Persoonlijkheidsleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Psychologie
Psy logo.jpg

Basisdisciplines
Functieleer
Sociale psychologie
Ontwikkelingspsychologie
Gedragsanalyse
Cognitieve psychologie
Biologische psychologie
Klinische psychologie
Neuropsychologie
Persoonlijkheidsleer

Andere disciplines
Humanistische psychologie
Arbeids- en organisatiepsychologie
Psychologie van arbeid en gezondheid
Leerpsychologie
Rechtspsychologie
Dieptepsychologie
Gestaltpsychologie
Dierpsychologie
Culturele psychologie
Psychometrie
Psychonomie
Taalpsychologie
Evolutionaire psychologie
Psychohistorie

Gerelateerde onderwerpen
Lijst van psychologen
Psychologie van A tot Z

Portaal  Portaalicoon  Psychologie

De vier temperamenten volgens de klassieke leer

De persoonlijkheidsleer is de studie van de verschillen en overeenkomsten in persoonlijkheid tussen mensen, waarin persoonlijkheid inhoudt hoe het individu zich gedraagt ten opzichte van zijn sociale omgeving, andere mensen en in verschillende situaties. De persoonlijkheidsleer probeert tot een alles omvattende theorie te komen, die het gedrag van mensen kan voorspellen in verschillende situaties, maar tot op heden is dit niet of nauwelijks gelukt.

Stromingen[bewerken]

In de geschiedenis van de psychologie zijn er diverse systemen ontwikkeld om de persoonlijkheid te beschrijven. De oude Grieken stelden dat er 4 persoonlijkheden of temperamenten waren, die bepaald werden door de humores, de lichaamssappen. Deze theorie heeft tot in de late middeleeuwen veel invloed gehad. Deze oude opvatting heeft een aantal moderne psychologen geïnspireerd tot een moderne persoonlijkheidstypologie, terwijl anderen deze benadering radicaal verwierpen. Hieronder een kort overzicht.

Psychoanalytische benadering[bewerken]

Sigmund Freud, foto genomen omstreeks 1905

Freud heeft zich met zijn psychoanalytisch perspectief wel laten inspireren door de oude Grieken. Deze benadering stelt dat persoonlijkheid voortkomt uit een strijd van de hedonistische Id en het Superego met het reële Ego. De persoonlijkheid speelt zich gedeeltelijk af in het onderbewuste, waar het Id de scepter zwaait, en de oerdriften probeert door te drukken naar het bewuste. Wanneer het Ego dit niet goed kan beheersen en niet (gedeeltelijk) toegeeft aan de lusten van het Id, zal zich dat in verschillende persoonlijkheidsstoornissen uiten. Het Ego kan, om zich te verdedigen tegen de oerkracht van het Id, dienen van verschillende afweermechanismen. Het Ego moet een goede verhouding vinden tussen de wil van het Id en het Superego, wat de normen en waarden behelst en de doelen in de toekomst vaststelt. Carl Jung en Alfred Adler zijn verder ingegaan op de verschillende fasen van ontwikkeling die Freud had ontwikkeld, en hebben de psychoanalytische benadering doorontwikkeld tot de neoanalytische benadering. In elke ontwikkelingsfase kan fixatie optreden, wat op latere leeftijd de verklaring kan zijn voor psychologische stoornissen. Een beknopt overzicht van de fasen:

Om persoonlijkheid te meten gebruikt een psychoanalyticus methoden als introspectie en apperceptieve testen. Ook de vrije associatie is en was een veelgebruikte methode om na te gaan wat voor persoonlijkheid iemand heeft.

Een belangrijke en interessante visie op het Id is dat men die zou kunnen vergelijken met het menselijk genoom, wat ook als het ware de oerdriften van een mens behelst. Deze visie maakt de psychoanalyse gedeeltelijk biologisch. Verder kan men, in deze visie, het Superego vergelijken met de frontale kwab, waarin "het geweten" huist.

