Poging
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De strafbare poging in het Nederlandse strafrecht is gecodificeerd in art. 45 Wetboek van Strafrecht.
1. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.
2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.
3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.
4. De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.
Een poging tot een bepaald misdrijf is in Nederland strafbaar gesteld. Het delict hoeft dus niet gevolgd te zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een deugdelijke en ondeugdelijke poging. Een ondeugdelijke poging wordt verder onderverdeeld in een absoluut ondeugdelijke en een relatief ondeugdelijke poging. Een absoluut ondeugdelijke poging is een poging waarin het gevolg in alle gevallen niet zal intreden. Het schieten op een lijk is een voorbeeld van een absoluut ondeugdelijke poging voor doodslag (art. 287 Sr) of moord (art. 289 Sr). Een relatief ondeugdelijke poging is een poging waarin het gevolg normaliter wel intreedt alleen in een concreet geval niet . Een poging tot diefstal (art. 310 Sr) van de inhoud van een kluis, waar men denkt veel geld te kunnen stelen, maar in een concreet geval geen geld in de kluis aanwezig blijkt te zijn is een voorbeeld van een relatief ondeugdelijke poging. In beginsel is een absoluut ondeugdelijke poging niet strafbaar. Een relatief ondeugdelijke poging is wel strafbaar.
De dader moet ook een voornemen hebben om een bepaald misdrijf te plegen. Het voornemen van de dader kan men ook zien als opzet. Alle opzetvormen kunnen hier gebruikt worden, voorwaardelijke opzet, noodzakelijkheidbewustzijn en het oogmerk.
Bovendien moet er een begin van uitvoering zijn (vgl. Cito-arrest). Vooral dit laatste vereiste heeft voor veel maatschappelijke opschudding gezorgd, in het GWK-arrest. Mede door deze opschudding heeft de regering en de Staten-Generaal conform art. 81 e.v. Gw de strafbare voorbereiding van art. 46 Sr in het leven geroepen.
Een dader die een poging tot een bepaald misdrijf doet en vrijwillig terugtreedt, is niet strafbaar (art. 46b Sr). Het moet echter gaan om een spontane vrijwillige terugtreding. Bang dat men gepakt gaat worden als men de sirene van de politie hoort is geen vrijwillige terugtreding en dan is de dader dus in beginsel strafbaar.
Poging tot een overtreding is niet strafbaar.

