Pre-eclampsie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Pre-eclampsie
Coderingen
ICD-10 O11, O13, O14
ICD-9 642.4-642.7
DiseasesDB 10494
MedlinePlus 000898
eMedicine med/1905ped/1885
MeSH D011225
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Pre-eclampsie is een combinatie van te hoge bloeddruk en eiwitverlies via de urine. In de volksmond is de aandoening bekend onder de naam zwangerschapsvergiftiging, maar die term wordt in medische vaktaal niet meer gebruikt. De aandoening komt bij 3-5% van de zwangeren voor die niet eerder zwanger zijn geweest. Vrouwen die eerder zwanger zijn geweest hebben een lagere kans op het ontstaan van pre-eclampsie. Vrouwen met pre-eclampsie in een eerdere zwangerschap met dezelfde partner hebben een kans om weer pre-eclampsie te krijgen, maar over het algemeen later in de zwangerschap en milder.

Oorzaken[bewerken]

Vooralsnog is het onbekend hoe pre-eclampsie ontstaat. Mogelijk is de groei van placentaweefsel gestoord door een auto-immuunreactie van de zwangere vrouw op antigenen van de aankomende vader. Ook zijn er aanwijzingen dat erfelijkheid een rol speelt: zo komt het in bepaalde families voor dat zowel moeder als dochter in hun eerste zwangerschap pre-eclampsie ontwikkelen. In 2005 werd door onderzoek van de VU een gen gelocaliseerd dat voor het ontstaan van pre-eclampsie verantwoordelijk kan zijn.[1]

Ook is er een defecte ontwikkeling van de spiraalarteriën. Spiraalarteriën zijn arteriën aan moederszijde die uitmonden in de placenta. Bij pre-eclampsie zouden deze arteriën niet goed ontwikkeld zijn waardoor de doorbloeding van de placenta ook niet goed is. De verminderde placentadoorbloeding is geassocieerd met stoffen die leiden tot beschadiging van het endotheel in de bloedvaten van de vrouw overal in haar lichaam. Alle organen waar dit endotheel van belang is voor de functie (bijvoorbeeld de nieren) zullen minder goed werken.

Voor de verhoogde bloeddruk wordt de volgende verklaring gegeven: doordat de spiraalarteriën vernauwd zijn en de placenta voortdurend het moederlijke lichaam om zuurstofrijk bloed vraagt voor het kind, zal de bloeddruk van de moeder stijgen om toch nog genoeg bloed te kunnen aanleveren.

Risicofactoren[bewerken]

Er zijn risicofactoren die een rol spelen bij dit ziektebeeld:

Ziekteverloop[bewerken]

Pre-eclampsie heeft in eerste instantie dezelfde symptomen als het HELLP-syndroom. Door middel van bloedonderzoek kan worden bepaald of het om pre-eclampsie dan wel om HELLP gaat. Pre-eclampsie ontwikkelt zich in de meeste gevallen na week 20 van de zwangerschap en kan ook in het kraambed ontstaan, zelfs tot acht dagen na de bevalling. 5–10% van de patiënten met een pre-eclampsie ontwikkelt het HELLP-syndroom. HELLP kan ook op zichzelf ontstaan uit een gezonde zwangerschap, zonder dat er pre-eclampsie aanwezig is (geweest).

Symptomen en verloop[bewerken]

De volgende symptomen zijn kenmerkend voor pre-eclampsie:

  • hoge diastolische bloeddruk (15-20% verhoogd ten opzichte van niet-zwanger, hoewel dit criterium ter discussie staat)
  • eiwituitscheiding via de urine (>300mg/dag)
  • vocht wordt vastgehouden door eiwitverlies met als gevolg perifeer oedeem
  • centraal oedeem met ascites (dikke buik), longoedeem (kortademigheid)

Uiteindelijk ontstaan ook klachten als gevolg van orgaanschade:

Orgaanschade is meestal eerder in het bloedbeeld te zien.

Pre-eclampsie heeft een grillig verloop en kan plotseling verergeren door een epileptisch insult of het ontstaan van HELLP. Zo'n epileptisch insult wordt een eclampsie genoemd. Beide situaties zijn voor zowel moeder als kind zeer gevaarlijk. Daarom is ziekenhuisopname ook altijd geïndiceerd bij pre-eclampsie.

Behandeling[bewerken]

Behandeling is in principe niet mogelijk. Alleen de klachten kunnen worden onderdrukt. De enige manier om de pre-eclampsie te doen verdwijnen, is bevallen. Goede monitoring van de zwangere en foetus is dus noodzakelijk zodat constant de belangen van moeder en kind kunnen worden afgewogen. Controle gebeurt door middel van een cardiotocografie (CTG), regelmatig bloed- en urine-onderzoek en echoscopisch onderzoek.