Het functiekruis van Jung met de vier functies: Intuïtie (boven) tegenover Gewaarwording (beneden), Denken (links) tegenover Voelen (rechts)

Persoonlijkheidstypen van Jung[bewerken]

Carl Gustav Jung was de eerste die een moderne typologie van de persoonlijkheid opstelde. Hij stelt dat er vier psychische functies zijn: denken, voelen, gewaarwording en intuïtie. Denken en voelen zijn hierbij de rationele functies, en gewaarwording en intuïtie de irrationele functies. Deze vier functies combineert hij met de twee fundamentele houdingen introversie en extraversie. Door combinatie van deze vier functies en twee houdingen ontstaan dus in totaal acht mogelijke persoonlijkheidstypen:

  1. het extraverte denktype
  2. het introverte denktype
  3. het extraverte gevoelstype
  4. het introverte gevoelstype
  5. het extraverte gewaarwordingstype
  6. het introverte gewaarwordingstype
  7. het extraverte intuïtieve type
  8. het introverte intuïtieve type

In het 'functiekruis', een soort diagram, staan Denken en Voelen tegenover elkaar, evenals Gewaarworden en Intuïtie. Volgens Jung zal steeds een van de vier functies dominant (superieur) zijn in de persoonlijkheid, en de tegenovergestelde inferieur. In een lezing[1] geeft hij zelf het voorbeeld van de manier waarop intuïtieve mensen naar de dingen kijken tegenover mensen die heel zintuiglijk zijn ingesteld. Je kunt, zo zegt hij, niet tegelijk nauwkeurig kijken (Gewaarworden als superieure functie) en het beeld in zijn totaliteit beschouwen door er als het ware 'langs te kijken en in je op te nemen. (Intuïtie als superieure functie). Net zo zal iemand met een goed verstand over alles goed nadenken, maar het Voelen - nodig bij sociaal verkeer en gevoelssituaties - zal bij zo iemand minder goed functioneren omdat het zijn 'inferieure functie is. Het denken is hooggedifferentieerd en het voelen laag gedifferentieerd.

Dispositionele benadering[bewerken]

De dispositionele of 'trekken'-benadering vindt haar wortels in de late 19de eeuw, toen Alfred Binet voor het eerst op grote schaal persoonlijkheidstests ontwikkelde en afnam. Raymond Cattel kwam ook rond die tijd met 16 traits, of trekken, waarop elke mens zou kunnen scoren en wat de persoonlijkheid in zou houden. Hij kwam op deze 16 trekken door middel van een statistische methode, namelijk de factoranalyse, waarbij hij keek naar de correlaties tussen verschillende kenmerken of karaktertrekken als "warm", "aardig" en "koel", die mensen gebruiken als ze andere mensen omschrijven, en waarbij hij uitkwam op 16 "supertraits" of dimensies waaronder alle andere karaktertrekken genoemd zouden kunnen worden. Later onderzoek heeft opgeleverd dat er ook binnen deze 16 dimensies weer onderlinge correlationele verbanden liggen.

Big Five[bewerken]

Een moderne theorie die daar uit is voortgekomen, en die ook empirisch ondersteund wordt, is de "big five". Deze theorie stelt dat er vijf grote, onafhankelijke dimensies zijn van persoonlijkheidstrekken waarop mensen van elkaar verschillen of juist met elkaar kunnen worden vergeleken. Elke dimensie heeft een eigen tegenpool, en iemand scoort dan ook hoog op het een en laag op de tegenpool, of omgekeerd. Deze dimensies zijn (met tegenpool en enkele voorbeelden):

  • Neuroticisme tegenover interne stabiliteit (het kunnen omgaan met tegenslag, stabiele emoties)
  • Extraversie tegenover introversie (het kunnen spreken in het openbaar, omgang met andere mensen)
  • Openheid (hoe staat men tegenover nieuwe dingen, creativiteit, intelligentie. deze heeft geen echt benoembare tegenpool).
  • Consciëntieusheid tegenover laksheid (plannen, motivatie)
  • Altruïsme tegenover egoïsme (vriendelijkheid, overeenstemming)

Situationisme?[bewerken]

De Big Five is echter nog niet perfect, omdat het uitgaat van een persoonlijkheid die stabiel is in verschillende situaties, en voorspellend is voor nieuwe situaties. Dit blijkt in de praktijk niet zo te zijn. Een extreme tegenhanger van de trait aanpak is het situationisme, dat uitgaat van het feit dat de situatie volledig bepalend is voor gedrag, en dat hetzelfde gedrag niet gemeten kan worden over verschillende situaties. Tegenwoordig hangen de meeste psychologen toch een combinatie aan, het interactionisme, dat uitgaat van het feit dat een persoonlijkheid gedeeltelijk gedrag verklaart en dat de situatie een ander deel bepaalt. De Big Five is toch wel een voor veel mensen toegankelijke theorie, wat ook een deel van de populariteit verklaart.

