Petroesjka

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Petroesjka
Petroesjka
Petroesjka
Componist Igor Stravinsky
Soort compositie ballet
Gecomponeerd voor orkest
Opusnummer W18
Compositiedatum 1910-1911
Première 13 juni 1911
Vorige werk Deux poèmes de Paul Verlaine
Volgende werk Deux poésies de Konstantin Balmont
Oeuvre Oeuvre van Igor Stravinsky
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Petroesjka of Petrushka (Frans: Pétrouchka; Russisch: Петрушка) (W18) is een ballet met muziek van de Russische componist Igor Stravinsky en een choreografie van Michel Fokine. De naam Petroesjka betekent: Peterselie.

Het is een verhaal over een traditionele Russische pop, die van stro is gemaakt en met zaagsel is gevuld, maar die tot leven komt en dan ook in staat is tot liefhebben. Dit verhaal lijkt in bepaalde opzichten op dat van Pinocchio.

Volgens Andrew Wachtel is Petroesjka een werk waarin muziek, ballet, choreografie en geschiedenis perfect uitgebalanceerd zijn. Het is een stuk dat als Gesamtkunstwerk (een begrip van Richard Wagner) werkt, maar dan met een Russische inslag.[1]

Compositie[bewerken]

Stravinsky schreef de muziek in de winter van 1910-1911 voor Serge Diaghilev's Ballets Russes. De première vond plaats in het Parijse Théâtre du Châtelet op 13 juni 1911, onder leiding van dirigent Pierre Monteux. Hoewel de productie een succes was waren er diverse critici die het stuk niet zagen zitten vanwege de broosheid, bijtendheid, en groteskheid. Een recensent benaderde Diaghilev na een kledingrepetitie en zei: "Dus je nodigde ons uit om dit te horen?". Diaghilev antwoordde prompt: "Precies!". Toen Diaghilev en zijn gezelschap naar Wenen reisden in 1913 weigerde de Wiener Philharmoniker aanvankelijk het stuk te spelen, en deden het stuk af als smerige muziek.

Het werk wordt gekarakteriseerd door het zogeheten Petrushka-akkoord (dat bestaat uit de combinatie van C groot en Fis groot drieklanken die gelijktijdig worden gespeeld), een polytonale techniek die de verschijning van het hoofdkarakter steeds aankondigt.

Instrumentatie[bewerken]

Originele versie[bewerken]

De originele versie uit 1911 bevat 4 fluiten (de 3e en 4e ook piccolo), 4 hobo's (de 4e ook Engelse hoorn ofwel althobo), 3 klarinetten in Bes, basklarinet in Bes (ook 4e klarinet), 4 fagotten, contrafagot (ook 4e fagot), 4 hoorns in F, 2 trompeten in Bes (vaak ook piccolotrompet), 2 cornetten in Bes en A, 3 trombones, tuba, pauken, grote trom, bekkens, 2 snaredrums (een offstage), 2 tamboerijnen (een offstage), triangel, tamtam, klokkenspel, xylofoon, piano, celesta (quatre-mains), 2 harpen en strijkers.

Gereviseerde versie[bewerken]

Stravinsky's versie uit 1947 is voor een kleiner orkest georkestreerd: 3 fluiten (de 3e ook piccolo), 2 hobo's, Engelse hoorn (althobo), 3 klarinetten in Bes (3e ook basklarinet in Bes), 2 fagotten, contrafagot, 4 hoorns in F, 3 trompetten in Bes en C, 3 trombones, tuba, pauken, grote trom, bekkens, snaredrum, tamboerijn, triangel, tamtam, xylofoon, piano, celesta, harp en strijkers.

Het verhaal[bewerken]

Het libretto is van Alexandre Benois en van Igor Stravinsky zelf.

Het stuk opent op een markt in Sint-Petersburg: Maslenitsa, een Russisch carnavalsfeest waar de lente wordt gevierd, analoog aan Mardi Gras. De mensen vieren feest voordat de vastentijd begint.

Stravinsky's orkestratie en snel wisselende ritmes schilderen de drukte op de markt. Een orgelman en dansend meisje vermaken de menigte. Trommelaars kondigen de verschijning van de Oude Tovenaar aan, die het geboeide publiek charmeert. Plots gaat het doek van een klein theater open en de Tovenaar stelt drie levenloze poppen, Petroesjka, de Ballerina en de Moor, aan het publiek voor.

Hij spreekt een toverspreuk uit met zijn fluit. De poppen komen tot leven, en springen van het toneel en beginnen een wilde Russische dans tussen het publiek.

De tweede scène, na de dans, is in de kamer van Petroesjka. De muren zijn donker geverfd en met zwarte sterren en een halve maan gedecoreerd. Met een harde klap gooit de Tovenaar Petroesjka in zijn kamer. Te zien is dat Petroesjka een ongelukkig leven leidt achter het doek. Hoewel Petroesjka een pop is voelt hij menselijke emoties en is verbitterd tegenover de Tovenaar voor zijn gevangenschap, maar ook vanwege de nu onbereikbare liefde voor de Ballerina. Een fronsend portret van de Tovenaar hangt aan de muur om Petroesjka er aan te herinneren dat hij slechts een pop is. Dit maakt hem kwaad en hij balt zijn vuisten bij de blik op dit portret. Hij tracht te ontsnappen uit zijn kamer, maar dat lukt niet.