Indien beëindigen van de zwangerschap nog niet gewenst is, en/of de ziekte nog niet ernstig genoeg is, wordt pre-eclampsie behandeld met medicatie:

Een bevalling kan eerder worden ingeleid of er wordt voor een (spoed-)keizersnede gekozen. Soms komt een bevalling spontaan op gang. Daarom kunnen er complicaties ontstaan: prematuriteit, dysmaturiteit en soms ook het overlijden van een kind.

Prognose[bewerken]

De prognose van het kind wordt bepaald door de zwangerschapsduur waarbij het kind wordt geboren, het geboortegewicht en de ontwikkeling van het kind.

In Nederland is de sterfte van vrouwen in het kraambed 4,3 op 100.000 levendgeborenen (43% van de totale maternale sterfte!) en wordt 75% van die sterftegevallen in het kraambed veroorzaakt door pre-eclampsie of HELLP. Dit komt neer op ongeveer 3 sterfgevallen per jaar in Nederland.

Verminderen kans op (complicaties bij) pre-eclampsie[bewerken]

Vrouwen die bij een eerste zwangerschap pre-eclampsie hadden wensen de kans op pre-eclampsie te verminderen bij een tweede zwangerschap. Hoewel 25% opnieuw pre-eclampsie krijgt, treedt dit meestal pas op in de uitgerekende periode, waardoor moeder en kind er in de meeste gevallen geen schade van ondervinden.

Calcium, foliumzuur en blootstelling aan sperma van de verwekker zijn aangewezen. Het gebruik van aspirine, vitamine C en E zijn echter niet aangeraden.

  • Het toedienen van een supplement aan calcium kan het risico op complicaties door pre-eclampsie (bijvoorbeeld vroeggeboorte) terugdringen. Het calcium heeft op het eerste zicht geen invloed op het al dan niet optreden van pre-eclampsie, het mindert wel de gevolgen er van.
  • Vitamine C en Vitamine E supplementen verlagen de kans op pre-eclampsie bij zwangere vrouwen met een hoge kans op pre-eclampsie niet. Het gebruik ervan is dus niet nodig en zelfs niet aangewezen aangezien ze de kans op een laag geboortegewicht verhogen. Baby's geboren bij pre-eclampsie hebben al een lager geboortegewicht dan normaal
  • Een zoutloos dieet en vitamine B6 lijken geen invloed te hebben op het voorkomen van pre-eclampsie.
  • Gebruik van foliumzuur (vitamine B11) bij het begin van de tweede trimester verlaagt de kans op pre-eclampsie.
  • De bloeddrukverlager Aldomet (methyldopa) kan gebruikt worden voor het verlagen van de bloeddruk.
  • Magnesiumsulfaat wordt toegediend om de kans op het optreden van stuipen te verminderen. Het halveert ook het risico op eclampsie.
  • Lage seleen-waarden worden geassocieerd met een hogere kans op voorkomen van pre-eclampsie
  • Het gebruik van aspirine is niet aangewezen aangezien de kans op een miskraam hoger is dan bij gebruik van paracetamol.

In een tweede zwangerschap, waarbij het lichaam gedurende de vorige zwangerschap heeft kunnen wennen aan het lichaamsvreemde genetisch materiaal van de vader dat aanwezig is in de moederkoek, komt pre-eclampsie minder vaak voor. Dit geldt echter weer niet als een tweede of volgende zwangerschap van een andere partner is.

Nazorg[bewerken]

Nazorg is belangrijk. Zowel HELLP als pre-eclampsie hebben een enorme invloed op het leven van de vrouw, haar partner en andere kinderen. De klachten, bedrust en een vroeggeboorte en soms het verlies van een kind laten bij hen diepe indruk achter. Lichamelijke klachten na de bevalling die ontstaan zijn als gevolg van pre-eclampsie blijven lang bestaan, in de meerderheid van de gevallen tot één jaar na de bevalling. Psychische klachten kunnen veel langer blijven bestaan. Contact met lotgenoten geeft herkenning en kan helpen bij de verwerking van de gebeurtenissen.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Gen zwangerschapsvergiftiging gevonden
  2. Zwangerschapsvergiftiging door verkeer Faqt, 3 september 2012
  3. Elevated Risk of Preeclampsia in Pregnant Women With Depression: Depression or Antidepressants?, Kristin Palmsten, Soko Setoguchi, Andrea V. Margulis, Amanda R. Patrick en Sonia Hernández-Díaz, Am. J. Epidemiol. first published online March 22, 2012 doi:10.1093/aje/kwr394