Pensioenleeftijd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De pensioenleeftijd is de leeftijd waarop men al of niet vrijwillig stopt met werken wegens ouderdom, en/of waarop een ouderdomspensioen ingaat. De tot dusver meestgebruikte leeftijd, 65, is destijds door Bismarck met de natte vinger vastgesteld, indachtig het feit dat de meeste arbeiders die leeftijd toch niet haalden. Inmiddels is in het kader van de vergrijzing in veel Europese landen de leeftijdsgrens opgetrokken.

Geschiedenis[bewerken]

In 1889 voerde Otto von Bismarck het eerste wettelijke staatspensioenfonds in. De gemiddelde leeftijdsverwachting van een Duitse man was toen 72. De pensioengerechtigde leeftijd werd gesteld op 70 jaar. Deze leeftijd zakte naar 65 jaar, wat een internationale norm werd. Die leeftijd geldt overigens zeker niet universeel en staat in meerdere landen onder druk. De pensioengerechtigde leeftijd werd na het salaris een van de belangrijke punten van de vakbonden in loononderhandelingen. In communistische landen beijverden de regimes zich om het pensioen vroeger te laten ingaan. Lagere pensioengerechtigde leeftijden werden ook overeengekomen voor groepen met zware banen, zoals mijnwerkers, bemanning van stoomlocomotieven en voor vrouwen.

Arbeidsparticpatie en daadwerkelijke pensioenleeftijd[bewerken]

Arbeidsparticipatie van de leeftijdsgroep 20 tot 65 jaar, en gemiddelde pensioenleeftijd is verschillende Europese landen. Schema opgesteld door de Franse vakbond CFDT.[1]
Arbeidsparticipatie der 20-65 jarigen (%) Arbeidsparticipatie der 55-64 jarigen (%)[2] Gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken (leeftijd) Wettelijke pensioenleeftijd (leeftijd) Verschil tussen de laatste twee (in jaren)
Luxemburg 66,3 31,7 57,5 65 7,5 (mannen)
België 63,1 32,1 58,1 65, 67 in 2030 [3] 6,9 (mannen)
Frankrijk 65,8 37,8 58,7 62 (67 volledig pensioen) 3,7 (8,3 volledig pensioen)
Italië 57,9 31,2 60,4 65 (60 vrouwen)[4] 4,6 (mannen)
Griekenland 64,1 41,6 60,4 65 (60 voor vrouwen)[4] 4,6 (mannen)
Oostenrijk 75,1 30,5 60,9 65(60 voor vrouwen)[4] 4,1(mannen)
Spanje 57,9 43,1 61,4 65, 67 in 2031. 5,6
Duitsland 71,7 44,9 61,6 67 5,4
Nederland 77,2 46,2 61,7 65, 67 in 2014 3,3 jaar
Finland 71,5 52,7 62,2 65 2,8 jaar
Zweden 80,3 68,9 63,2 flexibel, tussen 61 en 67 3,6 maximum
Verenigd Koninkrijk 79,6 56,8 63,2 66 (60 voor vrouwen)[4] 2,8 (mannen)
Denemarken 83,5 59,8 63,6 65 1,4
Ierland 70,3 51,7 64,3 65 0,7
Portugal 79,4 43,9 64,5 65 0,5
Europese Unie 69,1 50,9 60,5 (m) ; 59,5 (v)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Vergelijking, opgesteld door de Franse vakbond CFDT
  2. (fr) Augmenter le taux d'emploi des seniors (27 november 2007), via travail-emploi.gouv.fr
  3. www.onprvp.fgov.be Belgische Federale Overheidsdienst Pensioenen
  4. a b c d (fr) Toute l'Europe: Comparatif : l'âge de la retraite dans l'UE (15 januari 2012)