De big five wordt ook veel gebruikt bij bijvoorbeeld sollicitatieprocedures, om te kijken of iemand geschikt zou zijn voor een baan. Een veelgebruikte test hiervoor is de NEO-PI, waarbij NEO staat voor de eerste 3 van de 5 dimensies. Kritiek hierop is dan ook dat de test een momentopname is, en niet voorspelt hoe echt gedrag in echte situaties is.

Biologische benadering[bewerken]

De biologische benadering gaat ervan uit dat de basis voor persoonlijkheid terug te vinden is in de hersenen, werking van neurotransmitters (bijvoorbeeld dopamine en aangeboren) eigenschappen. Er is bijvoorbeeld veel onderzoek gedaan naar de biologische basis van eigenschappen als affectieve stijl, emotionele stabiliteit en introversie-extraversie. De biologische benaderingen bedienen zich van neurobiologisch onderzoek als fMRI en EEG, in combinatie met vragenlijsten om persoonlijkheid te meten. Een belangrijke aspect vormt ook de gedragsgenetica, dus het onderzoek naar de erfelijke bepaaldheid van individuele verschillen in persoonlijkheidseigenschappen en menselijk gedrag.

Neuroticisme-Extraversie[bewerken]

Doorsnede van de hersenstam, met in het midden het reticulaire activatiesysteem, ofwel (A)RAS

Hans Eysenck heeft in eerste instantie een dispositionele benadering ontwikkeld, waarbij hij uitgaat van twee of drie dimensies, namelijk Neuroticisme en Extraversie, en als derde dimensie nog Psychoticisme, hoewel deze laatste dimensie niet wijd verbreid is. Hij heeft zich ook laten inspireren op de oude grieken, die de vier karaktertrekken onderscheidden door te veel of tekort aan lichaamsvloeistoffen. De eerste twee karaktertrekken lijken dan ook op de twee dimensies van Eysenk. Zijn PEN-theorie is echter ook onder te verdelen onder de biologische benaderingen, omdat hij verschillende lichaamsprocessen aan zijn dimensies heeft gekoppeld.

Eysenck stelt dat mensen die laag op zijn dimensie extraversie scoren, introvert zijn, minder dominant en minder snel het middelpunt van de belangstelling zijn op sociale gelegenheden. Hij stelt dat iedereen verschilt op een zeker uitgangsniveau van geagiteerdheid in het hersengebied wat bekendstaat als het ascenderende reticulaire activatiesyteem (ARAS) en iedereen heeft een optimum voor de activatie in dit hersendeel, om goed te kunnen functioneren. Tijdens slaap is de ARAS bijna niet geactiveerd, en tijdens een parachutesprong heel erg. Hoe sneller iemand veel activatie heeft in zijn ARAS, hoe lager hij of zij scoort op extraversie. Mensen met een lage score op extraversie zijn sneller voldaan in hun behoefte naar opwinding.

Empirisch bewijs voor dit gedeelde van Eysencks theorie is te vinden bij de wet van Yerkes-Dodson; mensen die introvert zijn hebben minder stress nodig om optimaal te functioneren, en andersom. Bovendien is het aangetoond dat thrillseekers, mensen die het gevaar opzoeken, bungeejumpen, parachutesprongen maken en andere extreme sporten beoefenen, vaker extravert zijn.

Voor neuroticisme zoekt Eysenck een soortgelijke verklaring, maar dan in de hersendelen die verantwoordelijk zijn voor de emotieregulatie van de mens. Hiervoor is minder empirisch bewijs gevonden.

