Paus Paulus VI
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Giovanni Battista Montini 26 september 1897 – 6 augustus 1978 |
||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
![]() |
||||||
| Paus | ||||||
|
Paulus VI (Concesio bij Brescia, 26 september 1897 – Castel Gandolfo, 6 augustus 1978), geboren als Giovanni Battista Montini, was paus van 1963 tot zijn dood. Hij zette het Tweede Vaticaans Concilie voort, dat door zijn voorganger, Johannes XXIII, begonnen was. Hij was de eerste kerkvader die per vliegtuig rond de wereld reisde.
Giovanni Battista Montini werd geboren als zoon van een succesvol jurist en politicus. Wegens gezondheidsproblemen moest hij zijn priesteropleiding thuis volgen. In 1920 werd hij tot priester gewijd en was sinds 1922 verbonden aan het Vaticaanse staatssecretariaat, waar hij sinds 1937 de rechterhand was van de staatssecretaris Eugenio Pacelli, de latere Pius XII. Deze benoemde hem in 1954 tot aartsbisschop van Milaan. Montini had veel aandacht aan de sociale problematiek van die stad. Op 15 december 1958 benoemde de kort tevoren gekozen paus Johannes XXIII hem als een van de eersten tot kardinaal. Montini was lid van de centrale commissie die het Tweede Vaticaans Concilie voorbereidde. Na de dood van Johannes werd hij, in een conclaaf van nauwelijks twee dagen, op 21 juni 1963 tot paus gekozen. Met de keuze van de naam "Paulus" gaf hij een teken dat hij de "moderne heidenen" wilde bereiken, zoals Paulus dat ook had gedaan.
Als opvolger van de populaire Johannes XXIII wachtte Paulus VI geen gemakkelijke opdracht. Als zijn voornaamste taken zag hij de voltooiing van het concilie en de doorvoering van het aggiornamento (de aanpassing van het kerkelijke leven aan de eigentijdse realiteit). Op die manier kreeg de nieuwe paus af te rekenen met opposanten van "rechts" (die de progressieve koers van het concilie wilden ombuigen) en van "links" (die de conciliebesluiten juist niet ver genoeg vonden gaan). Reeds tijdens het concilie bleek het streven van de relatief progressieve Paulus VI erop gericht te zijn desnoods tot het uiterste te gaan om standpunten te verzoenen. Bij de realisering van die conciliebesluiten stuitte hij echter op grote moeilijkheden.
De encyclieken van Paulus VI waren gering in aantal en gemengd. Zijn eerste encyclieken, "Ecclesiam suam" (6 augustus 1964) en "Mysterium fidei" (3 september 1965), stonden in het teken van de concilieproblematiek. In de encycliek "Populorum progressio" (26 maart 1967), die veel bijval vond, vroeg hij aandacht voor de kloof tussen arme en rijke landen, betreurde deze en herinnerde de lezers eraan dat de goederen van deze wereld voor iedereen bedoeld zijn. In twee omstreden kwesties, het priestercelibaat en de geboorteregeling, handhaafde hij het standpunt van zijn voorgangers in de encyclieken "Sacerdotalis caelibatus" (24 juni 1967), respectievelijk Humanae Vitae (25 juli 1968). Beide encyclieken brachten binnen de Kerk zulke heftige discussies op gang en veroorzaakten, vooral in Noord-Amerika en Europa, zulk een storm van teleurstelling en protest dat de paus zwoer nooit meer een encycliek uit te geven, wat hij inderdaad ook niet meer gedaan heeft. In het laatste jaar van zijn leven werd Paulus VI zwaar geschokt door de moord (9 mei 1978) op zijn vriend Aldo Moro, leider van de Italiaanse christen-democraten. Zijn voorgaan in de uitvaart van Moro was zijn laatste openbaar optreden: hij bezweek twee maanden later aan een hartaanval op het pauselijk buitenverblijf van Castel Gandolfo.
