Pensioenwet
In de Nederlandse Pensioenwet (Pw) wordt beschreven wat de taken en verantwoordelijkheden zijn van werkgever, werknemer en pensioenuitvoerder in relatie tot pensioen. De Pensioenwet is op 1 januari 2007 in werking getreden, de wet verving de oudere Pensioen- en spaarfondsenwet (Psw).
Inhoud |
Pw in het kort [bewerken]
De vervallen Psw dateerde uit 1954 en was al vaak aangepast vooral vanwege maatschappelijke ontwikkelingen als toenemende arbeidsmobiliteit en de overgang van een kostwinners- naar een tweeverdienersmodel. Met de Pw van 2007 veranderden de principes van het pensioenstelsel niet. Pensioen was en bleef een secundaire arbeidsvoorwaarde waarvoor werkgever en werknemers verantwoordelijk bleven. Net als onder de Psw is in de Pw een pensioenregeling niet verplicht, een verplichting om wél een pensioen aan te bieden staat in het algemeen in CAO's. Als er een pensioenovereenkomst wordt afgesloten, dan staan in de Pw de voorwaarden waaraan die pensioenafspraken moeten voldoen. Een belangrijke voorwaarde is dat de pensioenovereenkomst moet worden ondergebracht bij een erkend pensioenfonds of een erkende pensioenverzekeraar (art. 23 Pw). Op de naleving van de voorschriften in de Pw wordt toezicht gehouden door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De Pensioenwet ging op 1 januari 2007 in sommige regels waren direct van kracht, andere op een later tijdstip. De gefaseerde invoering is in 2009 helemaal klaar.
Meer transparantie en meer zekerheid [bewerken]
De Pw is ingevoerd omdat de Psw verouderd was en omdat de wetgever meer transparantie, meer zekerheid en meer kennisoverdracht rond pensioen wilde. De meeste werknemers (en zelfstandigen) in Nederland bouwen een pensioen op maar hadden (en hebben) geen idee hoe hun pensioen precies in elkaar zit en waar ze nu en op termijn recht op hebben. Ook wilde de wetgever dat de pensioenuitvoerders zorgvuldig met het geld van de premiebetalers omgingen, pensioenuitvoerders (fondsen en verzekeraars) moeten daarom zorgen voor voldoende liquiditeit en vanaf de invoering van de PW moeten ze hun verzekerden meer inzicht geven in wat ze doen met het aan hen toevertrouwde geld. De Pw geldt voor alle pensioenregelingen tussen werkgevers en werknemers. Voor de deelnemers aan pensioenfondsen wijzigde er niet zoveel, als het goed is worden ze na 1 januari 2007 beter geïnformeerd.
DGA [bewerken]
Voor Directeur-grootaandeelhouders (DGA) bracht de Pw een belangrijke wijziging met zich mee, een DGA viel voorheen onder de Psw maar valt vanaf 1 januari 2007 niet onder de Pw tenzij hij daar in 2007 uitdrukkelijk voor heeft gekozen. DGA’s die er niet voor hebben gekozen om onder de Pw te vallen, kunnen na 2008 alleen nog pensioen opbouwen in eigen beheer, via een verzekeraar of een combinatie van beide. Op papier leek dat een belangrijke wijziging, maar de meeste DGA's bouwden al zelf pensioen op dus in de praktijk veranderde er niet zoveel.
Strengere regels voor pensioenuitvoerders [bewerken]
Werknemers en gepensioneerden krijgen met de Pw meer zekerheid over de uitbetaling van hun pensioen. Er worden in de Pw strengere eisen gesteld aan de omvang van het eigen vermogen van pensioenuitvoerders. Het kabinet heeft met werknemers- en werkgeversorganisaties en DNB afgesproken dat een deelnemer gemiddeld maar eenmaal in de periode van zijn pensioenopbouw (ongeveer 40 jaar) mag meemaken dat de reserves van de pensioenuitvoerder lager zijn dan het vereiste minimum. Zo'n afspraak is niet waterdicht, er zijn immers veel factoren die de reserves van fondsen en verzekeraars beïnvloeden – ook factoren waar DNB of het kabinet weinig aan kunnen doen.
Informatieplicht [bewerken]
Werkgevers kregen met de nieuwe Pw een strengere informatieplicht, ze moeten hun werknemers beter informeren over hun rechten en plichten rond pensioen. Verder ging de leeftijd waarop een werknemer kan deelnemen aan een pensioenregeling naar beneden, die leeftijd was 25 jaar en werd verlaagd naar 21 jaar. Een werkgever moet sinds die datum dus alle werknemers vanaf 21 jaar een pensioen aanbieden.
Ook pensioenuitvoerders moeten de verzekerden en gepensioneerden beter voorlichten. Ze moeten hun deelnemers duidelijker voorlichten over hun opgebouwde aanspraken, dit moet minstens één keer per jaar gebeuren. Werknemers die niet langer pensioen opbouwen in een fonds – de zogenoemde slapers - moeten eens in de vijf jaar van informatie worden voorzien. Ook de informatie over het al dan niet aanpassen van de pensioenen aan de inflatie (indexatie) wordt strenger. Als pensioenuitvoerders pensioenen niet indexeren of hier voorwaarden aan verbinden, moeten zij hun deelnemers daar helder over informeren. Is het indexatiebeleid van een uitvoerder niet helder, dan gaat de toezichthouder ervan uit dat de pensioenen onvoorwaardelijk worden geïndexeerd.