwikkelingsgeschiedenis[bewerken]

De PzKpfw IV vindt zijn oorsprong in de clandestiene tankontwikkeling tijdens de Weimarrepubliek, toen er een aantal projecten gaande was die de mogelijkheid van een tank voor infanterieondersteuning moesten onderzoeken. Op 11 januari 1934 werden die geconcretiseerd tot een formele aanbesteding aan Rheinmetall-Borsig, Daimler en Krupp voor een tank van 20 ton, het VK (VersuchsKraftfahrzeug) 2001. In 1935 kreeg Krupp de opdracht voor het ontwikkelen van de VK 618 7,5 cm GeschützPanzerwagen, een type met een bladveerophanging die goedkoper was dan de torsiestaafophanging die Krupp eerst voorstelde. Dit zou een fatale beslissing blijken te zijn. In april 1936 werd de naam veranderd in Panzerkampfwagen IV (VK622). Het eerste productie-exemplaar (modelregistratie SonderKraftfahrzeug 161) verscheen in oktober 1937. Er werden vele verschillende versies (Ausführungen, in de stukken altijd afgekort tot Ausf.) geproduceerd.

Versies[bewerken]

Pzkpfw. IV Ausf. C
PzKpfw. IV Ausf. D
  • Ausf. A: oorspronkelijke versie, geproduceerd in een aantal van 35 van oktober 1937 tot maart 1938. Motor van 108 pk; maximumsnelheid van 31 km/u; 150 km rijbereik; 15 mm pantser rondom; 18,4 ton gewicht; 75 mm houwitser Lang 24.
  • Ausf. B: 120 pk motor; 40 km/u; 200 km rijbereik; 30 mm frontpantser in rechte voorplaat; 18,8 ton; nieuwe commandokoepel. 42 gebouwd van april tot september 1938.
  • Ausf. C: kleine verbeteringen; 19 ton; 134 gebouwd van september 1938 tot augustus 1939.
  • Ausf. D: 20 mm pantser zij- en achterkant; 20 ton; gebogen voorplaat; externe kanonmantel van 35 mm. 229 gebouwd van oktober 1939 tot mei 1941.
  • Ausf. E: 50 mm pantser in de neus, 30 mm opzetpantser romp; 21 ton; 42 km/u; nieuwe commandokoepel. 223 gebouwd van september 1940 tot april 1941.
  • Ausf. F: 50 mm frontpantser; 30 mm zij- en achterkant; 22,3 ton; 40 cm brede rupsbanden; buisvormig geleidewiel. 492 gebouwd van april 1941 tot maart 1942.
  • Ausf. F2: uitgerust met KampfwagenKanone40 Lang 43; 23 ton; 40 km/u. 175 gebouwd van maart tot juli 1942 plus 25 omgebouwd van Ausf F.
  • Ausf. G: langzame verandering richting Ausf. H; vanaf maart 1943 het Lang 48 kanon. 1667 gebouwd van mei 1942 tot juni 1943.
  • Ausf. H: 80 mm frontpantser op de romp; 25 ton; 38 km/u; nieuwe geleidewielen; pantserschorten tegen antitankgeweren. 3374 gebouwd van april 1943 tot juli 1944.
  • Ausf. J: weglaten elektrische aandrijving toren; torendak 18 mm; 320 km rijbereik. 1758 geproduceerd van juni 1944 tot maart 1945.

Er werd ook een variant gepland, voorzien met twee 7,5 cm Rucklauflos Kanone 43 (7,5 cm Rf.K 43) en een 30mm MK 103 snelvurend kanon. Het ontwerp ging niet verder dan het houten model. Totale productie: minstens 8544: 13 in 1937; 103 in 1938; 141 in 1939; 278 in 1940; 467 in 1941; 894 in 1942; 3013 in 1943; 3126 in 1944 en 385 in 1945. Het laatst bekende maandproductiecijfer is voor maart 1945 met een aantal van 55.

Tactische Functie[bewerken]

Oorspronkelijk was de PzKpfw. IV een ondersteuningstank met een korte (Lang 24) houwitser

De Panzerkampfwagen IV is de enige Duitse tank die vanaf het begin tot het eind van de Tweede Wereldoorlog in productie is gebleven. Dit was het resultaat van vele factoren. Hij weerspiegelt dan ook de ontwikkeling van het Duitse tankwapen. De lage productiecijfers van voor de oorlog laten zien dat het opbouwen van een tankmacht bepaald geen prioriteit had. Slechts vier procent van het defensiebudget ging naar de tankproductie.

