Praktische theologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Praktische theologie is een relatief jong vakgebied binnen de theologie, ongeveer 200 jaar oud.

Toegepast op de rooms-katholieke theologie betekent dit dat het gaat om een praktijkgerichte opleiding van priesters, van oorsprong een toepassingswetenschap, die ontstaan is tijdens de Verlichting en nieuwe invloed heeft ondergaan met het Tweede Vaticaans Concilie.

In de 18e eeuw ontstond in Oostenrijk de pastoraaltheologie. In 1774 werd de Praktische Theologie opgericht als universitaire discipline. Er bestond interesse van de overheid in verbetering van en controle op de competentie van priesters. Een naam die hierbij genoemd kan worden is die van Franz Stephan Rautenstrauch (1734-1785). Hij kreeg de opdracht zich hiermee bezig te houden van Maria Theresia van Oostenrijk, omdat de overheid meer invloed wilde op de priesteropleiding.

In de 19e eeuw, in Duitsland, hield de bisschop van Regensburg, Johann Michael Sailer (1751-1832), zich bezig met de theologische verdieping van het vak praktische theologie.

De Tübinger Schule, onder leiding van Johann Sebastian Drey (1777-1835) en Anton Graf (1811-1867), stelde zich ten doel de praktische theologie als vak verder wetenschapstheorethisch te verdiepen. In Nederland schreef Willem Muurling het eerste Handboek (1851-1855) met een taakomschrijving van priesters.

Vanuit de Tübinger Schule ontstond een verschuiving naar de neoscholastieke theologie. Dit kan gezien worden als een conservatieve terugval: de Praktische Theologie werd hierdoor tot een binnenkerkelijke opleiding van priesters.

In de 20e eeuw vond in West-Europa een reformbeweging plaats waarin de praktische theologie zich als zelfstandige wetenschap ontplooide onder leiding van Linus Bopp (1878-1971) en Franz Xaver Arnold (1898-1969).

Het einde van de praktische theologie als toepassingswetenschap komt in zicht en een opening tot de wereld vindt plaats met een concentratie op het kerkelijk/ambtelijk handelen wanneer Karl Rahner (1904-1984), hoogleraar in Innsbruck zijn Handbuch der Pastoraltheologie presenteert (5 delen, 1964-1972).

In de 21ste eeuw vindt opnieuw in West-Europa een ontwikkeling plaats, onder begeleiding van Herbert Haslinger, hoogleraar in Paderborn. Hij schrijft het Handbuch Praktische Theologie (2 delen, 1999-2000). Doelstelling hiervan is het uitwerken van de praktische theologie als "kritische handelingswetenschap". Hiermee komt de focus te liggen op het (religieus) handelen van het Volk Gods (alle mensen!). Een nieuwe traditie ontstaat.

Richard Osmer (2008) legt uit dat de vier belangrijkste vragen en opdrachten in de praktische theologie zijn:

  1. Wat is er aan de hand? (descriptief-empirische taak)
  2. Waarom is dit aan de hand? (interpretatieve taak)
  3. Wat zou er aan de hand moeten zijn? (normatieve taak)
  4. Hoe kunnen we reageren? (pragmatische taak)[1]
Referenties
  1. Osmer, Richard Robert, Practical Theology: An Introduction, William B Eerdmans, 2008, p. 4 “The Core Tasks of Practical Theological Interpretation”