Op leerstellig gebied demonstreerde Paulus VI een grote bezorgdheid voor het pauselijk gezag. Daarbuiten toonde hij een open en vooruitstrevende houding op sociaal gebied, en in kwesties betreffende de wereldvrede. Veel publiciteit kregen de reizen van paus Paulus: onder meer naar Israël (1964), de Verenigde Naties (New York, 1965), de Wereldraad van Kerken (Genève, 1969) en naar het Verre Oosten en Oceanië (1970). Tijdens die laatste reis ontsnapte hij in Manilla, op de Filipijnen, aan een moordaanslag. Voor de oecumenische beweging verwierf hij grote verdiensten door zijn toenadering tot de orthodoxe patriarch Athenagoras I (1964 en 1967) en tot de anglicaanse aartsbisschop Ramsey (1966). Hij verleende de status van Kerklerares aan Theresia van Avila en Catharina van Siëna, de eerste twee vrouwen ooit die deze erkenning kregen. Hij stelde het functionele ontslag voor priesters en bisschoppen vast op 75 jaar, en bepaalde dat kardinalen ouder dan 80 niet meer mochten participeren in het werk van de Romeinse Curie, noch in de pausverkiezingen (conclaven). Binnen de Nederlandse kerkprovincie werd het oordeel over zijn pontificaat onder andere vertroebeld door zijn persoonlijke steun aan twee omstreden bisschopsbenoemingen (Adrianus Johannes Simonis voor Rotterdam in 1970, en Joannes Matthijs Gijsen voor Bisdom Roermond in 1972). Daartegenover bezorgden zijn voorzichtige toenadering tot communistische regeringen, zijn aanhankelijkheid aan de Verenigde Naties, zijn oecumenisch streven en de invoering van een nieuwe liturgie door het nieuwe Romeins missaal (Novus Ordo Missae, 1969-1970) hem de bijnaam van "rode", respectievelijk "modernistische" paus.
Het publiekelijk afleggen van de pauselijke tiara door Paulus VI werd door vele katholieken als een grote schok ervaren. Over dit gebaar wordt nog altijd gediscussieerd. Modernisten vinden de geste van grootse nederigheid getuigen, maar traditionalisten zien er soms bijna een daad van geloofsafval en ketterij in. De opvolgers van Paulus VI zouden geen van allen de tiara nog aannemen bij hun bestijgingen van de pauselijke troon.
Zeker is dat de verscherpte polarisatie binnen de Rooms-Katholieke Kerk een zwaar kruis is geweest voor deze veelzijdige, tussen conservatisme en progressivisme "verscheurde" paus.
[bewerk] Oorlogsbuit
Vele auteurs hebben geschreven over de hulp die (instellingen van) het Vaticaan na de oorlog hebben gegeven aan nazi's en fascisten, zodat ze konden vluchten naar onder meer Zuidamerikaanse landen. Ook Giovanni Montini, toentertijd ondersecretaris, wordt met deze hulp in verband gebracht.
In 1999 daagden de overlevenden en familieleden van slachtoffers van de fascistische Ustasa-terreur in Kroatië (joden, Serven en Roma) onder meer de Vaticaanse bank voor de rechtbank voor teruggave van oorlogsbuit. Na de oorlog zouden zo'n tien vrachtwagenladingen met kunst, goud, zilver en juwelen zijn afgeleverd bij Krunoslav Draganovic, de Kroatische ambassadeur voor het Vaticaan. Dit vermogen werd later door Ustase-kopstukken gebruikt om te vluchten, waaronder Ante Pavelic.
Draganovic rapporteerde indertijd direct aan Montini. Uit een getuigeverklaring van William Gowen zou blijken, dat deze oorlogsbuit werd witgewassen met instemming van Montini. Gowen was in die jaren 'special agent' in het Amerikaanse leger, die met zijn dienst belast was met de opsporing van oorlogsmisdadigers ('Operation Circle'). Volgens Gowen zou Montini op een gegeven moment hebben gehoord van deze activiteiten (mogelijk door O.S.S.-hoofd James Angleton) en daarover hebben geklaagd bij zijn superieuren. Gowen kreeg te horen, dat hij de immuniteit van kerkgebouwen schond.
De advocaten van de Vaticaanse bank stellen, dat er niets gebeurd is, dat strijdig was met het internationale recht. De zaak loopt nog steeds.