De architect van het typisch georganiseerde Duits tankwapen, de "pantserdivisies", was Generaal Heinz Guderian. Er werd hierin vooropgesteld om 4 types tank te gaan inzetten in speciaal ontwikkelde divisies die enkel gepantserd en gemechaniseerd de aanval zouden inzetten. Het type I diende enkel voor training, type II voor de verkenning, III en IV voor de echte gevechtssituaties. Dat de productie tot vier typen werd beperkt, wordt vaak voorgesteld als slim beleid. In feite werd het veroorzaakt door puur geldgebrek. Wegens de versnelde oorlogssituatie werden de lichtere types (1 en 2) zelfs ingezet als gevechtstanks, wegens het gebrek aan type 3 en 4. Type I en II hadden enkel machinegeweren en een licht automatisch kanon. De Panzerkampfwagen III werd oorspronkelijk uitgerust met een 37 mm antitankkanon, het Duitse standaard anti-tankwapen bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De Pzkfw IV met 75 mm ("Kürz")L24 (24x diameter munitie) houwitser. Beide tanks moesten volgens de doctrine elkaar aanvullen: de IV moest op de tweede lijn "zachte doelen" zoals kanonnen en bunkers bestrijden met z'n houwitser, de III de andere gepantserde voertuigen op eerste lijn.

De Panzer IV was net als de Panzer III ontworpen met een koepel voor drie bemanningsleden (kanonnier, lader, en bevelhebber). De bevelhebber kon zich concentreren op het overzicht bewaren en bevelen geven. De meeste tanks van de late jaren '30 hadden koepels voor een of twee bemanningsleden, waardoor de bevelhebber andere taken op zich moest nemen. Deze 3-manskoepel was wellicht een van de sterkere punten van de Duitse tanks, waardoor de zwaktes konden worden gecompenseerd. De Pzkfw IV had dan ook een voor die tijd vrij vooruitstrevend geheel aan technische hulpmiddelen die vooreerst gericht waren op dit indirekt vuur. Beide kregen dezelfde motor. Eén van de twee tanks bleek echter overbodig: je hoeft niet een heel andere tank in productie te nemen alleen om een iets ander wapen te dragen. De Pzkpfw III zou, na heel veel sukkelen, een moderne ophanging krijgen en was voorzien van de betere transmissie. De Pzkpfw IV bleek uiteindelijk een koepelring te hebben die groot genoeg was om nog een krachtiger kanon te dragen dan voorzien. Duitsland zou weldra een tank nodig hebben die allebei de eigenschappen bezat. Van dat alles had men voor de oorlog hoegenaamd geen besef. Niemand begreep zelfs hoe wezenlijk tanks zouden zijn voor de Blitzkrieg, waar er fel discussie over bestond. De "blitzkrieg" is dan ook slechts achteraf op de successen geplakt, eerder dan een perfect ontworpen theorie te zijn geweest. Deze successen waren dan ook het gevolg van de grote strategische keuzen die perfect uitkwamen en de efficiëntie van de luchtsteun dmv onder andere de "Stuka's", die het feitelijk gebrek aan gevechtstanks grotendeels konden compenseren.

De Pzkpfw IV werd gezien als een mooi stukje ingenieurswerk dat vooreerst als artilleriesteun diende, niet als gevechtstank. Door het gebrek aan Pzkpfw III echter diende zijn grotere broer vaak voorlopig als hoofdgevechtstank. Bij het uitbreken van de oorlog (inval in Polen) waren er nog pas 211 Pzkfw IV's gereed. Bij de aanval op Frankrijk was dat aantal gegroeid tot 280; toen waren er zoveel Pzkpfw III's beschikbaar dat de Pzkpfw IV weer puur voor het bestrijden van "zachte doelen" kon worden gebruikt. Hier bleek de 75mm houwitser en artillerievaardigheden vaak effectiever tegen de vijand dan het te zwakke 37mm antitankkanon. De bepantsering van alle tanks bleek een grote tegenvaller. Enkel de meesterlijke tactiek, het gebrek aan discipline bij de Geallieerden en de brute efficiëntie van de Luftwaffe maakten de vlugge overwinning mogelijk. Niet de tanks. Maar dit werd zoveel mogelijk verzwegen. Bij Operatie Barbarossa, een aanval op een staat die 24.000 tanks tot zijn beschikking had, was het aantal types III en IV opgelopen tot zo'n 600. Nog steeds waren er veel meer lichte voertuigen voorhanden dan gevechtstanks. In 1940 had Hitler een plan voor echte massaproductie afgewezen. Toen in juli 1941 de oorlog gewonnen leek, werden de al lage bestaande productieplannen nog eens gehalveerd.

In 1942 werd eerst het 75 mm Lang 43 kanon ingebouwd. Een Panzerkampfwagen IV Ausf. F2

Toen kwam de nederlaag bij Moskou. Opeens werd duidelijk dat de oorlog jaren zou gaan duren en dat de vijand over aan het gaan was op de massaproductie van een superieure tank: de T-34. Men moest dus een eigen tank in echte massaproductie gaan nemen. De kleinere Pzkpfw III zat na het invoeren van een 50mm kanon op z'n limiet. De meer ouderwetse Pzkpfw IV moest hem vervangen als gevechtstank, alleen omdat de koepelring groot genoeg was en dus een nieuw krachtig 75mm L43 (en later L48) "Lang" antitankkanon kon dragen. De Pzkfw IV uitvoering F2 was de eerste met dergelijk geschut en de eerste verliet de fabriek in maart 1942. Het kanon was tot in 1944 sterker dan dat van al zijn tegenstanders en tot de introductie van de Tiger I in september 1942 het sterkste van alle Duitse tanks. Dit maakte de Pzkfw IV eensklaps lange tijd weer zeer gevechtswaardig: enkel de komst van de Russische 85mm, de Amerikaanse 76mm en Britse 17pdr kanonnen in 1944 brachten kentering.

Daarmee veranderde volledig de tactische rol van de PzKpfw IV en werd hij definitief de hoofdgevechtstank. In 1943 zouden voor het eerst duizenden Pzkpfw IV's geproduceerd worden — de maandproductie piekte in december met 354 — maar het besef dat het type eigenlijk al een gepasseerd station was, leidde tot een overheveling van productiecapaciteit naar de Panther. Ook werd het chassis meer en meer ingezet als basis voor de constructie van nieuwe tankjagers en zonder een gedreven Generaal Guderian - die een aanhoudende productie van de IV met vuur verdedigde omdat er inderdaad te weinig andere gevechtstanks waren om te compenseren - zouden er reeds vroeg geen IV's meer gemaakt worden. In 1944 steeg de productie evenwel nauwelijks ten opzichte van 1943, hoewel zij verviervoudigd had kunnen worden als men van de nieuwe Panther had afgezien. In de schreeuwende behoefte aan tanks zou dat jaar niet voorzien worden. De nieuwe taak viel het oude vehikel ook letterlijk te zwaar. De ophanging kon het extra pantser niet aan, de motor raakte overbelast, de werkelijke kruissnelheid daalde en daarmee ook de betrouwbaarheid. Om asymmetrische belasting van de koepelring te voorkomen, mocht de voorkant van de koepel niet verder bepantserd worden — juist het meest getroffen deel van de tank bleef zo een zwak punt.

Niettegenstaande de grenzen van het compromis - symptomatisch voor het Duitse tankwapen in het algemeen in WWII - was de Pzkfw IV helemaal geen slechte tank. Het was ondanks de epische reputatie in de naoorlogse jaren van bv de Tiger tank, het enige werkpaard van de pantserdivisies van begin tot op het einde. Het was in staat de meeste tanks van de vijand uit te schakelen, het was vrij beperkt in gewicht en afmetingen in vergelijking met andere types en was ondanks te zware belastingen op het einde nog steeds betrouwbaarder dan de nieuwe generatie tanks zoals de Tiger I en de Panther (tank) die veel te gehaast en zonder verdere ontwikkeling in productie gingen. Vanwege het Duits defensieve karakter van de oorlog in de laatste helft, kwamen de voordelen van de kleine, mobiele IV wellicht nog sterker naar boven dan een offensief karakter van een tank zou geëist hebben. De Pzkfw IV was immers in zekere zin doodgewoon een mobiel performant kanon dat in grotere aantallen aanwezig was dan elk zwaarder ontwerp.