Dan komt de Ballerina binnen. Petroesjka wil zijn liefde betuigen, maar de Ballerina is niet van zijn avances gediend. Omdat de Tovenaar Petroesjka wreed behandelt richt de Ballerina zich op de Moor, en Petroesjka's gevoelige aard knapt.

In de derde scène leert het publiek dat de Moor een veel comfortabeler "leven" leidt dan Petroesjka. Zijn kamer is groter, rijkelijk versierd en in fel rode, groene en blauwe kleuren geschilderd. Konijntjes, palmbomen en exotische bloemen smukken het geheel op. De Moor ligt lui op een bank en speelt met een kokosnoot, en probeert deze te klieven met zijn zwaard. Als hij daar niet in slaagt bedenkt hij dat de kokosnoot wel God moet zijn.

De Tovenaar plaatst de Ballerina bij de Moor in diens kamer. Ze valt voor zijn attractieve uiterlijk. Ze speelt een smeuïg liedje op een speelgoedtrompet (vertegenwoordigd door de cornet in het orkest in de originele orkestratie uit 1911) en ze begint te dansen met de Moor.

Petroesjka weet uiteindelijk uit zijn kamer te ontsnappen. De Tovenaar brengt hem naar de kamer van de Moor om de dans tussen de Moor en de Ballerina te verstoren. Petroesjka valt de Moor aan, maar beseft dat hij te klein en te zwak is. De Moor verslaat hem. Petroesjka rent voor zijn leven en de Moor gaat erachteraan. Hij ontsnapt uit de kamer.

De vierde en laatste scène is 's avonds en vindt weer plaats bij het carnaval. Het orkest introduceert een aantal kleurrijke dansen en een reeks ongerelateerde karakters komt het toneel op en verlaat het toneel weer. De eerste en meest prominente dans is de Natte-Zusters Dans, op de melodie van het volksliedje "Onder de tsaar Peter Straat". Dan volgt een boer met dansende beer, zigeuners, koetsiers, paardenmenners en gemaskerde lieden.

Als het feest in volle gang is klinkt een kreet uit het poppentheater. Plotseling rent Petroesjka het toneel op, achtervolgd door de Moor met een bijl in zijn hand. De menigte is angstig als de Moor Petroesjka inhaalt en hem dood hakt.

De politie verschijnt en ondervraagt de Oude Tovenaar. Die probeert kalmte terug te brengen door het zaagsel uit het lijf van Petroesjka te schudden, om iedereen er aan te herinneren dat het slechts een pop was.

Als de nacht valt en de menigte naar huis is vertrekt de Tovenaar, met in zijn hand het slappe lijf van Petroesjka. Maar dan verschijnt de geest van Petroesjka op het dak van het kleine poppentheater, en er klinkt een woedende protestkreet. Zijn 'dood' heeft zijn geest alleen maar versterkt, en hij wijst met zijn neus naar zijn kwelgeest vanachter het hout en stro van zijn karkas.

De Oude Tovenaar is nu alleen en geschrokken van de geestverschijning van Petroesjka. Hij vlucht en laat het publiek in twijfel achter over wie er nu "echt" was en wie niet.

Secties[bewerken]

Het werk bestaat uit 4 tableaus met de volgende scènes:

Deel I: De Markt

  • Inleiding (op de vastenavondmarkt)
  • De Charlatan
  • Russische Dans

Deel II: Petroesjka's kamer

  • Petroesjka's kamer

Deel III: De kamer van de Moor

  • De kamer van de Moor
  • Dans van de ballerina
  • Wals - De Ballerina & de Moor

Deel IV: De vastenavondmarkt (avond)

  • Dans van de minnen
  • Boer met beer
  • De vrolijke koopman met twee zigeunermeisjes
  • Dans van de koetsier en de paardenman
  • De gemaskerden
  • Het gevecht - De Moor en Petroesjka
  • Dood van Petroesjka
  • Verschijning van Petroesjka's alter ego.

Andere versies[bewerken]

In 1921 bewerkte Stravinsky het stuk voor piano voor Arthur Rubinstein, getiteld Trois mouvements de Petrouchka, waarbij de componist toegaf dat hij het zelf niet kon spelen vanwege een slechte linkerhandtechniek.

In 1947 schreef Stravinsky de gereviseerde versie voor een kleiner orkest, gedeeltelijk omdat op de originele versie geen copyright zat en Stravinsky wilde profiteren van de populariteit van het werk. De roffels die de scènes aan elkaar verbinden waren niet verplicht in de eerste, maar wel in de tweede versie. De melodie van de Ballerina wordt in de late versie door trompet in plaats van cornet gespeeld. Ook heeft de versie uit 1947 een fortissimo in het einde van de pianoafsluiting.

Stravinsky maakte ook een suite voor concertante uitvoeringen waarin de laatste drie secties zijn weggelaten: het gevecht tussen de Moor en Petroesjka, de dood van Petroesjka en de geestverschijning.

In 1956 verscheen een animatiefilm van het stuk als deel van NBC's Sol Hurok Music Hour. De muziek bij deze film werd door Stravinsky zelf gedirigeerd en was de eerste van een dergelijke samenwerking tussen animator en componist. Onder leiding van animator John David Wilson van Fine Arts Films was het tevens de eerste op televisie uitgezonden animatiefilm ter wereld.

Gedeeltelijke discografie[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Andrew Baruch Wachtel, Scholl, Tim, Kennedy, Janet, Taruskin, Richard: Petrushka: Sources and Contexts,1998-05-13,Northwestern University Press, (en) , ISBN 0810115662

Externe links[bewerken]