Pro Caelio

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Pro Caelio is een van de bekendste overgeleverde redevoeringen van de Romeinse redenaar Marcus Tullius Cicero, uitgesproken op 4 april 56 v.Chr.. Hij verdedigt hier Marcus Caelius Rufus, die van een uitgebreide aanklacht werd beschuldigd: aanzetten tot oproeren in Napels, deelname aan moord op een delegatie van honderd Alexandrijnse burgers onderweg naar Rome in Puteoli, beschadiging van eigendommen van Palla, diefstal van goud van Clodia om daarmee de moord op de Alexandrijnse diplomaat Dio te bekostigen, voorbereiding van vergiftiging van Clodia.

Cicero bespeelt de jury[bewerken]

Caelius was de minnaar geweest van Clodia, de zus van Publius Clodius Pulcher, de vijand van Cicero, die de aanklacht had ingediend. Cicero pleit dat de aanklacht niets meer is dan een wraakpoging van een verbolgen vrouw en doet dat met veel ironie en brio.

Buiten het feit dat hij tegen zijn politieke vijand pleit, heeft Cicero ook een last van een ongelukkige timing van het proces: op de dag van de Ludi Megalenses, het feest ter ere van de Anatolische vruchtbaarheidsgodin Cybele, die in Rome erg populair was. De juryleden moesten dus deze feestelijkheden missen voor een veel saaiere bezigheid en waren bijgevolg waarschijnlijk niet erg geïnteresseerd in Cicero's redevoering, zeker niet vermits het de laatste redevoering van het laatste proces van de dag was. Maar Cicero voert een soort toneelstuk op door de aanklagers als stereotypen voor te stellen, gebaseerd op de traditionele personages van de Romeinse komedie. Hij voert o.a. satirische monologen in (o.a de prosopopee van Appius Claudius Caecus) en bekomt met een stortvloed aan retorische middelen dan ook Caelius' vrijspraak.

Aantijgingen van onzedelijkheid[bewerken]

Een groot deel van de redevoering meende Cicero te moeten besteden aan het ontzenuwen van kennelijk gemaakte aantijgingen van onzedelijke levenswandel van Caelius, en ook dat doet Cicero welsprekend en sappig:

§ 6. “Nu, wat betreft de verwijten van onzedigheid: al maken de aanklagers nog zo veel werk van hun belastering en kwaadsprekerij, ze zullen niet bereiken dat Caelius betreurt, niet onknap geboren te zijn”[1].

§ 20. “(er zijn mensen) die zeggen dat hun echtgenotes, terugkerend van een diner, onfatsoenlijk betast zijn door Caelius…”[2]

§ 30. “Caelius een "echtbreker, viezerik, tussenpersoon" noemen is beschimpen, niet aanklagen…”[3]

§ 35. “De aanklagers blijven maar doorgaan over liederlijkheid, minnarijen, overspel, Baiae, toneelopvoeringen, feestmaaltijden, drinkgelagen, gezang, huisconcerten, plezierbootjes…”[4]

Carmen 49 van Catullus[bewerken]

In Carmen 49[5] bedankt de dichter Catullus Cicero als “de beste advocaat”. Er wordt wel verondersteld dat Catullus dat deed omdat Cicero de naam van de dichter niet vermeldde in het proces tegen Caelius. Dit terwijl Clodia wel eens dezelfde persoon zou kunnen zijn als Catullus' Lesbia (meer info aldaar).

Een andere uitleg stelt dat Catullus' woorden ('Zozeer als ik de slechtste dichter van allen ben, zozeer ben jij de beste advocaat van allen.') sarcastisch moeten worden opgevat. Catullus wil geenszins van zichzelf zeggen dat hij een slechte dichter is en draait daarmee de betekenis van zijn woorden om: Cicero is een erg slechte advocaat. De reden om aan te nemen dat deze woorden sarcastisch opgevat moeten worden is het vermoeden dat Catullus niet blij moet zijn geweest met de manier waarop zijn geliefde Lesbia wordt neergezet in de redevoering.

Externe links[bewerken]

Logo Wikisource
Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Pro Caelio op de Latijnse versie van Wikisource
  • (la) Pro Caelio, originele latijnse tekst, in The Latin Library
  • (la) Pro Caelio, latijnse tekst met aanklikbare woorden en Engelse vertaling daarvan, in de IntraText Digital Library
  • (en) Pro Caelio, Engelse vertaling (zonder §§ 21-33), van Wikisource.
Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur

  • Cicero – [deel XIII in een serie van ‘The Loeb Classical Library’] Pro Caelio; De Provinciis Consularibus; Pro Balbo. (With an English translation by R. Gardner, M.C., M.A..) London, William Heinemann Ltd, 1970.

Voetnoten

  1. § 6: ” Nam quod obiectum est de pudicitia, (…)”
  2. § 20: ”qui dicerent uxores suas a cena redeuntes attrectatas esse a Caelio…”
  3. § 30: ”"Adulter, impudicus, sequester" convicium est, non accusatio; ”
  4. § 35: “Accusatores quidem libidines, amores, adulteria, Baias, actas, convivia, comissationes, cantus, symphonias, navigia iactant, ”
  5. Catullus, Carmen 49, Nederlandse vertaling (en doorklikken naar Latijnse versie)