Operationele Geschiedenis[bewerken]

Een PzKpfw IV door Israël op Syrië buitgemaakt

Hoewel ontworpen als mobiel geschut ter ondersteuning werd de Pzkpfw IV alleen ingedeeld bij de Panzer Divisionen, in een speciale zware compagnie in het tankbataljon. Er was geen geld voor het toebedelen van zware tanks aan het wapen van de Infanterie; deze lacune zou vanaf 1939 ten dele worden gedicht door het produceren van het Sturmgeschütz III. Het dient echter gezegd dat het voorzien van zware tanks bij de infanterie niet zo een groot succes bleek voor de Geallieerden tijdens de eerste jaren van de oorlog. De snelle, mobiele "ontwijk" oorlog maakte immers de infanterieondersteuning van geen tel. Toen de Pzkpfw IV vanaf 1942 de hoofdgevechtstank werd, werden er bataljons gevormd die uitsluitend uit deze tank bestonden. Dat was een langzaam proces en vanaf het voorjaar van 1943 schakelden de bataljons stuk voor stuk weer over op de Panther.

Bij de Slag om Koersk werden 915 Pzkpfw IV's ingezet uit een beschikbaar totaal van 1472; tijdens de Landing in Normandië waren er 758 in Frankrijk beschikbaar, op het oostfront 771. De Duitsers maten hun inventaris altijd op de eerste van de maand: de feitelijke sterkte piekte op 1 juli 1944 met een aantal van 2.336. Die maand werden er 426 als verloren gemeld, 368 in augustus en een record van 752 in september. De laatste telling van 1 februari 1945 toonde een sterkte van 1571; opmerkelijk genoeg bereikte aan het oostfront de sterkte een record van 1239 op 15 maart 1945 toen alle reserves tegen het Rode Leger werden ingezet. De meeste van deze tanks waren toen echter al niet meer inzetbaar vanwege gebrek aan personeel, brandstof en logistieke ondersteuning.

Tijdens de oorlog is de tank in klein aantal geleverd aan verschillende bondgenoten: Hongarije (52 verouderde tanks); Italië (36); Roemenië (100); Bulgarije (46) en Finland (15) dat ze nog tegen de vroegere eigenaren gebruikte toen het van partij was veranderd. Verder waren er leveringen aan het neutrale Spanje (20) en Turkije (15).

Na de oorlog nam Frankrijk een aantal exemplaren in dienst; zeventien daarvan vonden hun weg naar Syrië welk land ze naar zijn onafhankelijkheid in de organisatie opnam. Zo vochten ze nog in 1967 op de Golanhoogten tegen Israël in de Zesdaagse Oorlog. Daarna werden ze uitgefaseerd en in de jaren zeventig aan Libanese milities overgedaan. In 1982 gebruikte het legertje van de Druzen er nog een paar. Mocht dat - ondanks het feit dat men de milities althans symbolisch ontbonden en ontwapend heeft - nog zo zijn, dan is de Panzerkampfwagen IV de oudste tank ter wereld die nog operationeel is.

Varianten[bewerken]

Een PzKpfw IV Ausf J met drie geleiderollers.

In 1939 werden twee apart gehouden chassis gebruikt voor de fabricage van de Infanterie Sturmsteg, een gemechaniseerde stormladder, als bij een brandweerauto. In 1940 werden in februari en maart 20 tanks omgebouwd tot Brückenleger IV (bruggenlegger). In 1941 werden 13 Ausf. F omgebouwd tot Munitionsschlepper (munitievoertuig) voor het reusachtige Karlgerät - een mortier. In 1944 werden er van maart tot september 97 tanks omgebouwd tot Panzerbefehlswagen (commandotank) en van juli 1944 tot maart 1945 90 tot Panzerbeobachtungswagen (artillerieobservatievoertuig). Er zijn testvoertuigen gemodificeerd voor de verbetering van transmissie, loopwerk en bewapening.

Omdat het chassis van de Pzkpfw IV het enige beschikbare grote en goedkope onderstel was, werd het gebruikt voor de mechanisering van het leger die vanaf 1942 met kracht werd doorgezet. Dit deed natuurlijk afbreuk aan de productie van de tank zelf. Zo werd het chassis onder andere toegepast bij de productie van gemechaniseerd geschut (Sturmgeschütz IV), pantserhouwitsers (Hummel, Brummbär, Heuschrecke), tankjagers (K18, Jagdpanzer IV, Hornisse) en luchtafweertanks (Möbelwagen, Wirbelwind, Ostwind, Kugelblitz, Zerstörer 45): bij elkaar ruim vierduizend voertuigen.