Persoonsvorm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De persoonsvorm (verbum finitum) is in de redekundige ontleding een vorm van het werkwoord die in persoon en getal (enkelvoud vs. meervoud) met het onderwerp overeenstemt en in een andere tijd kan worden overgebracht.

De persoonsvorm is een onderdeel van het gezegde. Samen met het onderwerp vormt de persoonsvorm nog een syntactische eenheid, de zinskern.

Een hoofdzin en een niet-beknopte bijzin bevatten vrijwel altijd een persoonsvorm.

De persoonsvorm vinden[bewerken]

Bij het vragend maken van de zin komt de persoonsvorm vooraan te staan:

  • Jij hebt hem nooit met rust gelaten.
  • Heb jij hem nooit met rust gelaten?
  • Zij heeft een baaldag en blijft daarom vandaag thuis.
  • Heeft zij een baaldag en blijft zij/ze[1] daarom vandaag thuis?

Voornoemde methode werkt echter niet wanneer de zin met een vragend voornaamwoord begint.

Een andere methode is de zin in een andere tijd te zetten,[2]. Het gewijzigde woord is de persoonsvorm (nuttig bij bijzinnen, omdat er dan minstens twee persoonsvormen zijn):

  • Hij vindt haar nogal eigenwijs.
  • Hij vond haar nogal eigenwijs.
  • Maar ze zou grinniken, als hij het haar verweet.
  • Maar ze zal grinniken, als hij het haar verwijt.

Deze methode gaat echter niet op bij bepaalde type zinnen, zoals die in de gebiedende wijs (waarin de persoonsvorm overigens in het algemeen reeds het eerste woord van de zin is).

Noten

  1. Merk in nevengeschikte vraagzinnen de herhaling van het onderwerp op.
  2. Gewoonlijk o.t.t.o.v.t.