Perikoop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een perikoop (= lett.: afgesneden gedeelte, van het Grieks: περικοπή, perikoptoo = lett.: rondom afhakken, besnoeien) is een gedeelte uit de Bijbel dat op zon- en feestdagen naar een vaste orde – wel aangeduid als het kerkelijk jaar – in de christelijke eredienst wordt voorgelezen. Vele kerkgenootschappen (de Orthodoxe Kerk, Rooms-katholieke Kerk, de Oudkatholieke Kerk, de Anglicaanse Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk) nemen deze orde in acht, al zijn er tal van onderlinge afwijkingen, met name in de tijd na Pinksteren.

De synagoge kende een indeling van de eerste vijf boeken van het Oude Testament, die soms over een periode van drie jaar of in één jaar werden gelezen. De Kerk kende omstreeks 200 her en der het gebruik van een viervoudige lezing: Pentateuch (de eerste vijf boeken van het Oude Testament), de profetische boeken, brieven van het Nieuwe Testament en de Evangeliën). Op den duur zijn verschillende gewoonten gegroeid (drie lezingen; twee lezingen uit het Nieuwe Testament). Voor de grote feestdagen koos men de daarop betrekking hebbende Bijbelgedeelten. Geleidelijk ontstond op en rondom de feestdagen een zeker kader, waar men niet meer van afweek.

Het is niet duidelijk in hoeverre de synagoge invloed gehad heeft op de keuze van de lezingen. Zeker is, dat het kader van de lezingen, het zogenaamde perikopensysteem, zich in het begin van de 6de eeuw wat betreft de lezingen in de eucharistieviering vrijwel volledig ontwikkeld heeft. Begin en einde van de perikopen merkte men in de tekst door een teken, ook wel in margine (indiculi, capitularia); later schreef men ze in afzonderlijke codices af (lectionaria). Wanneer de gedeelten uit de brieven (epistels) of de evangeliën gescheiden van elkaar afgeschreven werden, sprak men van epistolaria, respectievelijk evangeliaria.

Maarten Luther (1483-1546) sloot zich aan bij de oud kerkelijke perikopen. Huldrych Zwingli (1484-1531) brak met het hele systeem; hij meende dat de perikopen de toegang tot het geheel van de schrift versperren. Ook Johannes Calvijn (1509-1564) koos zo consequent mogelijk voor de doorlopende schriftlezing en een daarbij aansluitende doorlopende prediking. In het gereformeerd protestantisme ontwikkelde zich later toch weer een vorm van kerkelijk jaar op en rondom de grote feestdagen, zonder dat men echter terugkeerde tot de oude perikopen. Op den duur leidde dit tot algehele vrijheid voor de predikant wat betreft de keuze van de schriftlezingen.

In de Romeinse liturgie van de Katholieke Kerk is een nieuwe orde van de lezingen voor de viering van de mis en van het getijdengebed in 1977 verschenen. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) had immers opgeroepen om de tafel van het Woord rijker aan te richten, zo dat binnen een vastgesteld aantal jaren het belangrijkste deel van de Heilige Schrift aan het volk wordt voorgelezen[1], Het lectionarium voor de zondagen bevat thans een cyclus van drie jaren (A, B en C) en heeft telkens drie lezingen. Voor de weekdagen wordt een tweejarige cyclus gehanteerd, met telkens twee lezingen.

Bronnen, noten en/of referenties