Potstal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Varkens in een potstal

Een potstal is een stal waarin de mest wordt opgepot. Op gezette tijden wordt de mest bedekt met een nieuwe laag stro. Door deze manier van werken komt het vee steeds hoger te staan. Als het mengsel van mest en stro een bepaalde hoogte heeft bereikt, wordt de stal geleegd. De ondertussen goed aangestampte en gerijpte mest wordt verspreid over kavels die worden gebruikt voor de akkerbouw.

Inhoud

[bewerken] Oost-Brabantse potstal

In het oosten van Noord-Brabant ontstond na de middeleeuwen een variant van de hierboven beschreven potstal. De Oost-Brabantse potstal bestond uit een voorstal en een achterstal. In de voorstal stonden de koeien en in de achterstal lag de mestkuil.

Reconstructie van de potstal anno 1750 van de Plashoeve te Lieshout, met links van de stal de schuur en rechts het voorhuis.

[bewerken] Voorstal

De voorstal grensde aan de brandmuur die de stal scheidde van het voorhuis. In de brandmuur bevond zich een kijkgat waardoor de knecht 's nachts vanuit zijn bedstee kon zien of er in de stal iets loos was. Vooraan in de stal lag de voergang met daarnaast een rij spijlen. Achter de spijlen lag de koeienstal waarin de koeien zodanig aan de spijlen waren vastgebonden dat ze met hun kop aan de kant van de voergang stonden. Aan de achterkant van die stal lag ter afscheiding een zware eiken balk. Achter die balk begon de achterstal.

[bewerken] Achterstal

Daar bevond zich een geul met een diepte van ruim een meter, de zoei. Voorbij de zoei was de bodem van de achterstal ongeveer een meter diep uitgegraven, dat was de mestkuil. Over de gebinten van de stal was met balken een schelft gemaakt waarop het hooi lag opgeslagen. In het achterste deel van de achterstal bevonden zich de paardenstal en de varkenskooi. Daartussen in hing een stevig hekwerk van stokken aan de zoldering, met een primitief laddertje daar naar toe. Op die zogenaamde hennenhoort gingen de kippen 's nachts op stok. Naast de deur naar de schuur stond het gemak, een beerton met daarop een houten deksel met een rond gat waarop ieder die in de boerderij woonde of werkte zijn behoefte deed. Als de koeien mestten liep het vloeibare deel van de mest, gier genaamd, vanzelf de zoei in. De vaste mestdelen bleven onder de koeien liggen en werden regelmatig vermengd met allerlei organisch strooisel. Het beste materiaal daarvoor was roggestro. Omdat er niet voldoende roggestro was verzamelde men afgestorven onkruid en bladafval dat bij elkaar werd geschraapt van onder heggen en uit droge sloten rond de boerderij. Ook werden op de hei plaggen gestoken. Al deze materialen werden op het erf op een hoop gegooid en voor het onder de beesten werd gestrooid vermengd met teelaarde van de akkers. Door de aanvoer van het strooisel hielden de koeien een enigszins droog ligbed en ontstond een dikke laag mestmengsel.

[bewerken] Mestkuil

Na ongeveer een week werd die onder de koeien vandaan geschept. De mest werd verspreid over de bodem van de mestkuil en daar doorheen mengde men de gier uit de zoei en mest uit de varkenskooi. Tenslotte werd het mengsel afgedekt met een laagje teelaarde. Van tijd tot tijd werd ook paardenmest, kippenmest en de inhoud van de beerton door de stalmest in de kuil gemengd. Om zoveel mogelijk mest te kunnen verzamelen werden de koeien ook in het weideseizoen elke nacht en een groot deel van de dag op stal gezet. Na verloop van tijd raakte de mestkuil helemaal opgevuld met het stalmestmengsel. Dan werd de stal uitgevaren, uitgereden. De mest in de mestkuil was tot een zeer vaste substantie geworden die werkende weg werd versneden in stukken van ongeveer een vierkante meter. Die stukken werden uit elkaar gebroken en de brokken mest werden opgeladen op een mestkar. Om meer ruimte te creëren was voor de staander bij de deur een kromme boom gebruikt, dit heette een kreupele staander. Als de mestkuil zo diep was uitgegraven dat het te moeilijk werd om de stal uit te rijden werd er een karspoor uitgegraven vanaf een meter in de stal tot enkele meters buiten de boerderij. De uitgereden stalmest werd op het erf opgeslagen tot de tijd daar was om het over het land te verspreiden.

[bewerken] Gezondheid

In de Oost-Brabantse potstal was de hygiëne ver te zoeken. Het was er dompig en donker, en de koeien waren bevuild, wat niet bevorderlijk was voor de kwaliteit van de melk. De mest verspreidde kwalijke ammoniakdampen, die niet alleen schadelijk waren voor mens en dier, maar ook de kwaliteit van het hooi op de schelft boven de stal aantastten. Bovendien vraten de dampen de balken van het gebint aan. De gier in de zoei drong door in de bodem en verontreinigde het grondwater en daarmee het water in de put bij de boerderij, dat daardoor minder geschikt was als drinkwater. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werden de potstallen in Oost-Brabant omgebouwd tot de meer efficiënte en hygiënischer grupstal. [1] [2]

[bewerken] Heden

Het principe van de potstal wordt anno 2012 nog steeds toegepast. Deze traditionele stallen zijn te vinden in schaapskooien en bij de biologische veehouderij. Ook in de grootschalige melkgeitenhouderij wordt voor het overgrote deel het potstal-systeem gebruikt.[3] In de paardenhouderij wordt in een potstal soms stro toegepast, maar vaker hennep of vlas. In zogenoemde schuilstallen voor paarden die het gehele jaar, of een groot deel ervan, buiten lopen zorgt de broeiende mest voor wat verwarming.

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  1. Oud-Brabants dorpsleven, Bernard van Dam, Stichting Brabants Heem, 1972, p. 40
  2. In en um de boerdereij, De Potstal, De werkgroep Dialecten, Heemkundekring ’t Hof van Liessent, 1992, p. 19
  3. Q-koorts in Nederland: Speelt mest een rol bij de verspreiding van Q-koorts?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen