Paulus van Vianen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Paulus van Vianen, door Cornelis Ketel
Zilveren schaal met voorstellingen uit de geschiedenis van Diana en Actaeon (1613).

Paulus van Vianen (Utrecht ca. 1570; Praag, 1613) was een uit de Noordelijke Nederlanden afkomstige zilversmid, medaillemaker en tekenaar, die samen met zijn broer Adam van Vianen belangrijk was bij de ontwikkeling van de zogenaamde kwabstijl ('auriculaire stijl') in de toegepaste kunsten.

Levensbeschrijving[bewerken]

Paulus van Vianen kwam uit een familie van zilversmeden in Utrecht en leerde het vak aanvankelijk bij zijn vader Willem van Vianen, later bij de Utrechtse broers Bruno en Cornelis van Leydenberch. Andere leden van de edelsmedenfamilie Van Vianen waren zijn broer Adam, diens zoon Adam II, en Christiaan en Paulus II van Vianen.

Paulus van Vianen reisde in zijn jonge jaren onder andere door Frankrijk, Italië en Duitsland. In de jaren 1590 werd hij in het zilversmedengilde van München opgenomen. In 1601 trad hij in dienst van aartsbisschop Wolf Dietrich von Raitenau van Salzburg, maar twee jaar later verhuisde hij naar Praag, waar hij lid werd van de Praagse kunstschool onder Keizer Rudolf II.[1] Hij overleed in 1613 in Praag, vermoedelijk als slachtoffer van een pestepidemie.

Werken[bewerken]

Naast zijn werk als zilversmid en medaillemaker, was Paulus van Vianen actief als beeldhouwer en tekenaar (allegorische scènes en pastorale landschappen. Zijn werk bevindt zich in een groot aantal musea en particuliere collecties, verspreid over de hele wereld. Een bijzondere schaal van lapis lazuli in een gouden vatting van Paulus van Vianen uit 1608 in het Ashmolean Museum in Oxford werd in 2013 getaxeerd op 3,5 miljoen euro.[2]

Bronnen
  • Gerszi, Teréz: Paulus van Vianen. Handzeichnungen. Hanau, 1982
  • Lier, Hermann Arthur: 'Paulus van Vianen'. In: Allgemeine Deutsche Biographie (ADB), deel 40. Leipzig, 1896, p. 399
  • Sandrart, Joachim von, Teutsche Academie der Edlen Bau-, Bild- und Mahlerey-Künste. Nürnberg, 1675
Referenties