Potestaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Potestaat was volgens een onecht privilege van Karel de Grote (het zogenaamde Karelsprivilege) de titel van een legeraanvoerder voor Friesland. Volgens het privilege werd de potestaat gekozen door de "consuls" en had hij het recht mensen tot ridders te slaan. De potestaat is echter volstrekt vreemd aan de Friese verhoudingen. De titel duikt voor het eerst in het jaar 1470 op en wel aantoonbaar in samenhang met het vervalste privilege.

Juw Dekama is de enige persoon waarvan zeker is dat hij tot potestaat van Friesland tussen Vlie en Lauwers gekozen is. Hij werd op 3 januari 1494 in Sneek tot potestaat gekozen, maar alleen door de Schieringers erkend. In 1498 vroeg hij Albrecht van Saksen het land te leiden, nadat hij geen controle meer kon uitoefenen over het door de twisten tussen Schieringers en Vetkopers verscheurde land. Albrecht kreeg hierbij de titel van "erfpotestaat". Na Albrechts overlijden ging de titel van potestaat over op diens zonen Hendrik en George, tot deze laatste in 1515 zijn rechten op Friesland aan Karel V afstond.

De titel potestaat is waarschijnlijk afgeleid van het Italiaanse Podestà (Nederlands: Potestaat, Duits: Potestat, Engels: Potestate, alle afgeleid van het Latijnse potestas, dat macht betekent).

In de oude Friese geschiedschrijving is een hele reeks potestaten gecreëerd. De eerste daarvan is de legendarische Friese vaandeldrager Magnus Forteman, de laatste bovengenoemde Juw Dekama. Hiertussenin bevindt zich een aantal personen, waarvan sommigen vermoedelijk legendarisch zijn, maar anderen echt bestaande personen met macht of invloed in Friesland - zonder dat duidelijk is of deze ook een formele titel hadden en of deze eventuele titel overeenkomt met de potestaattitel eind 15e eeuw.

De volgende lijst wordt gegeven door de Beknopte Geschiedenis van Friesland van Wopke Eekhoff uit 1851[1]:

Bronnen, noten en/of referenties