BIS/BAS theorie[bewerken]

De BIS (Behaviour Inhibition System, "gedragsvermijdingssysteem")/ BAS (Behaviour Approach System, "gedragsbenaderingssysteem") theorie van Gray is gedeeltelijk gestoeld op de belonings- en strafcentra in de hersenen. Doelen, of incentives die we proberen te bereiken, zullen worden beloond door de BAS, en deze incentives zullen we proberen vaker te krijgen. De BIS zorgt dat we gestraft en operant geconditioneerd worden voor dingen die we moeten vermijden. De persoonlijkheidstheorie schuilt in de gevoeligheid van deze twee systemen. Mensen die impulsief zijn, hebben een hoge BAS en een lage BIS. Mensen die een aanleg voor angst hebben, hebben juist een hoge BIS en een lage BAS.

Empirische ondersteuning voor de BIS/BAS-theorie ligt in het feit dat mensen inderdaad een soort beloningssysteem hebben, namelijk de dopaminerge paden in de hersenen. Dopamine is de neurotransmitter waar onze hersenen ons mee belonen, en waar we een gelukkig gevoel van krijgen. Verder zou serotonine een rol spelen als BIS, maar hier bestaat wat onenigheid over onder de wetenschappers. Verder zou een BIS-syteem kunnen liggen in de rechter frontale kwab, want daar is een verhoogde activiteit gemeten met fMRI terwijl mensen angst of afschuw ervoeren.

Een derde systeem, namelijk het sensatiebenaderingssysteem, is voorgesteld door de psycholoog Marvin Zuckerman. Hij stelt als hersensysteem de neurotransmitter MAO (MonoAmine Oxidase) te gebruiken. MAO reguleert andere neurotransmitters in de hersenen, en zorgt er vermoedelijk voor dat mensen sensatie opzoeken of juist uit de weg gaan. Hiervoor is ook enig empirisch bewijs verzameld in de vorm van onderzoeken naar thrillseekers.

Overlapping tussen theorieën[bewerken]

Verhouding van Eysenk en Gray. De rode lijn drukt BAS uit, de groene lijn BIS

De BIS/BAS-theorie en Eysenks theorie kunnen gecombineerd worden, waarbij hoge neurotische score een combinatie is van een hoge BIS en hoge BAS, etc. Zie voor een overzicht van de combinaties de figuur hiernaast.

Cognitieve Benaderingen[bewerken]

Een aantal psychologen heeft beredeneerd dat hoewel de voorgaande verklaringen mooie oplossingen bieden voor persoonlijkheid, ze toch niet helemaal tot in de kern doordringen. Hierop zijn de cognitieve benaderingen ontstaan. De meest uitgewerkte theorieën die het cognitieve vlak betrekken zijn de persoonlijke constructtheorie van George Kelly, de beheersingsoriëntatietheorie, voor het eerst benoemd door Julian Rotter en de eigeneffectiviteitstheorie van Albert Bandura. Elke theorie heeft zijn eigen methode om persoonlijkheid te testen.

Persoonlijke Constructtheorie[bewerken]

De persoonlijke constructtheorie (PCT) gaat ervan uit dat men altijd als een soort wetenschapper in het leven staat, en dat men net als wetenschappers de (sociale) wereld om zich heen wil verklaren. De verklaringen die men hiervoor geeft zijn ingesloten in constructen. Een voorbeeld van een construct is slim. Elk construct is volgens Kelly bipolair, dat betekent dat de tegenpool in het voorbeeld niet slim of dom is. Omdat mensen over het algemeen niet zwart/wit denken, maar in heel veel verschillende nuances, heeft Kelly een hiërarchisch systeem bedacht waarin meest basale constructen, of het fenomeen wat beschreven wordt bovenaan staat, die weer onderverdeeld zijn in andere (bipolaire) constructen, en die zijn weer onderverdeeld in andere (bipolaire) constructen, etc. , tot men de zeer fijne nuances bereikt waarin mensen hun sociale omgeving beschrijven. De persoonlijkheid van een persoon zit hem in het verschil hoe hij/zij de sociale wereld heeft opgebouwd uit constructen, en dit is voor niemand hetzelfde. De meest gebruikte constructen binnen een construct-systeem, een verzameling constructen voor een fenomeen of persoon, zijn typerend voor dit systeem, en zullen als eerste naar boven komen als ernaar gevraagd wordt.

