Patria potestas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De patria potestas van de pater familias was de vaderlijke macht die het ius vitae necisque (recht over leven en dood) van alle leden van de familia inhield. De pater familias was echter moreel verplicht voor tuchtiging een familieraad bijeen te roepen. De censor had bovendien de bevoegdheid om patres familias die het te bont maakten, uit hun stand te zetten. Aldus werd de patria potestas niet op dagelijkse wijze misbruikt, hoewel we in de bronnen toch enkele afzonderlijke gevallen vinden. De opmerkelijke positie van de pater familias kwam echter duidelijker naar voor in diens controle over het vermogen van de familia.

Toch uitte de patria potestas zich ook op een voor de huidige waarden ontstellende manier, namelijk de beslissingsmacht van de pater familias over het buitenzetten van nieuwgeborenen, die de pater familias niet kon of wilde dulden, hetzij uit financiële overwegingen, hetzij om ze bastaarden, geestelijk gehandicapt of slechts meisjes waren. Het achterlaten van pasgeboren kinderen op publieke vuilnishopen was in de hele Romeinse wereld tot 374 n. Chr. legaal. De kinderen vervielen hierdoor in de dood of in het beste geval in slavernij. Om als kind in leven te blijven was het nodig dat de vader aan wiens voeten ze bij de geboorte gelegd werden hen optilden (wat men suscipere of tollere noemde). Ze ontvingen, jongens op de negende, meisjes op de achtste dag (dies lustricus), hun naam en religieuze wijdingen en werden daarop in het ouderlijke huis opgenomen en onderricht.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • K. Christ, Die Römer, München, 19943.
  • G. Henke-Bockschatz, Geschichte lernen, Sammelband Antike, Velber, 1996.
  • H. Krefeld (ed.), Res Romanae, Berlijn, 199418.