Pijnappelskink

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pijnappelskink
IUCN-status: Niet geëvalueerd (2008)
BlueTonguedLizard 2005 SeanMcClean.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Squamata (Schubreptielen)
Onderorde: Lacertilia (Hagedissen)
Infraorde: Scincomorpha (Skinkachtigen)
Familie: Scincidae (Skinken)
Geslacht: Tiliqua (Blauwtongskinken)
Soort
Tiliqua rugosa
Gray, 1825
Afbeeldingen Pijnappelskink op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Pijnappelskink op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Reptielen

De pijnappelskink (Tiliqua rugosa) is een hagedis uit de familie skinken (Scincidae). In 2000 werd de naam veranderd naar Trachydosaurus rugosus, deze wijziging werd in 2002 weer teruggedraaid waardoor in de literatuur verschillende benamingen worden gebruikt.[1]

Verspreiding en habitat[bewerken]

De skink komt alleen voor in westelijk Australië. Deze soort houdt van zowel droge als vochtige biotopen, maar in echte halfwoestijnen en steppes is het te droog. De skink heeft wel enige vegetatie of een strooisellaag nodig, en is voornamelijk te vinden in bossen, bosranden en begroeide heuvels. Het is een typische bodembewoner die nooit klimt.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

Buiten de staart is deze soort ook te herkennen aan de zeer grove en gekielde schubben die elkaar opvallend overlappen doordat het midden erg puntig is; de schubbenstructuur heeft veel weg van een onrijpe dennenappel met gesloten lobben, die fungeert als opslagplaats voor reservevoedsel. De kleur is meestal bruin tot zeer donkerbruin met gele en oranje vlekken die zeer onregelmatig zijn maar meestal op de kop en staart aan de flanken en over de gehele buik terugkomen. De blauwe tong is erg breed, de korte poten staan van elkaar af. Hij wordt maximaal 40 centimeter lang.

Levenswijze[bewerken]

Het voedsel bestaat uit voornamelijk planten zoals fruit en bessen en verder ook slakken, wormen en insecten.

De pijnappelskink is van alle soorten blauwtongskinken het makkelijkst te herkennen doordat de staart net zo driehoekig, dik en breed is als de kop; het belangrijkste verdedigingsmechanisme van deze hagedis. Mocht een roofdier toch de juiste kop te pakken hebben, dan steekt de skink de felblauwe tong uit, die met name vogels doet afschrikken, en ook kan hij flink bijten; scherpe tanden heeft de skink niet maar de enorme kaakspieren doen een vinger aanvoelen alsof deze met een klap tussen de deur komt.

Voortplanting[bewerken]

In de voortplantingstijd vormen ze paartjes voor de periode van 8 weken om daarna weer uit elkaar te gaan tot het volgende jaar. Een worp bestaat meestal uit 1 tot 3 tamelijk grote jongen.

Afbeeldingen[bewerken]

Bronvermelding[bewerken]

Referenties
  1. Peter Uetz & Jakob Hallermann. The Reptile Database – Tiliqua rugosa
Bronnen
  • (en) Peter Uetz & Jakob Hallermann - The Reptile Database - Tiliqua rugosa - Website Geconsulteerd 9 augustus 2014
  • David Burnie (2001) - Animals, Dorling Kindersley Limited, London. ISBN 90-18-01564-4 (naar het Nederlands vertaald door Jaap Bouwman en Henk J. Nieuwenkamp).