[bewerk] Externe links
[bewerk] Zie ook
Petrus • Linus • Anacletus I • Clemens I • Evaristus • Alexander I • Sixtus I • Telesforus • Hyginus • Pius I • Anicetus • Soter • Eleuterus • Victor I • Zefyrinus • Calixtus I • Urbanus I • Pontianus • Anterus • Fabianus • Cornelius • Lucius I • Stefanus I • Sixtus II • Dionysius • Felix I • Eutychianus • Caius • Marcellinus • Marcellus I • Eusebius • Miltiades • Silvester I • Marcus • Julius I • Liberius • Damasus I • Siricius • Anastasius I • Innocentius I • Zosimus • Bonifatius I • Celestinus I • Sixtus III • Leo I • Hilarius • Simplicius • Felix II (III) • Gelasius I • Anastasius II • Symmachus • Hormisdas • Johannes I • Felix III (IV) • Bonifatius II • Johannes II • Agapitus I • Silverius • Vigilius • Pelagius I • Johannes III • Benedictus I • Pelagius II • Gregorius I • Sabinianus • Bonifatius III • Bonifatius IV • Adeodatus I • Bonifatius V • Honorius I • Severinus • Johannes IV • Theodorus I • Martinus I • Eugenius I • Vitalianus • Adeodatus II • Donus • Agatho • Leo II • Benedictus II • Johannes V • Conon • Sergius I • Johannes VI • Johannes VII • Sisinnius • Constantinus • Gregorius II • Gregorius III • Zacharias • Paulus I • Stefanus III (IV) • Adrianus I • Leo III • Stefanus IV (V) • Paschalis I • Eugenius II • Valentinus • Gregorius IV • Sergius II • Leo IV • Benedictus III • Nicolaas I • Adrianus II • Johannes VIII • Marinus I • Adrianus III • Stefanus V (VI) • Formosus • Bonifatius VI • Stefanus VI (VII) • Romanus • Theodorus II • Johannes IX • Benedictus IV • Leo V • Sergius III • Anastasius III • Lando • Johannes X • Leo VI • Stefanus VII (VIII) • Johannes XI • Leo VII • Stefanus VIII (IX) • Marinus II • Agapitus II • Johannes XII • Leo VIII • Benedictus V • Johannes XIII • Benedictus VI • Benedictus VII • Johannes XIV • Johannes XV • Gregorius V • Silvester II • Johannes XVII • Johannes XVIII • Sergius IV • Benedictus VIII • Johannes XIX • Benedictus IX • Silvester III • Benedictus IX • Gregorius VI • Clemens II • Benedictus IX • Damasus II • Leo IX • Victor II • Stefanus IX (X) • Nicolaas II • Alexander II • Gregorius VII • Victor III • Urbanus II • Paschalis II • Gelasius II • Calixtus II • Honorius II • Innocentius II • Celestinus II • Lucius II • Eugenius III • Anastasius IV • Adrianus IV • Alexander III • Lucius III • Urbanus III • Gregorius VIII • Clemens III • Celestinus III • Innocentius III • Honorius III • Gregorius IX • Celestinus IV • Innocentius IV • Alexander IV • Urbanus IV • Clemens IV • Gregorius X • Innocentius V • Adrianus V • Johannes XXI • Nicolaas III • Martinus IV • Honorius IV • Nicolaas IV • Celestinus V • Bonifatius VIII • Benedictus XI • Clemens V • Johannes XXII • Benedictus XII • Clemens VI • Innocentius VI • Urbanus V • Gregorius XI • Urbanus VI • Bonifatius IX • Innocentius VII • Gregorius XII • Martinus V • Eugenius IV • Nicolaas V • Calixtus III • Pius II • Paulus II • Sixtus IV • Innocentius VIII • Alexander VI • Pius III • Julius II • Leo X • Adrianus VI • Clemens VII • Paulus III • Julius III • Marcellus II • Paulus IV • Pius IV • Pius V • Gregorius XIII • Sixtus V • Urbanus VII • Gregorius XIV • Innocentius IX • Clemens VIII • Leo XI • Paulus V • Gregorius XV • Urbanus VIII • Innocentius X • Alexander VII • Clemens IX • Clemens X • Innocentius XI • Alexander VIII • Innocentius XII • Clemens XI • Innocentius XIII • Benedictus XIII • Clemens XII • Benedictus XIV • Clemens XIII • Clemens XIV • Pius VI • Pius VII • Leo XII • Pius VIII • Gregorius XVI • Pius IX • Leo XIII • Pius X • Benedictus XV • Pius XI • Pius XII • Johannes XXIII • Paulus VI • Johannes Paulus I • Johannes Paulus II • Benedictus XVI
Tegenpausen
Hippolytus • Novatianus • Felix II • Ursinus • Eulalius • Laurentius • Dioscurus • Eugenius I • Theodorus II • Paschalis I • Constantinus II • Filippus • Johannes VIII • Anastasius III • Sergius III • Christoforus • Bonifatius VII • Johannes XVI • Gregorius VI • Benedictus X • Honorius II • Clemens III • Theodoricus • Albertus • Silvester IV • Gregorius VIII • Celestinus II • Anacletus II • Victor IV (Gregorius) • Victor IV (Octavianus) • Paschalis III • Calixtus III • Innocentius III • Nicolaas V • Clemens VII • Benedictus XIII • Alexander V • Johannes XXIII • Clemens VIII • Benedictus XIV • Felix V
Geschrapt
Stefanus (II)



