Onderwerp (zinsdeel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Plaatsonderwerp)
Ga naar: navigatie, zoeken

Het onderwerp (ook subject genoemd) is in de grammatica het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm (het 'finiete werkwoord' of verbum finitum) er uitziet. Onderwerp en persoonsvorm samen vormen de grammaticale basis van elke mededelende of vragende zin.
Het onderwerp vervult ook een centrale rol in de betekenisinhoud van de zin:

  • in bedrijvende zinnen

Het onderwerp is in een bedrijvende zin de handelende 'persoon' (iemand of iets die/dat een handeling uitvoert), zoals in de eerste twee onderstaande voorbeelden.

  • in lijdende zinnen

In een lijdende zin verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling ondergaat, zoals in het derde en vierde onderstaande voorbeeld. In een lijdende zin geeft niet het grammaticale onderwerp, maar de 'bepaling van de handelende persoon' (of 'handelend voorwerp') aan wie of wat de handeling verricht.

Voorbeelden

  • Piet gaat naar huis.
  • Piet en Jan gaan naar huis.
  • Piet wordt door de jongens geslagen.
  • Piet en Jan worden door de jongens geslagen.

Gaat verandert in gaan als Piet door Piet en Jan vervangen wordt. Piet en Piet en Jan zijn dus de respectieve onderwerpen van de eerste twee zinnen. Een soortgelijke vormverandering treedt ook op bij de persoonsvorm in laatste twee zinnen. Het zinsdeel door de jongens in de derde en vierde zin fungeert als bepaling van de handelende persoon.

Nota bene:
Het onderwerp van een zin kan zelf een zinsdeel met een eigen persoonsvorm (finiet werkwoord) zijn:

  • Wat hij zegt is niet waar.
  • De dingen die hij zegt zijn niet waar.

Inhoud

Plaatsing [bewerken]

Normale plaatsing [bewerken]

In het Nederlands staat het onderwerp in mededelende hoofdzinnen in de regel direct voor de persoonsvorm (zie ook SVO-volgorde):

  • De voetballers betraden de kleedkamer.

In bijzinnen is het onderwerp daarentegen door andere zinsdelen van de persoonsvorm gescheiden:

  • Toen de voetballers de kleedkamer betraden, (sloeg de bliksem in).

Inversie onderwerp en persoonsvorm [bewerken]

Het kan gebeuren, bijvoorbeeld in sommige vragende zinnen, dat de persoonsvorm voor het onderwerp staat.

  • Hier gaan we allemaal naartoe
  • Waar gaan we heen?

Vorm [bewerken]

In de zogenaamde flecterende talen, dat wil zeggen talen met veel naamvallen, staat het onderwerp gewoonlijk in de eerste naamval of nominativus. Voorbeelden van flecterende Indo-Europese talen zijn het Duits, Oudgrieks, Latijn en de meeste Baltische en Slavische talen. Het Middelnederlands was nog tot op zekere hoogte flecterend, maar heeft tijdens de overgang naar het Nieuwnederlands al zijn de verbuigingen als gevolg van syncretisme verloren gegaan. De uitgangen waren immers te zeer afgesleten om nog onderscheidend te zijn (zie ook analytische taal).

Speciale onderwerpen [bewerken]

Loos onderwerp [bewerken]

Een loos onderwerp is een onderwerp dat geen betekenis heeft, maar enkel voorkomt voor de vorm. Het treedt alleen op bij een onpersoonlijk werkwoord. In het Nederlands komt dit neer op het gebruik van het als onderwerp in verband met een natuurgebeuren of een onbekende oorzaak of wanneer men het onderwerp niet wil aangeven.

  • Het regent.
  • Het spookte in het huis.
  • Het lekt in de kelder.

In het volgende voorbeeld is er echter geen loos onderwerp:

  • Het is een leuke dag geweest, nietwaar?

Het kan hier gemakkelijk vervangen worden door deze dag of door dit.

Voorlopig onderwerp [bewerken]

Een voorlopig onderwerp staat in het begin van de zin en verwijst naar het eigenlijk onderwerp aan het eind van de zin of in de bijzin.

  • Het is schandelijk dat ik nog nooit op de UB ben geweest.
  • Het zal zomaar gebeuren, dat hij over zijn schoenen valt

Herhalend onderwerp [bewerken]

Een herhalend onderwerp, meestal een voornaamwoord, herhaalt het eigenlijk onderwerp.

  • Dat ik literatuurwetenschappelijke colleges niet leuk vind, dat is overal bekend.

Plaatsonderwerp [bewerken]

Er als tweede onderwerp aan het begin van de zin of na inversie midden in de zin direct na de persoonsvorm, dus waar gewoonlijk het echte onderwerp staat. In dit laatste geval is het gebruik van er meestal optioneel:

  • Er stond een agent voor het consulaat.
  • Gisteravond stond (er) een agent voor het consulaat.

Psychologisch onderwerp [bewerken]

In een zin als:

  • Het water stond ons tot de lippen

is het water het grammaticaal onderwerp, maar kan ons het psychologisch onderwerp worden genoemd. Zie thematische relatie. In de traditionele ontleding wordt ons hier een ondervindend voorwerp genoemd. Volgens de grammaticus C.H. den Hertog echter is het psychologische onderwerp 'de voorstelling, die in de door den zin uitgedrukte mededeeling, vraag of gebod op den voorgrond staat'. Zie thema.

Zie ook [bewerken]