De PCT verklaart ook hoe mensen met elkaar kunnen opschieten. Zodra iemand een band krijgt met iemand anders, hoe simpel deze band ook is, bijvoorbeeld een eerste gesprek, wisselen mensen hun constructen uit, en proberen ze deze te matchen met hun eigen constructen. Lukt dit goed, dan kunnen de twee mensen goed met elkaar opschieten. Het kan ook zijn dat iemand zijn eigen constructen aanpast op de constructen die hij van de ander krijgt. Angst wordt in de PCT uitgelegd als een situatie waarin de constructen van iemand niet voldoende zijn om de situatie te verklaren, en falen met de buitenwereld. Dit levert de angst op.

REP-Test[bewerken]

De PCT maakt gebruik van de repertory test om constructen te meten en zo iemands persoonlijkheid te beschrijven. Hierbij moet iemand van verschillende personen zijn constructsysteem beschrijven, en ook het tegenovergestelde beschrijven tot in de details. Op deze manier krijgt de therapeut een overzicht hoe iemands persoonlijkheid eruit ziet.

Beheersingsoriëntatie[bewerken]

De beheersingsoriëntatietheorie (Engels: locus of control) heeft eigenlijk maar twee eigenschappen die persoonlijkheid bepalen, namelijk een interne en externe beheersingsoriëntatie. Als iemand een meer interne Beheersingsoriëntatie heeft, dan verklaart deze persoon de dingen die om hem heen gebeuren, en dingen die lukken en mislukken aan de hand van zijn eigen acties, die veranderbaar zijn en in de eigen macht liggen. Een externe beheersingsoriëntatie betekent dat iemand de dingen die hij meemaakt aan de buitenwereld wijt, een hogere macht of andere mensen. Iemand met een externe beheersingsoriëntatie zal vaak zijn fouten aan oorzaken toeschrijven die buiten zijn macht liggen. Een latere toevoeging op de beheersingsoriëntatietheorie is of de beheersingsoriëntatie globaal of specifiek is. Dit houdt in dat het over iedereen geldt (globaal), of alleen deze keer alleen voor die ene persoon is (specifiek). De externe en interne beheersingsoriëntatie kan zo genuanceerd worden. Tevens hebben latere psychologen nog een stabiliteitsfactor bepaald, of de beheersingsoriëntatie te veranderen is (instabiel), of dat er niks aan te doen is en het altijd zo zal blijven (stabiel).

Voorbeeld: Iemand heeft zijn autorijexamen niet gehaald. Deze persoon zegt dat het door de examinator komt, dat de examinator altijd iedereen laat zakken en dat het de volgende keer wel zal lukken omdat hij dan een andere examinator heeft. Dit betekent dat zijn beheersingsoriëntatie extern is, Globaal en Instabiel, het is tenslotte de volgende keer anders.

De beheersingsoriëntatietheorie kan persoonlijkheid niet echt meten aan de hand van tests, maar dit moet vooral gedaan worden door observatie.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Metaal, N., & Jansz, J. (1999). Hoofdstuk 11. Persoonlijkheid, Psychologie: de stand van zaken (pp. 155-168). Lisse: Swets & Zeilinger. (Kort overzicht van alle tot nu toe bestaande theorieën en hun geschiedenis)
  • (en) Gomez, R., Gomez, A., & A., C. (2002). Neuroticism and extraversion as predictors of negative and positive emotional information processing: comparing Eysenck's, Gray's, and Newman's theories. European Journal of Personality, 16, 333-350. (informatie over biologische benaderingen)
  • (en) Lane, R. C., Quintar, B., & Goeltz, W. B. (1998). Directions in psychoanalysis. Clinical Psychology Review, 18, 857-883. (Psychoanalytisch perspectief)
  • (en) Carver, C. S., & Scheier, M. F. (2007). Perspectives on personality (6th ed.). Boston, Mass.: Allyn and Bacon/Pearson Education. (boek over persoonlijkheid in het algemeen)
  • (en) Uitleg over Locus of Control
  • (en) Jankowicz, A. D. (1987). Whatever became of George Kelly?: Applications and implications. American Psychologist, 42, 481-487. (Kelly's persoonlijke constructtheorie)
  • Jung, C. G., Lemniscaat Rotterdam (1978). Over grondslagen van de analytische psychologie. De Tavistock Lectures.
  1. De Tavistock lezingen: eerste lezing.