Piet J. Schmidt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
P.J. Schmidt

Petrus Johannes (Piet) Schmidt (Arnhem, 23 november 1896 - New York, 2 december 1952) was een Nederlands politicus.

Levensloop[bewerken]

In de jaren dertig van de twintigste eeuw was Schmidt voorzitter van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) en de Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). Voor deze laatste partij werd hij gekozen in de Provinciale Staten van Noord-Holland en in de Amsterdamse gemeenteraad. Toen hij in september 1936 werd geroyeerd als lid van de RSAP vanwege zijn kritiek op Stalin en het stalinistische regime in de Sovjet-Unie, trok hij zich uit de Provinciale Staten en de gemeenteraad terug. Hij werd lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en werd voor die partij in 1939 in de gemeenteraad van Amsterdam gekozen. Hij bleef lid van de raad tot 1941, toen de gemeenteraad door de Duitse bezetter werd ontbonden.

Na de Tweede Wereldoorlog ging Schmidt in 1946 bij de Verenigde Naties werken en was hij nauw betrokken bij de opstelling van de Universele verklaring van de rechten van de mens (1948). Van 1946 tot 1951 was hij hoofd van de Europese sectie van de Veiligheidsraad, in 1948 secretaris en adviseur van de Korea-commissie, in 1950 leidde hij de Eritrea-missie en was hij secretaris van de Ontwapeningscommissie van de VN. In 1952 werd hij benoemd tot directeur van de afdeling Ontwapeningszaken van de Veiligheidsraad. Zijn laatste opdracht betrof de kwestie Kasjmir, waarover hij onderhandelingen voerde met India en Pakistan.

Schmidt stierf op 56-jarige leeftijd aan een hartaanval.